id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.428 Rolnummer: A. 68130/X-10683 Zaak: Arrest 145428 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 17:01 Fiche Arrest nr 145.428 van 6 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 145.428 van 6 juni 2005 in de zaak A. 68.130/X-10.
- In zake : Ivo KEMPEN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R,, Gezien het verzoekschrift dat Ivo KEMPEN op 18 maart 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 december 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 15 juni 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een bedrijfswoning en carport aan de Ilsestraat te Westerlo, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 255h (deel); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 3 december 2001 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.683-1/9 Gelet op de beschikking van 30 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 28 januari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat I. VAN GIEL die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 oktober 1993 een bouwaanvraag heeft ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo voor het bouwen van een woning met carport aan de Ilsestraat te Westerlo (Oosterwijk), op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 255 h (deel); dat dit perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgesteld gewestplan Herentals-Mol is gelegen in agrarisch gebied; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo bij besluit van 22 november 1993 een voorwaardelijk gunstig preadvies over de aanvraag heeft verleend; dat de Dienst Ordening, Platteland van het bestuur Landinrichting en -beheer van AMINAL op 21 december 1993 een ongunstig advies heeft uitgebracht; dat de gemachtigde ambtenaar dit ongunstig advies op 17 maart 1994 heeft gevolgd; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 29 maart 1994 de bouwvergunning heeft geweigerd; dat de verzoekende partij op 14 mei 1994 beroep heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoekende partij bij besluit van 15 juni 1995 heeft verworpen; dat de verzoekende partij op 1 augustus 1995 beroep heeft ingesteld tegen dit besluit bij de bevoegde Vlaamse minister; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 21 december 1995 het beroep heeft verworpen en de gevraagde vergunning opnieuw heeft geweigerd; dat dit besluit als volgt is gemotiveerd : X-10.683-2/9 "Overwegende dat het project inhoudt dat bij een reeds bestaand landbouwbedrijf een nieuwe bedrijfswoning wordt opgericht; dat de nieuwe woning zou opgericht worden op 15 m uit de as van de voorliggende weg met een oppervlakte van 16,52 m bij 12,70 m bouwdiepte op 10 m afstand van de nieuwe linker zijdelingse perceelsgrens; dat het geheel afgedekt wordt met een zadeldakconstructie met een wisselende kroonlijsthoogte van 2,20 m tot 4,40 m bij een nokhoogte van 8,70 m; dat achteraan deze woning en op 3,50 m van de zijdelingse perceelsgrens een carport wordt voorzien van 3,50 m bij 7 m bouwdiepte; dat op het kwestieus perceel zich een kalverstal bevindt met een capaciteit van 600 kalveren; dat het terrein paalt aan de ca. 3 m brede met asfalt verharde buurtweg nr. 8, enkel uitgerust met electriciteit en waterleiding; Overwegende dat het bouwterrein volgens het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, gelegen is in het agrarisch gebied; dat luidens artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing der ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen deze gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin en waarin behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor de landbouw noodzakelijke accommodaties kunnen worden opgericht; Overwegende dat het betrokken terrein vroeger één geheel uitmaakte met de links gelegen bedrijfswoning en paardenstal; dat deze paardenstal door het college van burgemeester en schepenen werd vergund op 31 oktober 1977 en naderhand de woning op 21 augustus 1978; dat op 29 maart 1982 een vergunning werd verleend voor het oprichten van een kalverenstal, als uitbreiding van het bestaand landbouwbedrijf; dat voornoemde bedrijfsgebouwen werden uitgebaat door de vader van appellant; dat op 16 juli 1992 bij verkoopakte de kalverenstal samen met een grondoppervlakte van 1 ha 89 a 94 ca werd aangekocht van de vader van appellant; dat aanvrager bij besluit van de bestendige deputatie dd. 10 november 1992 de uitbatingsvergunning heeft bekomen voor het in bedrijf houden en uitbreiden van de bestaande kalvermesterij; dat door appellant erop gewezen wordt dat ingevolge deze verkoopsakte het gevormd bedrijf als een nieuwe bedrijfsvestiging dient beschouwd te worden, waar eveneens een nieuwe bedrijfswoning bijhoort; Overwegende dat, zolang de ordening van het gebied nog niet nauwkeurig is vastgelegd door middel van een bijzonder plan van aanleg, de aanleg, in toepassing van artikel 45 van de gewijzigde stedebouwwet, aan de appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, in casu de bij toepassing van artikel 55, § 2 van de stedebouwwet in naam van de Vlaamse regering in hoger beroep uitspraak doende Vlaamse minister, wordt overgelaten, mits inachtname van onder meer de gewestplannen en bovenvermeld koninklijk besluit van 28 december 1972; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 28 augustus 1995 haar eerder voorwaardelijk gunstig pré-advies van 2 november 1993 bevestigt; dat dit gunstig advies wordt verleend onder voorbehoud van het gunstig advies van de Dienst Ordening Platteland en dat de kalverstal nog als volwaardig kan beschouwd worden, na splitsing van de naastgelegen woning, zodat twee volwaardige bedrijven ontstaan; Overwegende dat door het Bestuur Landinrichting en -beheer, Dienst Ordening Platteland op 21 december 1993 volgend ongunstig advies werd uitgebracht : ' ... Het betreft de bouw van een tweede woning bij een bestaand kalverenbedrijf dat slechts door 1 bedrijfsleider wordt uitgebaat en dat onvoldoende groot is om 2 volwaardige inkomens te verzekeren. De aanvrager woont momenteel in de oorspronkelijke bedrijfswoning, op perceel 255 e, die mede bewoond wordt door zijn gepensioneerde ouders.'; Overwegende dat bij een nieuwe adviesaanvraag door de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land volgend advies dd. 21 november 1995 werd uitgebracht : X-10.683-3/9 'In antwoord op de bovenvermelde nota wordt een ongunstig advies verstrekt voor de oprichting van de voorgestelde constructies in het agrarisch gebied. Het betreft de oprichting van een tweede bedrijfswoning bij een bestaand mestkalverbedrijf in agrarisch gebied. De bedrijfswoning van het bedrijf is gelegen op het naastliggend perceel 255 e. De bestaande bedrijfszetel met paardenhouderij en een mestkalverstal is onvoldoende groot om te splitsen in twee volwaardige bedrijven. Er is trouwens maar één bedrijfsleider vermits zijn vader, de vroegere bedrijfsleider gepensioneerd is. Bij de overname van een agrarische of para-agrarische bedrijfszetel dient de bestaande bedrijfswoning samen met de bedrijfsgebouwen overgenomen te worden. De oprichting van een nieuwe bedrijfswoning leidt immers tot de desaffectatie/residentialisering van de bestaande bedrijfswoning, hetgeen uit het oogpunt van een goede landinrichting en uit hoofde van de bescherming van de externe landbouwstructuren niet kan aanvaard worden. De argumenten van de aanvrager zijn niet ter zake. De bestaande bedrijfswoning werd destijds vergund als bedrijfswoning bij een para-agrarisch bedrijf. De mestkalverstal werd vergund als een uitbreiding van dit bedrijf. De bestaande bedrijfswoning dient derhalve haar agrarische bestemming, zijnde de bedrijfswoning van de bestaande inplanting inclusief van de mestkalverstal, te behouden.'; Overwegende dat een blijvende tweede woning slechts kan aanvaard worden als beide woningen bestemd zijn voor bedrijfsuitbaters die full-time tewerkgesteld zijn op het bedrijf, als het bedrijf voldoende omvangrijk is om rendabele tewerkstelling van minstens twee arbeidskrachten te verzekeren en als de tweede woning duidelijk behoort bij het gebouwencomplex zodat geen afgescheiden residentiële woongelegenheid zou ontstaan; dat, zoals is vermeld in het landbouwkundig advies, in voorliggend geval het bedrijf echter te klein is om bij opsplitsing twee volwaardige bedrijven te leveren, zodat alleen al om deze reden een tweede woning niet kan toegestaan worden; dat bijgevolg het ontwerp strijdig is met voormeld artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat om voornoemde redenen dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedebouwkundig niet kan worden aanvaard; dat het beroep van de particulier wordt verworpen"; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 1 (lees 11) en 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, hierna de stedenbouwwet genoemd; dat de verzoekende partij stelt dat de stedenbouwwet geen wet is tot organisatie van of toezicht op de landbouw als economische activiteit, dat de beslissing moet stoelen op redenen die verband houden met de plaatselijke aanleg, zodat dat de verwerende partij zich niet mag steunen op economische gegevens die verband houden met de activiteit van het landbouwbedrijf waarbij de woning van de exploitant zal worden opgericht en dat de rechter niet is gebonden door het standpunt dat door het bestuur werd ingenomen in een circulaire over de draagwijdte van reglementaire bepalingen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert wat volgt : X-10.683-4/9 "Verzoekende partij beweert dat, doordat de bestreden beslissing zich gebaseerd heeft op economische gegevens om de aanvraag te weigeren, de in het middel aangehaalde wetsbepalingen werden geschonden. Verzoekende partij verkondigt hier een halve en ongenuanceerde waarheid. De weigering van de vergunning stoelt, zoals ook in de weerlegging van het eerste middel werd gesteld, op de vaststelling dat, nu er i.c. slechts sprake kan zijn van één volwaardig landbouwbedrijf, dit impliceert dat slechts één woning voor de exploitanten kan vergund worden. Er zijn dus weliswaar economische aspecten aan bod gekomen bij de beoordeling van de bouwaanvraag, maar dit was volkomen terecht : ook uit de toelichting blijkt immers dat een permanente tweede woning slechts aanvaard kan worden indien deze aansluit op een volwaardig tweede landbouwbedrijf. De vergunningverlenende overheid had dan ook de plicht om na te gaan in welke mate sprake was van een mogelijke tweede volwaardige landbouwinrichting. In de toelichting onder punt b.3 wordt vermeld dat een tweede blijvende woning slechts vergund kan worden indien o.a. beide woningen bestemd zijn voor bedrijfsuitbaters die fulltime tewerkgesteld zijn op het bedrijf. De vergunningverlenende overheid diende ook na te gaan of deze voorwaarde vervuld is. Ook hier betreft het een sociaal-economisch gegeven dat een weerslag heeft op de uiteindelijke juridische beslissing. Het zou echter onaanvaardbaar zijn om te oordelen dat juridische beslissingen die gedeeltelijk gebaseerd zijn op de sociaal-economische realiteit, om die reden aangetast zouden zijn door onwettigheid. Het recht, en vooral dan de stede(n)bouwwet in het bijzonder, zijn immers dynamische disciplines die zich niet mogen afschermen of distantiëren van de maatschappelijke evoluties, maar die daarentegen de sociaal-economische realiteit op de voet dienen te volgen, zo mogelijk zelfs anticiperen op maatschappelijke ontwikkelingen, teneinde verstarring tegen te gaan. Alleen door open te staan voor de werkelijkheid kan het recht de maatschappelijke verhoudingen op een efficiënte manier ordenen. Indien zij zich afschermt van de realiteit verwordt het recht immers tot een levenloze materie. Bovendien zijn deze economische gegevens waarnaar verzoekende partij verwijst de correcte feitelijke gegevens die aan de grondslag van de vergunningsaanvraag liggen. Aangezien alleen een juiste feitelijke achtergrond kan leiden tot een correcte juridische besluitvorming, had de vergunningverlenende overheid ook vanuit (deze) optiek de verplichting om rekening te houden met de sociaal-economische premisses van onderhavige kwestie. Nu de vergunningverlenende overheid, zoals het een zorgvuldige overheid betaamt, terecht rekening gehouden heeft met sociaal-economische gegevens, gaat het dan ook niet op te stellen dat (het) bestreden besluit zich niet rechtsgeldig op economische gegevens kan steunen om de vergunning te weigeren. Ook wat betreft de bewering dat de rechter niet gebonden zou zijn door het standpunt dat door het bestuur werd ingenomen in een circulaire over de draagwijdte van reglementaire bepalingen slaat verzoeker de bal mis. De toelichting verspreidt door het bestuur voor ruimtelijke ordening dient immers beschouwd te worden als een verordenende omzendbrief, aangezien de inhoud ervan werd vastgesteld bij K.B. dd. 13 december 1978 (B.S., 13 januari 1979). (...)"; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de verwerende partij ten onrechte verwijst naar het koninklijk besluit van 13 december 1978 tot wijziging, voor het Vlaamse gewest, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de X-10.683-5/9 toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, dat overigens niet in de bestreden beslissing werd vermeld; dat dit koninklijk besluit werd uitgevaardigd nadat reeds verscheidene gewestplannen, waaronder het in casu toepasselijke gewestplan Herentals-Mol, waren goedgekeurd en dit zonder toepassing van de procedure tot herziening van die plannen; dat ten aanzien van de reeds voordien goedgekeurde gewestplannen tot de niet-toepasselijkheid van het koninklijk besluit van 13 december 1978 moet worden besloten; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog het volgende uiteenzet : "(...)
- Verzoeker meent de schending te ontwaren van artikel 1 en 55 van de Stedenbouwwet van 1962 doordat het bestreden besluit zich heeft gesteund op economische gegevens die verband houden met de activiteit van het landbouwbedrijf waarbij de woning van de exploitant zal worden opgericht, terwijl de beslissing moet stoelen op redenen die verband houden met de plaatselijke aanleg en dus geen rekening mag houden met deze economische gegevens.
- Verwerende partij vraagt zich af op welke manier het bestreden besluit een inbreuk maakt op voornoemde artikelen door zich bij zijn beoordeling te steunen op economische gegevens. Artikel 1 van de Stedenbouwwet van 1962 stelt zeer duidelijk : 'De ruimtelijke ordening van het land, de streken, gewesten en gemeenten wordt vastgesteld in plannen. Die ordening wordt ontworpen zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel 's lands natuurschoon ongeschonden te bewaren.' Artikel 1 van de Wet van 1962 stelt duidelijk dat rekening moet gehouden worden met economische aspecten. Waar de verzoeker voorhoudt dat het bestreden besluit door rekening te houden met economische gegevens artikel 1 van de Stedenbouwwet van 1962 zou geschonden hebben, wordt dit reeds weerlegd door de eenvoudige citering van het artikel.
- Het economische aspect moet in casu des te grondiger worden onderzocht, nu dit in de huidige procedure onmisbaar is om een goede beoordeling te maken van de ruimtelijke ordening. Als men bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en de plaatselijke aanleg in een agrarisch gebied geen rekening zou houden niet economische aspecten, dan zou dit leiden tot een desaffectatie van vele bestaande landbouwbedrijven en een verregaande versnippering van het agrarisch gebied. Wanneer men de visie van verzoeker doortrekt, zou dit er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat een landbouwbedrijf zich zou splitsen in een aantal afdelingen, met telkens verschillende exploitanten, zonder dat mag nagegaan worden of deze afgesplitste bedrijven wel als volwaardig kunnen beschouwd worden. Deze visie X-10.683-6/9 is onaanvaardbaar en druist recht in tegen de principes van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Het bestreden besluit heeft zich dan ook terecht gesteund op een aantal economische aspecten, nu deze aspecten onmisbaar waren om tot een beoordeling te komen omtrent de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het voorgestelde project. De overheid had hier een verplichting om rekening te houden met deze socio-economische gegevens, nu deze gegevens aan de basis liggen van de vergunningsaanvraag. De overheid had de socio-economische gegevens nodig om te oordelen of de geplande bouwwerken wel verenigbaar waren met de bestemming van het gebied, en met de goede plaatselijke aanleg. Mede dankzij de socio-economische gegevens heeft de overheid in haar bestreden beslissing immers kunnen aantonen dat het geplande bouwwerk van verzoeker niet in overeenstemming zou zijn met de bestemming als agrarisch gebied, aangezien de mestkalverstal niet als volwaardig kon aanzien worden en een desaffectatie van het betrokken agrarisch gebied met zich zou meebrengen. Het is in deze voor verzoeker mogelijk om na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of de overheid deze gegevens correct heeft beoordeeld en of de overheid op basis van deze gegevens in redelijkheid tot de beslissing is kunnen komen. Nu socio-economische gegevens in de huidige procedure onontbeerlijk zijn om tot een redelijke besluitvorming te komen, schendt de bestreden beslissing de artikelen 1 en 55 van de Wet van 1962 niet. (...)"; Overwegende dat artikel 55, § 3, eerste lid, van de stedenbouwwet bepaalt dat de beslissingen van de bestendige deputatie en de Koning -thans de Vlaamse regering- met redenen worden omkleed; dat de door deze bepaling opgelegde motiveringsplicht inhoudt dat in het besluit waarbij op de vergunningsaanvraag wordt beschikt nauwkeurig en concreet de met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moeten worden aangegeven waarop het besluit is gesteund; dat aldus enkel met de in het bestreden besluit opgegeven redengeving rekening kan worden gehouden; Overwegende dat luidens artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen de agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin en, behoudens bijzondere bepalingen -opgenomen in de bij het gewestplan horende stedenbouwkundige voorschriften- enkel mogen bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat het begrip "leefbaar bedrijf" gebonden is aan de uitvoering en de toepassing van de stedenbouwwet; dat die wet niet gericht is op de organisatie van, of het toezicht op de landbouw als economische bedrijvigheid, doch op de ordening van het grondgebied en de indeling ervan in gebieden die elk bestemd en dus voorbehouden zijn voor een bepaalde soort X-10.683-7/9 van activiteiten zoals bewoning, nijverheid, landbouw, enz.; dat het begrip derhalve niet kan worden uitgelegd in de zin van "economisch leefbaar bedrijf"; dat voor de toepassing van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 de overheid die op een bouwaanvraag op grond van deze bepaling beschikt, enkel dient na te gaan of het uit stedenbouwkundig oogpunt wel om een werkelijk landbouwbedrijf gaat, m.a.w. of in redelijkheid kan worden aangenomen dat de betrokken bouwwerken wel degelijk een landbouwbestemming hebben; Overwegende dat het bestreden besluit de vergunning in essentie weigert omdat voordien reeds een bedrijfswoning werd vergund bij een bestaand landbouwbedrijf en bij opsplitsing van dat landbouwbedrijf slechts een tweede woning van de exploitant kan worden vergund als beide woningen bestemd zijn voor bedrijfsuitbaters die full-time tewerkgesteld zijn op het bedrijf, als het bedrijf voldoende omvangrijk is om minstens voor beiden een rendabele tewerkstelling te verzekeren en als de tweede woning duidelijk behoort bij het gebouwencomplex zodat geen afgescheiden residentiële woongelegenheid zou ontstaan; dat uit de in het bestreden besluit zelf vermelde feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker bij akte, verleden op 16 juli 1992, de kalverenstal samen met een grondoppervlakte van 1 ha 89 a 94 ca heeft aangekocht van zijn vader, en dat hij op 10 november 1992 de uitbatingsvergunning heeft verkregen voor het in bedrijf houden en uitbreiden van de bestaande kalvermesterij; Overwegende dat in de motivering van het bestreden besluit niet wordt gesteld dat de bestaande mestkalverstal geen agrarisch bedrijf zou zijn, noch dat de ontworpen woning niet als een "woning van de exploitanten" zou kunnen worden aangezien, wel dat het bedrijf "te klein is om bij opsplitsing twee volwaardige bedrijven te leveren, zodat alleen al om deze reden een tweede woning niet kan toegestaan worden"; dat het weigeringsmotief uitgaat van een niet wetsconforme interpretatie van het begrip "leefbaar bedrijf" in de zin van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat het middel gegrond is, X-10.683-8/9 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 21 december 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep ingesteld door Ivo Kempen tegen de beslissing van 15 juni 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een bedrijfswoning en carport te Westerlo, Ilsestraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 255h (deel); Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.683-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.