id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.362 Rolnummer: A. 156156/X-12072 Zaak: Arrest 145362 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 16:54 Fiche Arrest nr 145.362 van 2 juni 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.362 van 2 juni 2005 in de zaak A. 156.156/X-12.072. In zake : 1. Patrick HEINDERSON, 2. An MAES, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : de stad BRUGGE. tussenkomende partij : de n.v. TER BRUGHE, gevestigd te 8000 BRUGGE, Oost Gistelhof 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick HEINDERSON en An MAES op 1 oktober 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 23 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij aan de n.v. Ter Brugghe - Strandhotel de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een appartementsgebouw en hotel met restaurant, na afbraak van de bestaande gebouwen, op een perceel te Brugge, Zeedijk 14, kadastraal bekend 13R625M12; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2005; X-12.072-1/11 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. VAN WEZEMAEL, die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat S. MICHOLT, die loco Advocaat R. MICHOLT verschijnt voor de verwerende partij en voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. TER BRUGHE met een verzoekschrift van 14 oktober 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de n.v. Ter Brugghe - Strandhotel op 21 maart 2003 een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een appartementsgebouw en hotel met restaurant, na afbraak van de bestaande gebouwen, op een perceel te Brugge, Zeedijk 14, kadastraal bekend 13R625M12; dat het perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, is gelegen in woongebied; dat het tevens is gelegen binnen het bestemmingsgebied van het bijzonder plan van aanleg nr. 28 "Woonwijk", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 10 januari 2000; dat een openbaar onderzoek werd georganiseerd van 20 augustus 2003 tot 18 september 2003 naar aanleiding waarvan drie bezwaarschriften werden ingediend, onder meer door de verzoekende partijen; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge op 17 oktober 2003 de bezwaren ontvankelijk en deels gegrond heeft verklaard; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge op 23 december 2003 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat dit de bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partijen, anticiperend op de exceptie ratione temporis van de tussenkomende partij, in hun verzoekschrift betogen dat de vergunning die werd verleend op 23 december 2003 hen niet werd betekend, dat zij enkel bij brief van 28 oktober 2003 van de burgemeester van de stad Brugge op de hoogte werden gebracht van de behandeling van hun bezwaarschrift door het X-12.072-2/11 college van burgemeester en schepenen; dat zij door de brief van 3 augustus 2004 van hun syndicus, de aanvang van de werken op 8 september 2004 aankondigend, indirect op de hoogte werden gesteld van het bestaan van de stedenbouwkundige vergunning; dat hun raadsman op 21 september 2004 inzage heeft genomen van het aanvraagdossier en op 29 september 2004 per fax een kopie van de vergunning werd bezorgd; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst met betrekking tot de tijdigheid van de vordering uiteenzet wat volgt : "Verzoekster in tussenkomst heeft deze vergunning permanent uitgeplakt aan de af te breken gebouwen zowel op de Zeedijk te Zeebrugge als in de Harwichstraat, ten einde deze aan derden bekend te maken. Een werkmaatschappij van verzoekster in tussenkomst, de BVBA STANDHAAN, heeft de aanplakking herhaaldelijk laten vaststellen door gerechtsdeurwaarder Paul DE SMEDT uit Brugge op 10 maart 2004, op 22 april 2004 en op 25 mei 2004 (...). Het is duidelijk dat de verzoekers tot schorsing door deze aanplakking op de hoogte moeten zijn geweest van de afgeleverde bouwvergunning. Hun appartement bevindt zich in de Residentie Verriest die paalt aan het Strandhotel. Zij gebruiken dit appartement als tweede verblijf en zijn zeker geregeld in Zeebrugge geweest in de maanden van de publicatie. 3. Op 20 april 2004 schrijft de B.V.B.A. EL FASSI (de syndic van de vereniging van mede-eigenaars van de Residentie Verriest) aan advocaat KEIRSMAEKERS : 'De coordinator van het bouwproject Zeedijk 14 (Strandhotel - promotor Dhr. HAENTJES) meldt ons dat hun bouwvergunning (ondanks de verschillende bezwaarschriften?) zou zijn afgeleverd' (...). In antwoord op deze brief schrijft advocaat KEIRSMAEKERS aan de B.V.B.A. EL FASSI op 18 mei 2004 : 'Navraag bij de bevoegde dienst heeft mij geleerd dat een bouwvergunning werd afgeleverd op 23 december 2003. ... Voor de goede orde werd kopie van huidig schrijven eveneens overgemaakt aan de N.V. MAES' (...). De N.V. MAES, Kapelstraat 100 te 9100 Sint-Niklaas is het bedrijf van de vader van tweede verzoekster tot schorsing van de bouwvergunning (nl. Mevrouw An MAES) en waar tweede verzoekster tot schorsing werkt als zelfstandige. Verzoekster in tussenkomst heeft de kwestieuze brieven (...) gekregen van één andere mede-eigenaar in de Residentie Verriest, die deze zelf van de syndicus, zoals alle andere mede-eigenaars, in kopie heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal van de bijzonder algemene vergadering der mede-eigenaars van de Residentie Verriest, gehouden op 16 september 2004 blijkt dat de inhoud van deze brief van advocaat KEIRSMAEKERS werd besproken. In het vermelde proces verbaal wordt daaromtrent geakteerd : 'De aanvang van de termijn van 60 dagen blijkt voor interpretatie vatbaar. In het schrijven van Meester KEIRSMAEKERS van 18 mei 2004, wordt vermeld dat deze termijn in concreto pas loopt vanaf de aanvang van de werken.' (...) X-12.072-3/11 In dit proces-verbaal wordt verder de aanwezigheid van de huidige verzoekers tot schorsing genoteerd op de algemene vergadering (...). Dezelfde advocaat KEIRSMAEKERS blijkt voorheen namens de verzoekers tot schorsing, als eigenaars in de RESIDENTIE VERRIEST, bezwaar te hebben ingediend bij de gedaagde, de Stad Brugge, in het kader van een openbaar onderzoek over de gevraagde vergunning. De tussenkomst van deze advocaat staat uitdrukkelijk vermeld in de nota van de collegebeslissing van 17 oktober 2003 (...). Ook uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de verzoekers in schorsing reeds vóór 18 mei 2003 op de hoogte waren van de afgeleverde bouwvergunning meer bepaald door de voormelde brief van advocaat KEIRSMAEKERS van 18 mei 2004 (...). Verzoekster in tussenkomst voegt verder bij haar stukken ook de copie van het proces-verbaal van de algemene vergadering van de mede-eigenaars van de Residentie Verriest op 26 augustus 2004 (...). Ook op deze vergadering werd de aanwezigheid van de verzoekers tot schorsing genoteerd. IN RECHTE: LAATTIJDIGHEID. Uit de voormelde gegevens kan niet anders dan worden besloten dat de verzoekers tot schorsing kennis hebben van de bouwvergunning ingevolge o.m. de brief van advocaat KEIRSMAEKERS, dd. 18 mei 2004 (...) en de permanente aanplakking aan de gebouwen, zoals vastgesteld door de gerechtsdeurwaarder. Ook andere hiervoor besproken gegevens wijzen op het feit dat de verzoekers tot schorsing vroeger kennis (moeten) hebben gehad. In elk geval konden de verzoekers tot schorsing van de bouwvergunning kennis nemen lang voor de termijn van 60 dagen te rekenen voor het verzoekschrift op 4 oktober 2004 werd neergelegd. Hun eventuele inertie kan niet worden aanvaard. Zij waren nabij in de zaak betrokken wat o.m. blijkt uit de opmerkingen die zij hebben laten formuleren in het kader van het openbaar onderzoek. In de situatie van de verzoekers tot schorsing was het niet verantwoord te wachten tot de afbraakwerken bij hun gebuur werden aangevat. De termijn van 60 dagen voor het indienen van een vernietigings- en schorsingsverzoek is ruimschoots overschreden bij het indienen van het verzoekschrift bij de Raad op 4 oktober 2004."; Overwegende dat artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring - en dus ook de vorderingen tot schorsing - verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend, en dat, indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, de termijn ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad; Overwegende dat de door artikel 52, § 4, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 - dat gelet op het bepaalde in artikel 193, § 2, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening op de bestreden vergunning van toepassing lijkt te zijn - opgelegde aanplakking van een "mededeling die te kennen X-12.072-4/11 geeft dat de vergunning afgegeven is", niet de "bekendmaking" betreft van de vergunning, zoals bedoeld bij bovengenoemd artikel 4 van het besluit van de Regent welke de verjaringstermijn van zestig dagen voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring - en dus ook van een vordering tot schorsing - doet ingaan; dat stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of geacht moeten worden er kennis van te hebben; Overwegende dat het zaak is van de partij die als exceptie opwerpt dat verzoeker kennis had van de bestreden beslissing, het bewijs daarvan te leveren of op zijn minst daarvan bewijsmateriaal over te leggen; dat de door artikel 52, § 4, van het stedenbouwdecreet opgelegde aanplakking op het terrein van een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is afgegeven, niet meer lijkt te zijn dan een feitelijk element bij de beoordeling van de vraag wanneer de verzoekende partijen kennis hebben gekregen van de afgifte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat de tussenkomende partij niet verder komt dan het bewijs dat de vergunning was aangeplakt op 10 maart 2004, 22 april 2004 en 25 mei 2004 op het moment van de vaststelling gedaan door gerechtsdeurwaarder P. DE SMEDT, zoals vermeld in zijn proces-verbaal van vaststelling van 1 juni 2004; dat de brief van 18 mei 2004 van Advocaat C. KEIRSMAEKERS, waarin het bestaan van de bestreden vergunning wordt vermeld, aan de syndicus van de verzoekende partijen was gericht, en niet aan de verzoekende partijen zelf; dat een kopie van dezelfde brief aan de werkgever van de tweede verzoekende partij, eigendom van haar vader, werd verstuurd, en niet aan haar zelf; dat de verwijzing naar het verslag van 26 augustus 2004 van de bijzondere algemene vergadering der mede-eigenaars van de residentie VERRIEST niet ter zake dienend is, nu de verzoekende partijen erkennen reeds met een brief van 3 augustus 2004 op de hoogte te zijn gebracht van het feitelijke bestaan van de stedenbouwkundige vergunning; dat uit hetgeen voorafgaat op het eerste gezicht blijkt dat niet vaststaat dat de verzoekende partijen sedert meer dan zestig dagen vóór het instellen van het beroep tot schorsing en tot nietigverklaring kennis hadden of redelijkerwijze hadden kunnen hebben van de bestreden beslissing; dat in deze stand van het geding de exceptie niet kan worden aangenomen; X-12.072-5/11 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen in een eerste middel onder meer de schending aanvoeren van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en machtsoverschrijding doordat de stad Brugge de bestreden stedenbouwkundige vergunning heeft verleend op grond van een "tegenstrijdige en nietszeggende motivering" nu zij enerzijds "de bezwaren deels gegrond verklaar(t)", doch anderzijds zonder verdere precisering stelt dat "het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg"; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij hierop in essentie repliceren dat de administratie van de stad Brugge ten onrechte van oordeel was dat de plannen afwijken van de BPA-voorschriften inzake bouwdiepte, dat de gemachtigde ambtenaar heeft geoordeeld dat de plannen conform de BPA- voorschriften waren ingediend, dat een vraag tot afwijking van het BPA niet aan de orde was, dat geen openbaar onderzoek diende te worden gevoerd, dat geen bezwaren tegen de vergunning kunnen worden aangevoerd en dat de bezwaren van de verzoekende partijen in elk geval ongegrond zijn; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat hieruit volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; X-12.072-6/11 Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge op 17 oktober 2003 heeft besloten de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften ontvankelijk en deels gegrond te verklaren daar het een afwijking van het bijzonder plan van aanleg nr. 28 "Strandwijk" vaststelt; dat de bestreden beslissing de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend op grond van volgende motieven : "De aanvraag heeft betrekking op een terrein met als adres Zeedijk 14, 8380 Brugge en met als kadastrale omschrijving 13R625M12 Het betreft een aanvraag tot het bouwen van een appartementsgebouw en hotel met restaurant, na afbraak van de bestaande gebouwen. Het College van Burgemeester en Schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de uitvoeringsbesluiten. Het College van Burgemeester en Schepenen heeft over deze aanvraag geen advies ingewonnen van de Gemachtigde Ambtenaar, omwille van de volgende reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.