id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.321 Rolnummer: A. 81691/XII-1784 Zaak: Arrest 145321 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Fiche Arrest nr 145.321 van 2 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.321 van 2 juni 2005 in de zaak A. 81.691/XII-
- In zake : Bertha BROECKX, die woonplaats kiest bij advocaat P. Buyck, kantoor houdende te Antwerpen, Lombardenvest 22 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bertha Broeckx op 22 december 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 oktober 1998 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij “[d]e ambtshalve inschrijving dd. 16 februari 1998 van de heer Christian De Waele in het bevolkingsregister van Brecht, Ebeslaan 1, als een gezin vormend met mevrouw Bertha Broeckx, wordt bevestigd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1784-1/19 Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adviseur I. Bens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 30 november 1987 wordt Christian De Waele in het bevolkingsregister van Brecht ingeschreven op het adres Heiken 2, als alleenstaande, komende van verzoeksters adres, Ebeslaan 1 te Brecht. Op 16 februari 1998 beslist het college van burgemeester en schepenen van Brecht ambtshalve Christian De Waele opnieuw in te schrijven op laatstgenoemd adres. Deze beslissing steunt op een administratieve akte van 2 februari 1998 van de politie van Brecht waarin wordt gesteld dat het “gekend” is dat Christian De Waele niet op het adres Heiken 2 te Brecht verblijft maar zijn hoofdverblijfplaats “reeds meer dan 10 jaar” op het adres Ebeslaan 1 te Brecht heeft en dat hij “zich echter niet in regel [wil] stellen” en elke medewerking weigert. XII-1784-2/19 1.
- Met een schrijven van 23 maart 1998 aan de directie van de verkiezingen en van de bevolking van het ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: de directie) betwist de raadsman van Christian De Waele voormelde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Brecht. Bij brief van 3 april 1998 antwoordt de directie dat aan de inspectiedienst van het departement opdracht werd gegeven de situatie te onderzoeken. Met een schrijven van dezelfde datum verzoekt de directie de burgemeester van Brecht een politieonderzoek in te stellen naar de verblijfstoestand van Christian De Waele en hiervan binnen vijftien dagen verslag uit te brengen. 1.
- Met brieven van 15, 27 en 29 april 1998 bezorgt de raadsman van Christian De Waele aan de directie documenten ter staving van diens argumenten. Het betreft onder meer verklaringen van familieleden waarbij Christian De Waele nu en dan overnacht en van de verhuurster van zijn studio op het adres Heiken 2 te Brecht, een kopie van de brandverzekering die Christian De Waele voor voornoemde studio afsloot alsook overzichten van de markten die hij aandoet en van de plaatsen waar hij overnacht. 1.
- Met een brief van 28 april 1998 bezorgt het gemeentebestuur van Brecht de directie de administratieve akte van 2 februari 1998 alsook een verslag van 17 april 1998 van de politie van Brecht waarin wordt gesteld dat de politie “in een recent verleden een onderzoek [heeft] ingesteld inzake de werkelijke verblijfplaats van De Waele Christian”, dat het verslag hiervan “niet zomaar [is] opgesteld en is gesteund op waarnemingen” zodat er “geen enkele reden [is] om deze vaststellingen in twijfel te trekken”. De politie acht het niet aangewezen om binnen zeer korte termijn opnieuw controles uit te voeren daar de kans groot is dat betrokkene, die weet dat de situatie wordt onderzocht, zich tijdelijk anders zal gedragen. XII-1784-3/19 1.
- Tijdens haar onderzoek raadpleegt de bevolkingsinspectrice de bevolkingsdienst van Brecht, wint zij inlichtingen in bij verzoeksters buren, bij de buren en verhuurders van Christian De Waele en bezoekt zij verzoeksters woning en de studio die Christian De Waele huurt. In haar verslag van 12 juni 1998 besluit de bevolkingsinspectrice dat de inschrijving van Christian De Waele op 16 februari 1998 in het bevolkingsregister van Brecht op het adres Ebeslaan 1, in verzoeksters gezin, dient te worden behouden. 1.
- Met brieven van 24 juli 1998 brengt de directie Christian De Waele, diens raadsman, verzoekster en de burgemeester van Brecht op de hoogte van haar voornemen de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen de ambtshalve inschrijving van Christian De Waele op 16 februari 1998 op het adres Ebeslaan 1 te Brecht, als een gezin vormend met verzoekster, te behouden. Voorts wordt aan de geadresseerden meegedeeld dat zij binnen vijftien dagen opmerkingen of nieuwe gegevens kunnen bezorgen, dat zij het recht hebben het administratief dossier in te zien en dat zij kunnen vragen om te worden gehoord. Christian De Waele haalt voormelde brief van 24 juli 1998 van de directie, die werd geadresseerd aan de Ebeslaan 1 te Brecht, niet af op het postkantoor. Op 17 augustus 1998 schrijft de directie hem opnieuw aan, ditmaal op het adres Heiken 2 te Brecht. In een brief van 5 augustus 1998 deelt verzoekster mee dat zij “met niemand, ook niet met [...] Christian De Waele, een gezin [vormt]” zodat zij zich verzet tegen diens ambtshalve inschrijving op haar adres. Bij brief van 27 juli 1998 verzoekt de raadsman van Christian De Waele de directie hem per kerende een kopie van het administratief dossier te bezorgen. In een brief van 5 augustus 1998 herhaalt hij zijn vraag en verzoekt hij de termijn voor het formuleren van opmerkingen te verlengen tot 15 september
- Bij brief van 17 augustus 1998 wordt hem geantwoord dat de gevraagde XII-1784-4/19 afschriften hem na ontvangst van de verschuldigde vergoeding onmiddellijk zullen worden toegezonden. De gevraagde kopie van het administratief dossier wordt door de directie bij schrijven van 3 september 1998 bezorgd. Bij brief van 9 september 1998 deelt de raadsman van Christian De Waele zijn opmerkingen mee. 1.
- Op 21 oktober 1998 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing die, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wetgeving en reglementering, op de volgende motieven steunt : “Overwegende dat uit het onderzoek dd. 28 mei 1998 en 10 juni 1998 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) is gebleken dat : S Christian De Waele sedert 30 november 1987 ingeschreven was aan Heiken 2 te Brecht, als alleenstaande, komende van de Ebeslaan 1 te Brecht; S betrokkene op datum van 16 februari 1998 ambtshalve bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen opnieuw ingeschreven werd aan de Ebeslaan 1 te Brecht, als een gezin vormend met mevrouw Bertha Broeckx; S betrokkenes advocaat Eddy Boutmans bij brief 23 maart 1998 mededeelt dat : * betrokkende zijn hoofdverblijfplaats heeft behouden aan Heiken 2 te Brecht; * betrokkene als marktkramer ’s morgens vroeg weg is, ’s avonds vaak laat thuiskomt en regelmatig bij familieleden blijft overnachten op de plaats waar de markt is gehouden; * betrokkene een relatie heeft met mevrouw Bertha Broeckx, maar dit een privé-aangelegenheid is en dit niet betekent dat hij er zijn hoofdverblijf zou gevestigd hebben; * aan de basis van dit geschil een burenruzie ligt, en als doel heeft mevrouw Broeckx te treffen in haar sociale situatie, aangezien zij een werkloosheidsuitkering ontvangt als alleenstaande; S advocaat Eddy Boutmans vervolgens bij brieven dd. 15, 27 en 29 april 1998 een aantal documenten opstuurt als bewijs dat betrokkene zijn hoofdverblijfplaats zou behouden hebben aan Heiken 2 te Brecht, o.a. burenverklaringen, een overzicht van de markten waar betrokkene aan deelneemt, een copie van de brandverzekering van zijn woning aan Heiken 2 te Brecht, enz...; S de bevoegde inspecteur tijdens haar onderzoek op 28 mei 1998 aan de Ebeslaan 1 te Brecht zowel betrokkene als mevrouw Bertha Broeckx aantreft, en mevrouw Broeckx verklaart dat zij reeds meer XII-1784-5/19 dan 10 jaar een relatie heeft met betrokkene, maar dat hij niet bij haar woonachtig is maar wel aan Heiken 2 te Brecht; S mevrouw Broeckx tevens verklaart dat zij een werkloosheids- uitkering ontvangt en, ten gevolge van een werkongeval, een invaliditeitsuitkering van 30%; S de betrokkene aan de bevoegde inspecteur verklaart dat hij de voorbije nacht hier bij zijn vriendin is blijven slapen, maar dit zelden gebeurt, en hij hier in feite komt omdat zij zonder hem niet durft buitenkomen, vanwege een burenruzie; S betrokkene tevens verklaart dat : * hij woonachtig is aan Heiken 2 te Brecht, waar hij op de eerste verdieping een kamer huurt van de heer en mevrouw Kobessen- Stevens; * hij, naar aanleiding van het verzoek van de bevoegde inspecteur om zijn appartement aldaar te tonen, verklaart dat hij niet weet of hij er binnen kan, aangezien de eigenaars momenteel met vakantie zijn, zij de voordeur hebben afgesloten met een schuifslot en hij niet over een aparte eigen ingang beschikt; * hij momenteel hier of in Herent bij zijn familie verblijft; S betrokkene tenslotte toch akkoord gaat om zijn appartement aan Heiken 2 aan de bevoegde inspecteur te tonen, en hij op weg van de Ebeslaan 1 naar Heiken 2 een omweg van 10 km moet maken omdat hij blijkbaar niet wist dat er wegenwerken aan de gang waren; S buren bevestigen dat betrokkene reeds 12 jaar bij mevrouw Broeckx woont, dat hij er dagelijks slaapt, maar dat hij nu soms zijn marktwagen ook plaatst voor de woning aan Heiken 2 te Brecht, omdat hij weet dat er een onderzoek bezig is; S de bevoegde inspecteur tijdens haar onderzoek op 28 mei 1998 aan Heiken 2 te Brecht, in aanwezigheid van betrokkene, heeft kunnen vaststellen dat betrokkenes naam niet op de brievenbus of op de deurbel is vermeld, dat hij de woning niet kan betreden omdat de voordeur langs binnen is vergrendeld, en dat zijn persoonlijke papieren, met o.a. het huurcontract dd. 31 augustus 1987 voor dit appartement, zich in een koffertje in zijn wagen bevinden; S mevrouw De Meyer van de dienst bevolking te Brecht op 29 mei 1998 telefonisch aan de bevoegde inspecteur mededeelt dat : * de ambtshalve inschrijving van betrokkene aan de Ebeslaan 1 te Brecht gebaseerd is op de administratieve akte dd. 2 februari 1998, waarin wordt gemeld dat betrokkene er reeds meer dan 10 jaar woonachtig is, maar dat hij zich niet in regel wil stellen en alle medewerking weigert; * betrokkene zich op 7 juli 1986 reeds had laten inschrijven aan de Ebeslaan 1 te Brecht, en mevrouw Bertha Broeckx toen enige tijd samen met hem de markten heeft gedaan, maar zij dit vlug heeft opgegeven en terug is gaan stempelen, waarna betrokkene zich heeft laten inschrijven aan Heiken 2 te Brecht zodat zijn vriendin een grotere uitkering kon genieten; XII-1784-6/19 S betrokkene op 2 juni 1998 aan de bevoegde inspecteur aan brief overhandigt waarbij hij aan de eigenaars de toelating geeft om, in zijn afwezigheid, zijn woonst aan Heiken 2 te Brecht te betreden; S de bevoegde inspecteur de betrokkene, na afspraak, op 10 juni 1998 heeft aangetroffen aan Heiken 2 te Brecht, waarbij zij heeft kunnen vaststellen dat hij er op de bovenverdieping over een zitplaats, een slaapkamer en een badkamer beschikt; S er een minimum aan etenswaren en kledij aanwezig is, er geen eet- of kookgerief te bespeuren is, betrokkene er niet over warm water beschikt, noch over een douche of bad, en het geheel duidelijk een geënsceneerde indruk geeft; S mevrouw Stevens, verhuurster van het appartement aan Heiken 2 te Brecht, op 10 juni 1998 aan de bevoegde inspecteur verklaart dat betrokkene ofwel hier slaapt, ofwel bij familie, en de weekends doorbrengt bij zijn vriendin; S mevrouw Stevens tevens verklaart dat zij tijdens hun verlof van 19 tot 31 mei ll. de voordeur langs binnen hadden vergrendeld, maar zij betrokkene daarvan niet op de hoogte hadden gebracht omdat hij er toch niet veel aanwezig is; S buren verklaren dat er geen marktkramer woonachtig is aan Heiken 2 te Brecht en dat het de eerste keer is dat zij de marktwagen van betrokkene hier zien staan; S dienvolgens de bevoegde ambtenaar voorstelt de ambtshalve inschrijving van de betrokkene dd. 16 februari 1998 aan de Ebeslaan 1 te Brecht, als een gezin vormend met mevrouw Bertha Broeckx, te bevestigen; [...] Overwegende dat het gemeentebestuur van Brecht, dat bij brief dd. 24 juli 1998 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen heeft medegedeeld ; Overwegende dat mevrouw Bertha Broeckx, die bij brief dd. 24 juli 1998 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, bij brief dd. 5 augustus 1998 mededeelt niet akkoord te gaan met het behoud van betrokkenes inschrijving aan haar adres, maar zij geen nieuwe feitelijke elementen aanhaalt die de voorgestelde beslissing zouden kunnen beïnvloeden; Overwegende dat advocaat Eddy Boutmans, die bij brief dd. 24 juli 1998 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, bij brieven dd. 27 juli 1998 en 5 augustus 1998 een kopie vraagt van het administratief dossier van betrokkene, en deze kopie hem bij brief dd. 3 september 1998 wordt toegestuurd; Overwegende dat advocaat Eddy Boutmans bij brief dd. 9 september 1998 mededeelt dat : S de politie van de gemeente Brecht geen enkel element aanbrengt waaruit de vaststelling van fictieve woonplaats zou kunnen worden afgeleid; XII-1784-7/19 S uit het verslag van de provinciale inspectie van 12 juni 1998 blijkt dat de gegevens uitsluitend verschaft zijn door het gezin Spiessens- Caron, dat in conflict ligt met mevrouw Broeckx; S betrokkene en mevrouw Broeckx een relatie hebben, maar dit nog niet bewijst dat hij zijn woonplaats bij haar heeft gevestigd; S betrokkene als marktkramer zelden aan te treffen is aan Heiken 2 te Brecht, hij vaak van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op de baan is en dikwijls buitenshuis overnacht; S een inspecteur van de RVA betrokkene op 9 april 1998 wel heeft aangetroffen aan Heiken 2 te Brecht; Overwegende dat de betrokkene de brief van het departement dd. 24 juli 1998 gericht aan de Ebeslaan 1 te Brecht niet heeft afgehaald voor ontvangst, dat hij bij brief dd. 17 augustus 1998 opnieuw door het departement werd aangeschreven, ditmaal aan het adres Heiken 2 te Brecht, maar dat hij binnen de gestelde termijn geen opmerkingen heeft medegedeeld, [...]”. 1.
- Bij brief van 26 oktober 1998 bezorgt de directie aan de burgemeester van Brecht een afschrift van de bestreden beslissing. Het gemeentebestuur van Brecht wordt belast met de onmiddellijke uitvoering van voormelde beslissing, dient de betrokkenen hiervan op de hoogte te brengen en moet aan verzoekster, Christian De Waele en diens raadsman een integraal afschrift van de bestreden beslissing bezorgen. De gemeente Brecht betekent de beslissing aan betrokkenen met een aangetekende brief van 3 november
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster een enig middel put uit “[m]achtsoverschrijding door schending van de wet, namelijk de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en het Koninklijk Besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, namelijk van het recht van verdediging”; XII-1784-8/19 Overwegende dat verzoekster stelt dat krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: de wet van 19 juli 1991) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), de beslissing waarbij de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde uitspraak doet over een moeilijkheid of betwisting betreffende de vaststelling van een hoofdverblijfplaats met redenen moet omkleed zijn, dat die redenen “wettelijk juist en afdoende” moeten zijn en dat de argumentatie die door de betrokkene werd ingeroepen moet worden beantwoord; dat zij voorts doet gelden dat de bestreden beslissing het begrip “hoofdverblijfplaats” en de bewijsregelen die in acht moeten worden genomen om deze hoofdverblijfplaats te bepalen onjuist toepast, dat er immers een vermoeden van juistheid kleeft aan de bestaande inschrijving, dat de plaats waar iemand sinds jaren is ingeschreven geacht moet worden zijn hoofdverblijfplaats te zijn tenzij er een grondige verandering in de toestand wordt aangetoond, dat bij “min of meer gelijk opgaande gegevens” de betrokkene zelf de meest geschikte persoon is om uit te maken waar “de leden van zijn huishouden gewoonlijk leven” zodat de overheid de onjuistheid van zijn keuze op grond van overwegend feitelijke gegevens dient aan te tonen, dat Christian De Waele sinds 1987 is ingeschreven op het adres Heiken 2 te Brecht, dat hoewel alle beschouwingen over de beperktheid van de door hem gehuurde kamers gedurende tien jaar even pertinent zijn geweest als nu, zij nooit hebben geleid tot betwisting van zijn inschrijving, dat blijkbaar werd aanvaard dat hij, als alleenstaande die wegens zijn beroepsactiviteit veel uithuizig is, genoegen nam met een bescheiden woning, dat zijzelf sinds 1972 is ingeschreven op het adres Ebeslaan 1 te Brecht waar zij tot 1995 samen met haar moeder een gezin vormde, dat dit feit de bewering in het politieverslag van 3 februari 1998 dat Christian De Waele zijn hoofdverblijf reeds meer dan tien jaar op haar adres zou hebben, tegenspreekt, dat het politieverslag niet is gesteund op betrouwbare waarnemingen en het als bewijs volstrekt waardeloos is aangezien nadien geen nieuw verslag werd opgemaakt, dat het geschil ongetwijfeld zijn oorsprong vindt bij haar buren die wonen op het adres XII-1784-9/19 Ebeslaan 2 te Brecht, dat uit het verslag van de bevolkingsinspectrice blijkt dat voormelde buren de enigen zijn die inlichtingen hebben verschaft, dat zij sinds lang in onmin leeft met deze buren zodat de door hen verstrekte gegevens niet als bewijs kunnen worden gebruikt, dat zij tot 1995 samenwoonde met haar moeder die als gezinshoofd werd beschouwd zodat het voor haar uitkering geen verschil uitmaakte of Christian De Waele op het adres Ebeslaan 1 te Brecht werd ingeschreven of niet, dat zij tussen 2 mei 1994 en 23 juni 1995 een leurderskaart bezat waar zij echter geen gebruik van heeft gemaakt en die zij spontaan heeft ingeleverd, dat de bestreden beslissing vermeldt dat de raadsman van Christian De Waele bewijsstukken heeft voorgelegd maar hier verder niet op ingaat en de inhoud ervan niet weerlegt, dat “het wettelijk motiveringsvereiste” inhoudt dat op de aangevoerde argumenten moet worden geantwoord, hetgeen te dezen niet gebeurde omdat het dossier geen gegevens bevat die de aangebrachte elementen weerleggen, dat het feit dat verzoekster en Christian De Waele een relatie hadden en dat hij bij haar overnachtte niet aantoont dat hij zijn woonplaats bij haar had, dat het feit dat de woning van Christian De Waele schraal is, onvoldoende reden is om bewezen te achten dat hij er niet verblijft aangezien hij aantoonde dat hij er omwille van beroepsredenen en privé-aangelegenheden vaak afwezig is, dat hij sinds meer dan tien jaar is ingeschreven op het adres Heiken 2 te Brecht zonder dat de waarachtigheid van deze inschrijving door de gemeente Brecht ter discussie werd gesteld, dat geen enkel element werd voorgelegd waaruit zou blijken dat hij zijn belangen niet werkelijk zou hebben uitgeoefend op voornoemd adres, dat artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 1992) bepaalt dat een inschrijving niet mag worden geweigerd omdat de betrokken woning niet voldoet aan normen inzake veiligheid of gezondheid, dat de wettelijke criteria voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats van een persoon grotendeels niet van toepassing zijn op Christian De Waele zodat zijn verklaringen op grond van die criteria niet kunnen worden weerlegd, dat het in het licht van de door hem aangevoerde feiten niet onlogisch is dat de weinige ondervraagde buren hem niet kennen, dat de bestreden beslissing de brief van 9 september 1998 van de raadsman van Christian De Waele vermeldt maar niet antwoordt op de erin XII-1784-10/19 aangevoerde argumenten, dat er schending is van het recht van verdediging of alleszins van de motiveringsplicht “door kennelijk over het gevoerde verweer heen te stappen, omdat het niet zou zijn ingediend door de Waele zelf”, dat tien kilometer ongeveer de normale afstand is tussen de Ebeslaan en Heiken zodat de opgebroken weg een omweg van een paar honderd meter heeft veroorzaakt, dat uit de vermelding in het verslag van de bevolkings-inspectrice hoogstens kan worden besloten dat Christian De Waele een slecht oriëntatievermogen heeft en/of dat hij minder aan de Ebeslaan komt dan wordt voorgehouden, dat het in strijd zou zijn met alle gegevens van het dossier om hieruit te besluiten dat hij zelden of nooit op het adres Heiken 2 te Brecht is geweest, dat zelfs indien de bestreden beslissing het vermoeden zou weerleggen dat verzoekers inschrijving op het adres Heiken 2 te Brecht juist is, de motivering ervan niet volstaat om te stellen dat Christian De Waele op het adres Ebeslaan 1 te Brecht een gezin zou vormen met verzoekster, dat het bewijs dat betrokkenen er als gezin zouden samenwonen niet werd geleverd; dat verzoekster ten slotte argumenteert dat de beslissing van de gemeente Brecht door de bestreden beslissing niet mocht worden aangevuld met de vermelding dat Christian De Waele met verzoekster een gezin vormt aangezien deze vermelding verzoeksters recht van verdediging niet respecteert doordat haar nooit werd gevraagd “te argumenteren tegen” deze bewering; 2.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van weder- antwoord betoogt dat de woonplaats de plaats is waar men zijn gezinsleven beleeft, hetgeen minder eenduidig is voor een alleenstaande, dat het niet zo is dat een alleenstaande die een relatie aangaat, daardoor meteen zijn hoofdverblijf-plaats verplaatst, ook al is dat niet zijn bedoeling, dat verzoekster en Christian De Waele om privé-redenen niet samen wensen te wonen, dat de keuze van Christian De Waele om zijn hoofdverblijfplaats apart te houden legitiem is en in overeenstemming met de werkelijkheid, dat Christian De Waele niet vaker op het adres Ebeslaan 1 te Brecht vertoeft dan op het adres Heiken 2 zodat niet objectief kan worden aangetoond dat hij op eerstgenoemd adres zijn hoofdverblijfplaats heeft, dat hij ook de wil niet heeft er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, dat de band die Christian De Waele heeft met de woning op het adres Heiken 2 te Brecht XII-1784-11/19 “alleszins effectiever, werkelijker en doorlopender is” dan zijn band met verzoeksters woning, dat de geënsceneerde indruk die de woning van Christian De Waele maakt voortvloeit uit een vooroordeel terwijl ook verzoeksters woning een geënsceneerde indruk maakt aangezien Christian De Waele er enkel een plunjezak heeft en geen persoonlijke documenten, dat de R.V.A. van oordeel is dat Christian De Waele en verzoekster geen gezin vormen; 2.
- Overwegende dat in de laatste memories geen nieuwe elementen worden aangevoerd; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het middel doet gelden dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd; dat artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 aan de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde de verplichting oplegt om de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een moeilijkheid of betwisting met betrekking tot het vaststellen van een hoofdverblijfplaats, met redenen te omkleden; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van voormelde wet eraan toevoegt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de betrokkene in kennis te stellen van de redenen op grond waarvan een voor hem ongunstige beslissing is genomen teneinde hem aldus de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken in het kader van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen aan te tonen dat de ingeroepen motieven niet gegrond zijn; dat bij het onderzoek van de vraag naar de afdoende formele motivering van de bestreden beslissing niet moet worden nagegaan of de ingeroepen motieven de beslissing ook in rechte en in feite dragen aangezien dit laatste aspect niet de formele, maar de materiële motivering van de beslissing betreft; XII-1784-12/19 Overwegende dat te dezen moeilijk kan worden betwist dat de bestreden beslissing afdoende formeel is gemotiveerd; dat de beslissing uitdrukkelijk de verschillende stappen van het onderzoek naar de verblijfstoestand van Christian De Waele en de voor haar conclusie relevante bevindingen van dat onderzoek vermeldt; dat de bestreden beslissing ook de juridische context schetst waarbinnen zij werd genomen; dat verzoeksters raadsman een afschrift heeft verkregen van het dossier zodat hij afdoende kennis heeft van alle stukken die in de bestreden beslissing worden vermeld en hij over voldoende gegevens beschikt om verzoeksters belangen met kennis van zaken te verdedigen; dat de verplichting tot formele motivering niet vereist dat verzoekster in de bestreden beslissing een uitdrukkelijk antwoord vindt op de opmerkingen die zijzelf of haar raadsman gedurende het onderzoek meedeelde aan de directie; dat het volstaat dat verzoekster uit de bestreden beslissing verneemt welke bevindingen verwerende partij deden besluiten dat de ambtshalve inschrijving op 16 februari 1998 van Christian De Waele in het bevolkingsregister van Brecht op het adres Ebeslaan 1, als een gezin vormend met verzoekster, dient te worden bevestigd; dat wanneer verzoekster van oordeel is dat de door haar aangevoerde argumenten en de door haar bezorgde stavingsstukken die bevindingen ontkrachten, niets er aan in de weg staat dat zij dit voor de Raad van State aanvoert, hetgeen zij in het tweede onderdeel van het middel doet; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; XII-1784-13/19 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede onderdeel van het middel de materiële motivering van de bestreden beslissing betwist; dat bij het beoordelen ervan rekening moet worden gehouden met het vermoeden van juistheid van de inschrijving van Christian De Waele in het bevolkingsregister van Brecht op het adres Heiken 2; dat derhalve moet worden nagegaan of verwerende partij over voldoende gegevens beschikte om voormeld vermoeden weerlegd te bevinden en vervolgens het hoofdverblijf van Christian De Waele op het adres Ebeslaan 1 te Brecht, in verzoeksters gezin, te situeren; Overwegende dat artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat de hoofdverblijfplaats de plaats is waar de leden van een huishouden gewoonlijk leven of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft; dat artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 stelt dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats is gegrond op een feitelijke situatie, namelijk het vaststellen van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar; dat laatstgenoemd artikel voorts exemplatief een aantal elementen opsomt op grond waarvan de hoofd-verblijfplaats kan worden bepaald, zijnde onder meer de plaats waar betrokkene na zijn beroepsbezigheden heengaat, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of andere leden van het huishouden; dat artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 hieraan toevoegt dat het niet volstaat dat iemand enkel de bedoeling uit om zijn hoofdverblijfplaats op een gegeven plaats te vestigen om voor het betrokken gemeentebestuur de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen; dat de vaststelling van de hoofd- verblijfplaats derhalve in wezen een feitenkwestie is; Overwegende dat de administratieve akte van 2 februari 1998 van de politie van Brecht stelt dat het “gekend” is dat Christian De Waele niet op het adres Heiken 2 verblijft en reeds meer dan tien jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Ebeslaan 1, maar dat hij zich niet in regel wil stellen en elke medewerking weigert; dat verzoeksters standpunt dat het politieverslag “volstrekt waardeloos” is omdat het geen gewag maakt van concrete feitelijke vaststellingen, XII-1784-14/19 niet kan worden bijgetreden; dat weliswaar de politie van Brecht er goed aan had gedaan haar verslag te stofferen met de concrete vaststellingen die haar ertoe brachten te besluiten dat Christian De Waele zijn hoofdverblijfplaats had op verzoeksters adres; dat evenwel uit het parketdossier nr. 45.85.584/97 dat verzoekster bij haar verzoekschrift voegde, blijkt dat de politie- en rijkswachtdiensten, onder meer deze van de gemeente Brecht, sinds 1997 regelmatig werden opgeroepen om tussen te komen in de burenruzie die heerst tussen verzoekster en haar naaste buren en dat hierbij meermaals werd vastgesteld dat Christian De Waele bij verzoekster aanwezig was en bij het conflict betrokken was; dat de politie- en rijkswachtdiensten bijgevolg bijzonder goed waren geplaatst om de verblijfstoestand van Christian De Waele te beoordelen; dat niet blijkt en verzoekster ook niet aantoont dat deze beoordeling niet objectief en partijdig zou zijn geweest; dat moet worden aangenomen dat de verklaringen van de politie van Brecht betreffende de hoofdverblijfplaats van Christian De Waele niet van elk belang ontbloot zijn; Overwegende dat in het verslag van de bevolkingsinspectrice, naast de verklaring van verzoeksters naaste buren dat Christian De Waele reeds 12 jaar bij verzoekster inwoont, verschillende elementen worden aangevoerd die er op wijzen dat Christian De Waele met verzoekster samenleeft op het adres Ebeslaan 1 te Brecht : S Christian De Waele wordt door de bevolkingsinspectrice op 28 mei 1998 bij verzoekster aangetroffen; hij bracht er de nacht door; S verzoekster verklaart dat zij reeds meer dan tien jaar een relatie heeft met Christian De Waele en dat hij “regelmatig” bij haar komt als hij niet aan het werk is; S in de woning is wasgerief voor twee personen aanwezig; S de woning op het adres Heiken 2 werd tijdens de vakantie van de eigenaars ervan afgesloten, zodat Christian De Waele er niet in kon; S de persoon bij wie Christian De Waele zijn marktwagen parkeert verklaart dat laatstgenoemde meestal bij zijn vriendin verblijft; XII-1784-15/19 S Christian De Waele blijkt niet (goed) te weten hoe hij van de parkeerplaats nabij de Ebeslaan naar het adres Heiken 2 moet rijden; S bij het eerste bezoek van de bevolkingsinspectrice aan Heiken 2 blijkt de naam van Christian De Waele noch op de brievenbus, noch op de bel vermeld te zijn; S een half uur na het eerste bezoek van de bevolkingsinspectrice aan Heiken 2, vertoeft Christian De Waele alweer bij verzoekster; S M. De Meyer van de bevolkingsdienst van Brecht woont niet ver van verzoekster en verklaart “zeker” te zijn dat Christian De Waele sinds 1986 zijn hoofdverblijfplaats heeft op verzoeksters adres; er is geen reden om aan de objectiviteit en onpartijdigheid van M. De Meyer te twijfelen; S de buren van Christian De Waele verklaren dat zij hem niet kennen en dat ze zijn marktwagen nog nooit hebben gezien; S de studio van Christian De Waele maakt een “geënsceneerde indruk”, er is geen eet- en kookgerief, een minimum aan toiletgerief, er is geen bad of douche en eveneens geen warm water; Christian De Waele blijkt niet goed te weten hoe de radiator werkt; S de verhuurster verklaart dat zij vergat Christian De Waele in te lichten over het afsluiten van de woning omdat hij niet vaak aanwezig is; Overwegende dat het niet opgaat te stellen dat het verslag van de bevolkingsinspectrice enkel zou zijn gesteund op de verklaringen van verzoeksters naaste buren, verklaringen die mogelijk onbetrouwbaar zouden zijn omwille van de burenruzie die reeds geruime tijd heerst tussen laatstgenoemden en verzoekster; dat voormelde verklaringen in het licht van de bestaande burenruzie met terughoudendheid dienen te worden benaderd, maar dat zij niettemin worden bevestigd door de overige vaststellingen van de bevolkingsinspectrice; Overwegende dat verwerende partij uit het politieverslag en uit het verslag van de bevolkingsinspectrice mocht afleiden dat Christian De Waele XII-1784-16/19 zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Heiken 2 te Brecht, waar hij samen met verzoekster een gezin vormt; dat de door de raadsman van Christian De Waele aangevoerde argumenten en bewijsstukken aan deze conclusie geen afbreuk konden doen; dat het feit dat Christian De Waele als gevolg van zijn beroepsactiviteit vaak afwezig is en bij familie logeert niet uitsluit dat uit het bevolkingsonderzoek kon worden afgeleid dat hij, wanneer hij te Brecht vertoefde, vaker bij verzoekster verbleef dan op het adres Heiken 2; dat de verklaring van de verhuurster dat Christian De Waele regelmatig in zijn studio overnacht niet in overeenstemming is met het feit dat zij de woning gedurende haar vakantie afsluit omdat Christian De Waele er toch niet vaak blijkt te zijn; dat het afschrift van de brandverzekering die door Christian De Waele werd afgesloten niets aantoont aangezien niet wordt betwist dat hij de studio op het adres Heiken 2 huurt; dat het feit dat Christian De Waele door een inspecteur van de R.V.A. op 9 april 1998 op het adres Heiken 2 werd aangetroffen niet strijdig is met de bevindingen van het bevolkingsonderzoek die immers niet uitsluiten dat Christian De Waele nu en dan, maar niet in hoofdzaak, op voornoemd adres vertoeft; dat het feit dat Christian De Waele reeds sinds 1987 in het bevolkingsregister van Brecht is ingeschreven op het adres Heiken 2 zonder dat men het in al die jaren nodig heeft gevonden die inschrijving in vraag te stellen en zonder dat wordt aangetoond dat er een “grondige verandering” in zijn verblijfstoestand heeft plaatsgevonden, er niet aan in de weg staat dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 21 oktober 1998 op basis van het bevolkings-onderzoek kon besluiten dat de inschrijving van Christian De Waele op het adres Heiken 2 niet aan de werkelijkheid beantwoordde en dat het college van burgemeester en schepenen van Brecht op 16 februari 1998 terecht besliste om hem op verzoeksters adres in te schrijven; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel van het middel stelt dat haar rechten van verdediging werden geschonden; Overwegende, dat zowel Christian De Waele, diens raadsman als verzoekster door de directie met brieven van 24 juli 1998 in kennis werden XII-1784-17/19 gesteld van het voornemen om de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen de ambtshalve inschrijving van Christian De Waele op 16 februari 1998 op het adres Ebeslaan 1 in het gezin van verzoekster te behouden; dat de betrokkenen de mogelijkheid hadden opmerkingen te maken en nieuwe gegevens mee te delen, het administratief dossier konden inzien en door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken konden worden gehoord; dat verzoekster met een brief van 5 augustus 1998 heeft geantwoord; dat de raadsman van Christian De Waele met een brief van 9 september 1998 zijn opmerkingen en bezwaren heeft meegedeeld die evenwel, zoals gezien, de bevindingen van het bevolkingsonderzoek niet konden weerleggen; dat noch verzoekster, noch Christian De Waele en diens raadsman gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om door de gemachtigde van de minister te worden gehoord; dat bijgevolg de door artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 voorziene tegen- sprekelijke procedure werd gerespecteerd; dat niet valt in te zien dat verzoeksters rechten van verdediging zouden zijn geschonden; Overwegende dat ook het derde en laatste onderdeel van het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-1784-18/19 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1784-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.