← België

Arrest 145431 - - 06/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.431 Rolnummer: A. 74218/X-7368 Zaak: Arrest 145431 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 17:02 Fiche Arrest nr 145.431 van 6 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.431 van 6 juni 2005 in de zaak A. 74.218/X-7368 In zake : Marc VAN MOORLEGHEM, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE-SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 BRUGGE-ASSEBROEK, Bossuytlaan

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN MOORLEGHEM op 2 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 maart 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 6 juni 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de bouwvergunning werd verleend voor het oprichten van een mestkippenstal en een loods en voor het uitbreiden van een bestaande loods van een landbouwbedrijf gelegen te Zwevegem (Sint-Denijs), Hoogstraat 11, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 442a en 443, anderdeels, de vernietiging van die vergunning; Gelet op het arrest nr. 71.277 van 28 januari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de kosten worden voorbehouden; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 6 maart 1998 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-7368-1/9 Gezien het verslag opgemaakt do o r E er st e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 13 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P.-J. BOSSUYT die, loco Advocaat J. BOSSUYT verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker eigenaar is van een landbouwbedrijf bestaande uit een woning, een rundveestal voor 80 runderen, 20 zeugen en 180 biggen, twee bergingen en een loods, gelegen te Zwevegem (Sint-Denijs), Hoogstraat 11, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 442a en 443; dat voormeld perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 november 1977 vastgesteld gewestplan Kortrijk is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het niet is gelegen binnen een door de Koning - thans de Vlaamse regering - goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat verzoeker op 13 november 1995 een bouwaanvraag heeft ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem strekkende tot de oprichting van een mestkippenstal van 65 m bij 18,18 m en van een loods en de uitbreiding van een loods op een bestaand landbouwbedrijf; dat de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies heeft uitgebracht; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit X-7368-2/9 van 13 maart 1996 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft geweigerd; dat verzoeker op 11 april 1996 beroep heeft ingesteld tegen voormeld weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit van 6 juni 1996 het beroep van verzoeker heeft ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 15 juli 1996 beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening tegen het inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 5 maart 1997 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd en de verleende stedenbouwkundige vergunning heeft vernietigd; Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 11,4.1., en 15,4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, alsmede het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel doordat het bestreden besluit aan de hand alleen van de in het dossier berustende documenten en vastgestelde feiten in redelijkheid niet kon aannemen dat zijn gemengd landbouwbedrijf (akkerbouw en veeteelt) door het ingebruiknemen van een pluimveestal met een capaciteit van 19.800 dieren een niet meer aan de grond gebonden agrarisch bedrijf van industriële aard zou worden, zodat de 300 meter afstandsregel van toepassing is; dat verzoeker in de hoofding van het eerste middel naast de schending van artikel 11,4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ook de schending aanvoert van artikel 15,4.6.1., van hetzelfde besluit, maar dat hij in de toelichting van het middel in gebreke blijft uiteen te zetten op welke wijze het bestreden besluit laatstgenoemde bepaling heeft geschonden; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, nu hij de toepassing betwist van de in het artikel 11,4.1., van het voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972 gestelde afstandsregel terwijl het in landschappelijk waardevol agrarisch gebied te realiseren project cumulatief moet voldoen aan de bij artikel 11, 4.1., en artikel 15, 4.6.1., gestelde voorwaarden, dat uit artikel 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 volgt dat in landschappelijk waardevolle gebieden slechts die gebouwen mogen opgericht worden die in overeenstemming zijn met de bestemming, doch in de mate en voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen, en X-7368-3/9 dat de minister zijn beoordeling ook heeft gezien vanuit de "esthetische" gezichtshoek, en heeft gesteld dat het project, zelfs bij inkadering en omringing door een groenscherm, de schoonheidswaarde van het open homogene landschap onnodig in het gedrang zou brengen en schaden, en dat het maar al te duidelijk is dat de overheid ook rekening dient te houden met het uiterlijk aspect van de ontworpen gebouwen, en meer bepaald met hun grootschaligheid, zelfs wanneer deze omgeven zijn door een groenscherm; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord onder meer dupliceert dat de verwerende partij ten onrechte inroept dat hij geen belang bij het middel heeft omdat het bestreden besluit reeds een afdoende rechtsgrond zou vinden in artikel 15, 4.6.
  2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972, dat de beschouwingen die het bestreden besluit daaraan wijdt essentieel verbonden zijn met de onterechte vaststelling dat zijn bedrijf een industrieel karakter zou hebben; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie ter zake niets toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie evenmin iets toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel; dat het bestreden besluit twee weigeringsmotieven bevat; dat een eerste motief is gesteund op artikel 11,4.1., tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, en het tweede op artikel 15, 4.6.1., van voormeld koninklijk besluit; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de bouwpercelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het koninklijk besluit van 14 november 1977 vastgesteld gewestplan Kortrijk zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : X-7368-4/9 "Art.
  3. 4.
  4. Voor de landelijk gebieden kunnen volgende nadere aanwijzingen worden gegeven: 4.6.
  5. De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen."; dat artikel 11, 4.1., van hetzelfde besluit, bepaalt wat volgt : "Art.
  6. 4.
  7. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. (...) Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. (...)"; Overwegende dat, wat de toetsing van de aanvraag aan voormelde bepaling van artikel 15, 4.6.1., betreft, het bestreden besluit overweegt wat volgt : "Overwegende dat de aanvraag de oprichting beoogt van een braadkippenstal van 65 m bij 18.18 m, een loods en de uitbreiding van een loods op een bestaand landbouwbedrijf; dat de landbouwbedrijfsgebouwen zich heden beperken tot een woning, rundveestal voor 80 runderen en 20 zeugen en 180 biggen, twee bergingen en een loods van 15 m bij 20 m ; dat deze loods wordt uitgebreid tot 23 m bij 35 m grondoppervlakte; dat op 6 m rechts en parallel met deze loods een nieuwe loods van 16 m bij 50 m, afgedekt met een tentdak wordt voorzien; dat op 15 m achter de uit te breiden loods de pluimveestal zou komen; dat rond de twee loodsen en de pluimveestal een groenscherm wordt voorzien van circa 2,50 m breedte; dat de grond paalt aan de Hoogstraat; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dit gebied, overeenkomstig de noodzakelijke samenlezing der artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; (...); dat door het industriële karakter, zelfs indien rekening wordt gehouden met het feit dat de gevraagde uitbreiding omringd wordt door een groenscherm, de schoonheidswaarde van het open homogene landschap onnodig in het gedrang komt; dat het ontwerp aldus strijdt met de bindende voorschriften van het gewestplan; dat door het ontwerp de goede plaatselijke ordening in gedrang wordt gebracht; (...)"; X-7368-5/9 Overwegende dat uit voormelde overwegingen blijkt dat het bestreden besluit, naast een weigeringsmotief dat is gegrond op de strijdigheid van de aanvraag met de bepalingen van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972, ook een weigeringsmotief bevat dat is gegrond op de strijdigheid van de aanvraag met de bepalingen van artikel 15, 4.6.1., van hetzelfde besluit; dat verzoeker er zich in het verzoekschrift tot nietigverklaring toe heeft beperkt naast de schending van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december1972 ook de schending van artikel 15, 4.6.1., van hetzelfde besluit aan te voeren, zonder evenwel concreet aan te geven waarin de schending van laatsgenoemd artikel dan wel zou zijn gelegen; dat luidens artikel 2, §1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift o.m. een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten; dat onder "middel" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; dat het middel wat de schending van artikel 15, 4.6.1., betreft, derhalve niet als een middel in de zin van artikel 2, §1, 2/, van voormeld besluit van de Regent van 23 augustus 1948, kan worden aanzien; dat verzoeker de redenen van de onwettigheid van dit weigeringsmotief voor het eerst aanvoert in zijn memorie van wederantwoord; dat hij aldus, ook al is dit een repliek op een door de verwerende partij opgeworpen exceptie, in wezen een nieuw middel aanvoert; dat uit niets blijkt dat verzoeker de alsdan door hem aangevoerde redenen van de onwettigheid van dit weigeringsmotief niet reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring had kunnen inroepen; dat het middel evenmin de openbare orde raakt; Overwegende dat het weigeringsmotief dat is gegrond op de strijdigheid van de aanvraag met de bepalingen van artikel 15,4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 volstaat om het bestreden besluit wettig te verantwoorden; dat verzoeker geen belang heeft bij het middel dat aldus is gericht tegen een overtollig motief; dat het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat het bestreden besluit, al is het genomen door een ander lid van de Vlaamse regering, met betrekking tot de vraag of het al dan niet om de uitbreiding van een bestaand landbouwbedrijf gaat, in tegenspraak is met wat op 27 augustus 1996 werd beslist door de Vlaamse minister van Leefmilieu en X-7368-6/9 Tewerkstelling, terwijl nochtans zulk tegenstrijdig wijzen elke rechtszekerheid in het rechtsverkeer uitsluit en slechts het gevolg kan zijn van een onzorgvuldige samenstelling van het dossier en van een onzorgvuldig gecoördineerd onderling overleg, dat spijts de koppeling voorzien door artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, en het feit dat de milieuvergunning en de bouwvergunning tot een van mekaar te onderscheiden vergunningsstelsel behoren, artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gelijkelijk geldt voor alle vergunningverlenende overheden, dat daaruit volgt dat er slechts één juiste toepassing kan zijn van artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972, dat het een eis is van rechtszekerheid dat de overheid, die het laatst over een van beide vergunningen beslist, zich wat de toepassing van de zich aan beide overheden opdringende rechtsregels betreft, gedraagt naar hetgeen eerder door de andere overheid is beslist, dat separaat werken en beslissen ook niet bestaanbaar is met de zorgvuldigheidsplicht; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat door verzoeker een niet toelaatbare wetskritiek wordt gevoerd, dat het twee onderscheiden administratieve overheden betreft die elk van hun kant binnen de specifieke van toepassing zijnde wetgeving een vergunning afgeven, te weten bouwvergunning en milieuvergunning, dat dan ook het risico bestaat dat gewestplanvoorschriften op uiteenlopende wijze kunnen worden geïnterpreteerd en toegepast, dat de redenering van verzoeker een uitholling betekent van het in de huidige stand van de wetgeving geldende stelsel van de dubbele vergunning; Overwegende dat de verzoekende partij dupliceert dat zij geen loutere kritiek aanvoert tegen de wet als zodanig, dat zij de minister verwijt bij de uitvoering van de wet het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden en niet zorgvuldig te werk zijn gegaan, dat wetskritiek overigens ontvankelijk is wanneer deze gesteund is op de schending van een hiërarchisch hogere norm wat ongetwijfeld de hoedanigheid van het rechtszekerheidsbeginsel is, dat dit onbetwistbaar blijkt uit de rechtspraak van het Arbitragehof waarnaar zij verwijst, dat de regelgeving die het mogelijk maakt en toelaat dat éénzelfde wetsregel door twee verschillende besturen op verschillende wijzen worden toegepast, botst met het recht op rechtszekerheid, dat het recht op rechtszekerheid niet alleen een constitutionele waarde heeft maar bovendien ook een volkenrechtelijk erkend grondbeginsel is dat dezelfde waarde heeft als een verdragsrechtelijke norm; X-7368-7/9 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat uit het gegrond bevinden van het eerste middel volgt dat het tweede dat niet tot een ruimere annulatie kan leiden, niet meer hoeft te worden onderzocht, dat het gegrond bevinden logischerwijze moet volgen uit het gegrond bevinden van het eerste middel; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de aangevoerde schending van de betrokken beginselen van behoorlijk bestuur haar grondslag vindt in een verschillende interpretatie van de bepalingen van artikel 11,4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 door enerzijds de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en anderzijds de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening; dat, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel, het weigeringsmotief dat is gegrond op de strijdigheid van de aanvraag met de bepalingen van voormeld artikel, een overtollig motief betreft; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat verzoeker om deze reden geen belang heeft bij het middel; dat het middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-7368-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-7368-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.431 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.70.397 ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.