id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.324 Rolnummer: A. 79930/XII-1561 Zaak: Arrest 145324 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 16:52 Fiche Arrest nr 145.324 van 2 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.324 van 2 juni 2005 in de zaak A. 79.930/XII-
- In zake : Marcel PILLE, die woonplaats kiest bij advocaat E. De Ville, kantoor houdende te Blankenberge, Zuidlaan 14-16 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Visserij 157A. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel Pille op 21 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 maart 1998 van de gemeenteraad van Oostende houdende bevordering tot sergeant bij de brandweer van Oostende van Ronald Laga en Eric Vyncke; Gezien de toelichtende memorie van verzoeker; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 21 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1561-1/6 Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. De Ville die verschijnt voor de verzoeker en van advocaat G. Jacobs loco Mr. B. Roelandts; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker sinds 1 oktober 1965 in dienst is van de brandweer van Oostende; dat hij sinds 1 oktober 1981 de graad van korporaal heeft en op 18 november 1996 het brevet van sergeant behaalde; dat de gemeenteraad van Oostende op 25 april 1997 beslist twee betrekkingen van sergeant bij bevordering te begeven; dat vijf korporaals, waaronder verzoeker, zich hiervoor kandidaat stellen; dat de officier-dienstchef op 12 februari 1998 over elk van de kandidaten advies uitbrengt en dat zijn advies over verzoeker luidt : “Wellicht bezit betrokkene over waardevolle capaciteiten, tot spijt van vele medewerkers heeft hij echter in het verleden nagelaten ze te manifesteren en om ze maximaal aan te wenden voor de dienst. Hij heeft zich tijdens het jarenlang vervullen van de functie van korporaal beperkt tot het strikte minimum dat van hem mocht worden verwacht (en soms zelfs minder). Evenwel is het opmerkzaam dat hij sedert enige tijd aantoont over een grotere bereidheid en kunnen te beschikken. In afwachting van een bestendiging ervan en rekening houdend met het respect voor de andere kandidaturen, moeten wij de postulering van betrokkene momenteel ongunstig adviseren”; Overwegende dat verzoeker met een brief van 23 februari 1998 bij de personeelsdienst van Oostende bezwaar aantekent tegen voormeld advies, stellende dat hij sinds een viertal jaren veelvuldig de functie van sergeant en van XII-1561-2/6 eerste sergeant uitoefent, dat hij het brevet van sergeant heeft behaald, dat de officier-dienstchef nooit opmerkingen heeft gemaakt omtrent zijn prestaties en dat hij de objectiviteit van het advies in twijfel trekt omdat hij als enige een ongunstig advies kreeg en hij “de vergelijking [maakt] met sommige andere kandidaten”; Overwegende dat de gemeenteraad, na kennis te hebben genomen van het verslag van het college van burgemeester en schepenen betreffende de bevorderingen tot sergeant bij de brandweerdienst, op 27 maart 1998 de thans bestreden beslissing neemt; dat met een brief van 22 april 1998 een afschrift van het bestreden besluit aan verzoeker wordt bezorgd; dat verzoeker bij brief van 23 april 1998 tegen het bestreden besluit bezwaar indient bij de gouverneur van West-Vlaanderen, die hem met een brief van 23 juni 1998 meedeelt dat het bestreden besluit uitwerking mag hebben; Overwegende dat verzoeker in een enig middel doet gelden dat te dezen de verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten voor een bevordering op een zorgvuldige en objectieve wijze te vergelijken werd geschonden doordat het bestreden besluit steunt op een verslag van het college van burgemeester en schepenen waarin wordt gesteld dat “geen van de kandidaten blijkt ervaring te hebben opgedaan in de functie van sergeant vermits niemand onder hen tijdelijk aangesteld is geweest in die graad”, terwijl hij bewijst dat hij minstens sinds 17 januari 1994 verscheidene keren de functie van sergeant heeft uitgeoefend en dat hij minstens sinds 27 december 1994 verscheidene keren de functie van eerste sergeant heeft uitgeoefend en dit zelfs nog na de ongunstige beoordeling door de officier-dienstchef, dat hij het stadsbestuur hierop heeft gewezen in een brief van 23 februari 1998, dat het bestreden besluit bijgevolg op grond van onjuiste gegevens werd genomen, hetgeen leidde tot een onjuiste vergelijking van de kandidaten; Overwegende dat verzoeker in de toelichtende memorie toevoegt dat men onmogelijk kan stellen dat men met “ervaring hebben” “(tijdelijk) aangesteld geweest zijn” bedoelt aangezien men in dat geval ervaring XII-1561-3/6 zou verwarren met een benoeming of aanstelling, dat het advies van de officier- dienstchef “manifest tegenstrijdig [is] met de voorliggende bewijzen van de prestaties van [verzoeker] die zeker niet gericht waren op een zich beperken tot het strikte minimum”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie betoogt dat ervaring een feitelijk begrip is dat dient te worden bewezen met behulp van feitelijke elementen, hetgeen hij heeft gedaan, dat het inhoudelijk onjuist is om te stellen dat men slechts ervaring heeft als men een tijdelijke aanstelling kan bewijzen; Overwegende dat het verslag van het college van burgemeester en schepenen waarop de bestreden beslissing is gegrond in verband met de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten onder meer stelt : “Ervaring is een wettig criterium in die zin dat ervaring in de te begeven functie of in de betrokken materie in overweging genomen kan worden. Geen van de kandidaten blijkt ervaring te hebben opgedaan in de functie van sergeant vermits niemand onder hen tijdelijk aangesteld is geweest in die graad; alle kandidaten hebben anderzijds ervaring in de betrokken materie aangezien de functie van sergeant noodzakelijkerwijze ervaring vereist in de onmiddellijk lagere graad van korporaal”; Overwegende dat verzoeker geenszins bewijst dat deze overweging van het college van burgemeester en schepenen “onjuist” is en ten onrechte voorbijgaat aan de ervaring die hij “in de functie van sergeant” zou hebben verworven; dat immers verzoeker geen stuk overlegt waaruit blijkt dat, anders dan in voormeld verslag wordt gesteld, hij door de gemeenteraad wel degelijk, tijdelijk, “in de functie” van sergeant of van eerste sergeant is aangesteld; dat verzoeker overigens evenmin betwist dat hij nooit een dergelijke aanstelling heeft verkregen; dat, als zodanig, ook de stukken die verzoeker bijbrengt niet aannemelijk maken dat hij toch ervaring heeft, niet slechts “in de betrokken materie”, maar tevens “in de functie” van sergeant of van eerste sergeant; dat niet wordt uitgelegd hoe uit de stukken 5, a tot s, zou blijken dat verzoeker de functie XII-1561-4/6 van sergeant heeft uitgeoefend; dat het evenmin spontaan blijkt; dat uit de stukken 6, a tot pp, dan weer ten hoogste kan worden afgeleid dat verzoeker, als korporaal, stukken heeft ondertekend, wijl de tekst ervan voorziet in een ondertekening door de eerste sergeant; dat in de gegeven omstandigheden niet wordt bijgevallen dat de verwerende partij zich op onjuiste gegevens heeft gesteund en onzorgvuldig is geweest door voor verzoeker geen ervaring te hebben aangenomen “in de functie van sergeant”; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1561-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1561-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.