id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.433 Rolnummer: A. 116829/IX-3224 Zaak: Arrest 145433 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:03 Fiche Arrest nr 145.433 van 6 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.433 van 6 juni 2005 in de zaak A. 116.829/IX-
- In zake : Justinus CEELEN, wonende te BOCHOLT, Rondestraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Justinus CEELEN op 14 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 29 november 2001 van de minister van Landsverdediging waarbij hij van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen en met definitief verlof wordt geplaatst; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-3224-1/12 Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DIRKX, die verschijnt voor verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is onderofficier met de graad van adjudant bij de Luchtmacht; 1.2.
- Op 22 september 1998 wordt verzoeker door het Militair Gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand met uitstel en een geldboete wegens het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg. 1.2.
- Omwille van deze feiten wordt hij bij ministerieel besluit van 6 september 1999 bij tuchtmaatregel tijdelijk uit zijn ambt ontheven voor de duur van tien dagen. Bij de betekening van deze beslissing wordt aan verzoeker de volgende waarschuwing gegeven : IX-3224-2/12 “Deze maatregel zal beschouwd worden als een plechtige waarschuwing voor betrokkene, zodat bij een volgende zware straf of veroordeling de procedure tot ontslag van ambtswege kan ingeleid worden”. 1.
- Op 19 maart 2001 maakt verzoekers korpscommandant een voorstel op om verzoeker te doen verschijnen voor een onderzoeksraad met het oog op zijn ontslag van ambtswege. Het voorstel bevat volgende uiteenzetting : “De psychische onstabiliteit van betrokkene maakt hem ongeschikt voor het werk als technieker. Zijn morele ingesteldheid is van dien aard dat zijn collega's aangezet worden tot onzorgvuldigheid en nalatigheid. Is zich niet bewust van of onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheden als onderofficier”. Aanleiding tot dit voorstel is dat verzoeker na het uitvoeren van de “Washing, Cleaning en Corrosion Inspection” verzuimd heeft “de beschermings- strips te verwijderen die het vliegtuig en zijn uitrusting moeten beschermen tijdens deze onderhoudsoperatie. De aanwezigheid van deze strips tijdens de vlucht zou de veiligheid van het vliegtuig en de piloot ernstig geschaad hebben”. De korpscommandant is van oordeel dat de tuchtstraffen die verzoeker sedert 18 mei 1999 heeft opgelopen bewijzen dat hij niet naar behoren functioneert. Volgens de korpscommandant blijkt uit het incident dat verzoeker onvoldoende zelfdiscipline en ernst aan de dag legt bij de uitvoering van zijn taak, dat hij lichtvaardig voorbijgaat aan de technische voorschriften en doelbewust zijn verantwoordelijkheid op het gebied van vliegveiligheid afschuift, zodat hij “geen plaats meer heeft binnen de Luchtmacht”. Bovendien is de korpscommandant van oordeel dat het gedrag van verzoeker niet verenigbaar is met het statuut van onderofficier en dat het de verstandhouding binnen de dienst schaadt. Verzoeker dient tegen het voorstel van de korpscommandant geen verweerschrift in. IX-3224-3/12 1.
- Op 25 april 2001 dient verzoeker een aanvraag in om de procedure op te starten om voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform te verschijnen. 1.
- Op 3 mei 2001 beslist de minister van Landsverdediging dat verzoeker dient te verschijnen voor een onderzoeksraad. 1.
- Op 29 mei 2001 meldt de Divisie Personeel aan verzoekers korpscommandant dat verzoeker mag worden onderzocht door een militaire geneesheer teneinde een “model 5”, dit is een attest van medisch onderzoek, op te stellen. 1.
- Op 3 juli 2001 stelt het diensthoofd van de medische dienst een attest van medisch onderzoek “model 5” op, nadat hij verzoeker onderzocht heeft. Hij stelt vast dat verzoeker aangetast is door “513” voortkomende van, “constitutioneel”. Hij oordeelt dat verzoeker ongeschikt is voor de dienst, dat bovenvermelde kwaal “ongeneesbaar” en “vatbaar voor verbetering” is, dat de ongeschiktheid definitief is en dat de aandoening “waarschijnlijk (moet) verergeren ten gevolge van de dienst”. Het getal “513” verwijst naar het criteriumnummer 513 (hoofdstuk V “geestesafwijkingen”, rubriek “psychopathieën”) van de keuringscriteriatabellen gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de dienst van de andere militairen en van het personeel van de rijkswacht. 1.
- Op 25 juli 2001 maakt verzoekers korpscommandant een “model 11-dossier tot voorstel voor lichamelijke ongeschiktheid van een weddetrekkende militair” over aan de militaire commissie voor geschiktheid en reform, met het verzoek uitspraak te doen over de lichamelijke geschiktheid van verzoeker. IX-3224-4/12 1.
- Op 27 augustus 2001 verschijnt verzoeker voor de onderzoeksraad. Ook twee getuigen, met name zijn dienstoverste majoor CLAES en adjunct-chef WIJNANTS, worden gehoord. 1.
- Op 6 september 2001 dient verzoekers raadsman een verweerschrift in. 1.
- Op 25 september 2001 brengt de onderzoeksraad advies uit. Hij oordeelt dat de feiten bewezen zijn, dat zij ernstig zijn en dat zij onverenigbaar zijn met de staat van onderofficier. Het advies wordt als volgt gemotiveerd : “
- Motivering van de adviezen : Motivering in Rechte : Reg A16-D3-Art 42 Reg A12/2 Hfst 6 § 601 b. Motivering in Feite : a. Ernst der feiten : Betrokkene geeft blijk geen verantwoordelijkheid te kunnen dragen wanneer hem een bepaalde taak wordt opgelegd. Bewust of onbewust creëert hij steeds problemen bij het uitvoeren van een werk en dient hij steeds door zijn dienstoversten of collega's op zijn fouten gewezen te worden. Fouten die in minstens één geval de vliegveiligheid, en in meerdere gevallen de veiligheid van het personeel in het gedrang brachten. Zijn volledige loopbaan wordt gekenmerkt door opeenvolgende problemen met zijn werkomgeving, zowel zijn chefs als collega's. Deze problemen concretiseren zich op het moment van zijn opeenvolgende benoemingen, waarvoor hij bij herhaling negatief werd geadviseerd. Ondanks talrijke verslagen met de daaraan verbonden lichte en zware straffen, blijkt betrokkene niet de intentie te hebben zijn houding en zijn werkwijze te veranderen. Dit resulteerde in het feit dat betrokkene tot voor kort de taken uitvoerde van het niveau vrijwilliger (B4), teneinde eventuele fouten van zijnentwege al dan niet met risico's voor zijn medewerkers, te beperken. Uit het laatste verslag ter zijner laste blijkt dat hij zelfs deze taken niet naar behoren kan uitvoeren. Momenteel loopt een procedure voor de verschijning van betrokkene voor de medische commissie voor geschiktheid en reform en dit op aanvraag van betrokkene zelf. Het is de overtuiging van de onderzoeksraad dat betrokkene deze procedure heeft ingezet nadat hij op de hoogte werd gesteld van zijn verschijning voor een onderzoeksraad met het oog op zijn eventueel ontslag van ambtswege. IX-3224-5/12 b. Onverenigbaarheid met de staat van onderofficier : Als keuronderofficier dient betrokkene het voorbeeld te geven, enerzijds naar het lager kader toe, door het zich aanmeten van een correcte houding, anderzijds naar zijn chefs toe, door het efficiënt en doelmatig uitvoeren van de hem opgelegde taken. Betrokkene is daar in geen geval in geslaagd. Van een onderofficier moet worden verwacht dat hij de taken, in verhouding tot zijn graad, tot een goed einde weet te brengen. Gezien betrokkene in de uitoefening van zijn taak voortdurend diende te worden gevolgd en hij reeds geruime tijd een functie uitoefende van het niveau vrijwilliger (B4), blijkt dat hij deze verwachting niet kan inlossen. Rekening houdend met zijn houding en manier van werken, waarbij de veiligheid en in één geval de vliegveiligheid in het gedrang werd gebracht, en het feit dat hij tot voor kort een functie uitoefende van het niveau vrijwilliger (B4), en dit evenmin tot voldoening van zijn chefs, is de onderzoeksraad van mening dat betrokkene de goede reputatie van zijn categorie en zelfs van de krijgsmacht schaadt”. 1.
- Op 9 november 2001 stelt de chef van de Generale Staf van de Krijgsmacht aan de minister voor aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. Het voorstel wordt als volgt gemotiveerd : “Betrokkene werd meermaals gestraft voor het niet plichtsbewust uitvoeren van zijn job. Het lichtzinnig omgaan met alle technische voorschriften en het doelbewust afschuiven van zijn verantwoordelijkheden op gebied van de veiligheid is een gevaar voor de piloot en voor het vliegtuig. Gelet op de adviezen en de motivering van de onderzoeksraad stelt JSP-A voor betrokkene definitief uit de krijgsmacht te verwijderen”. Bij ministerieel besluit van 29 november 2001 wordt verzoeker ambtshalve uit zijn ambt ontslagen en met definitief verlof geplaatst. Het besluit bevat volgende motieven : “(...) Gelet op het voorstel van de korpscommandant en de adviezen van de onderzoeksraad; Overwegende dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de opgelopen straffen afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsonderofficier en gelet op de herhaling; Overwegende dat het veelvuldige straffen betreft, het passend is een statutaire maatregel op te leggen om de ernst van de feiten te onderstrepen; Overwegende dat het disciplinair optreden het nemen van statutaire maatregelen niet uitsluit; IX-3224-6/12 Overwegende dat betrokkene voor deze feiten voor een onderzoeksraad diende te verschijnen; Dat deze raad met eenparigheid van stemmen besloten heeft dat de feiten bewezen, ernstig en onverenigbaar zijn met de staat van beroepsonderofficier; Overwegende dat deze feiten niet kunnen of mogen getolereerd worden in hoofde van eender welke militair; Dat betrokkene door het lichtzinnig omspringen met de veiligheidsvoor- schriften een reëel gevaar betekende voor de goede werking van de dienst; Dat zelfs de vliegveiligheid in gedrang dreigde te komen; Dat hierdoor het leven van zijn medewerkers in gevaar kon gebracht worden; Dat het rendement in verhouding tot zijn graad zeer beperkt is; Overwegende dat betrokkene geen verantwoordelijkheid blijkt te kunnen dragen; Overwegende dat er reeds meermaals disciplinair en ook statutair diende opgetreden te worden; Dat betrokkene deze boodschappen niet schijnt begrepen te hebben; Dat hij blijkbaar ook niet de intentie zou hebben zijn houding noch zijn werkwijze aan te passen; Overwegende dat het vertrouwen in betrokkene geschokt is; Dat bijgevolg de definitieve verwijdering uit de krijgsmacht zich opdringt”. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel uiteenzet wat volgt : “Het Medische aspect dat het ganse feitendossier doorkruist is bij het nemen van de bestreden beslissing volledig miskend. Vertoger werd gepest en gekleineerd. Op verzoek van zijn overste Maj. Claes ging vertoger in medisch/psychische behandeling. De 'psychische onstabiliteit' die de oversten onderkenden is bij de besluitvorming ten onrechte geweerd”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat, aangezien in het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksraad, in het verweerschrift dat verzoeker aan de onderzoeksraad bezorgde, in het advies van de onderzoeksraad en in het voorstel van de Chef van de Divisie Personeel aan de minister melding gemaakt is van de medische problemen, de minister volledig ingelicht was zodat er geen sprake kan zijn van het miskennen van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij voorts, waar verzoeker de miskenning van het redelijkheidsbeginsel aanvoert doordat de minister de “psychische onstabiliteit” van verzoeker niet in aanmerking zou genomen hebben, betoogt dat de Raad van State IX-3224-7/12 enkel een kennelijk onredelijke maatregel onwettig kan verklaren terwijl in dit geval de minister omstandig uiteengezet heeft waarom hij tot de definitieve ambtsontheffing besloten heeft en verzoeker de motieven van het bestreden besluit niet betwist; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij op de hoorzitting van de onderzoeksraad “verzocht (heeft) om de behandeling van de zaak op te schorten tot na kennisname van een beslissing van het MCGR alwaar ook een dossier (op zijn naam) was geopend” maar dat dit verzoek afgewezen werd; dat hij ook stelt dat de verwerende partij in ieder geval kennis diende te hebben van zijn psycho-somatische problemen, aangezien de werksfeer niet goed was en zijn medisch profiel het voorwerp vormde van een aanvraag tot wijziging; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat in het kader van het aangevoerd middel enkel onderzocht moet worden of er tijdens de tuchtprocedure rekening gehouden is met de gezondheidstoestand van verzoeker, zonder dat daarbij nagegaan moet worden of de eindbeslissing redelijk is of procedureel onmogelijk gelet op de medische gegevens; dat zij dan uit het feit dat de verwerende partij de toestand van verzoeker kende, afleidt dat er wel degelijk rekening gehouden is met zijn gezondheidstoestand, maar dat de onderzoeksraad na het horen van verzoeker en van twee getuigen tot het besluit gekomen is dat de procedure van de medische ongeschiktheid enkel ingesteld was om te ontsnappen aan een tuchtprocedure die verzoeker in een ongunstiger positie gebracht zou hebben; 2.5.
- Overwegende dat verzoeker in het middel aanvoert dat het medisch aspect van de zaak “volledig miskend (is)” en dat zijn psychische instabiliteit, die door zijn oversten was onderkend aangezien majoor CLAES hem had verzocht in medische en psychische behandeling te gaan, “bij de besluitvorming ten onrechte geweerd (is)”; dat hij daarmee aan de verwerende partij verwijt dat zij de tuchtmaatregel genomen heeft zonder zijn psychische situatie in haar overweging betrokken te hebben; dat het antwoord op die vraag een inhoudelijke beoordeling IX-3224-8/12 nodig maakt die verder gaat dat alleen maar de vraag of de medische situatie van verzoeker haar bekend was; 2.5.
- Overwegende dat tuchtmaatregelen erop gericht zijn een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming; dat het element schuld een wezenlijk gegeven is van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden; Overwegende dat feiten die in beginsel een tuchtvergrijp vormen verschoond kunnen worden; dat, wanneer het bestuur op grond van de hem voorgelegde gegevens tot het besluit komt dat de feiten te verklaren zijn door de gezondheidstoestand van de betrokkene, het geen tuchtstraf kan opleggen; dat zulks ook het geval is wanneer blijkt dat het personeelslid medisch ongeschikt is om het ambt uit te oefenen; dat in dergelijk geval een misstap slechts wettig tot een tuchtstraf kan leiden wanneer het bestuur aantoont dat het de vraag naar de beroepsgeschiktheid van het personeelslid in zijn besluitvorming betrokken heeft en dat het op deugdelijke gronden tot het besluit is kunnen komen dat er geen verschoningsgrond bestaat; 2.5.
- Overwegende dat de korpscommandant van verzoeker op 19 maart 2001 het voorstel geformuleerd heeft om verzoeker tuchtrechtelijk van ambtswege te ontslaan; dat verzoeker op 25 april 2001 gevraagd heeft om de procedure voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform op te starten met het oog op het onderzoek van zijn lichamelijke geschiktheid voor het werk; dat in het kader van die procedure de bevoegde militaire geneesheer hem op 3 juli 2001 definitief ongeschikt voor de dienst verklaard heeft wegens psychopathie, waarna zijn korpscommandant een “voorstel voor lichamelijke ongeschiktverklaring” -model 11- aan de voorzitter van de militaire commissie voor geschiktheid en reform heeft overgemaakt; IX-3224-9/12 Overwegende dat de raadsman van verzoeker in zijn verdediging voor de onderzoeksraad gewezen heeft op het “medisch facet” van de zaak en dat hij, aangezien hij zulks “van wezenlijk belang” achtte voor de beoordeling van de tuchtzaak, gevraagd heeft dat de onderzoeksraad met zijn advies zou wachten totdat de militaire commissie voor geschiktheid en reform uitspraak gedaan heeft om dan “dat medisch resultaat bij dit dossier te voegen”; dat hij er de onderzoeksraad op gewezen heeft dat “het advies dat u gaat uitbrengen mede moet bepaald worden door deze medische gegevens”; dat de onderzoeksraad die argumentatie met de volgende overweging terzijde geschoven heeft: “Het is de overtuiging van de onderzoeksraad dat betrokkene deze procedure heeft ingezet nadat hij op de hoogte werd gesteld van zijn verschijning voor de onderzoeksraad met het oog op zijn eventueel ontslag”; 2.5.
- Overwegende dat gewis vastgesteld moet worden dat verzoeker slechts gevraagd heeft om door de militaire commissie voor geschiktheid en reform onderzocht te worden nadat tegen hem een tuchtprocedure was ingesteld; dat evenwel die vraag toch niet onterecht blijkt te zijn geweest, aangezien de militaire geneesheer die hem op 3 juli 2001 onderzocht heeft, hem definitief ongeschikt verklaard heeft voor de dienst en dat de procedure bij de medische commissie ook daadwerkelijk opgestart is; dat met andere woorden, verzoeker niet zonder reden zijn medische geschiktheid voor de dienst onderzocht wenste te zien; dat de omstandigheid dat verzoeker zijn medische situatie slechts onder ogen heeft willen zien nadat tegen hem een tuchtprocedure was ingespannen, voor de onderzoeksraad dan ook geen reden mocht zijn om de gezondheidstoestand van verzoeker buiten haar beraadslaging te houden; dat zulks des te meer klemt, aangezien verzoeker tijdens zijn verhoor door de onderzoeksraad uiteengezet heeft dat hij psychiatrisch behandeld wordt voor een “psychotropisch persoonlijkheidsprobleem” en dat zijn medisch profiel reeds gewijzigd werd omdat hij emotioneel sterk afhankelijk was van tewerkstellingsfactoren en aangezien zijn dienstchef, majoor CLAES, daar getuigd heeft dat, nu zij had vastgesteld dat verzoeker binnen zijn eigen wereld leeft en totaal onaangepast is aan het militair milieu, zij hem in het verleden reeds de raad gegeven heeft zich medisch te laten behandelen en dat enkel tot tuchtrechtelijke actie besloten is omdat verzoeker toen die weg niet wenste te volgen; IX-3224-10/12 2.5.
- Overwegende dat de onderzoeksraad in het gegeven dat de vraag van verzoeker naar het onderzoek van zijn gezondheidstoestand op opportuniteitsoverwegingen steunt, geen pertinent motief kon vinden om de problematiek van zijn geschiktheid voor de dienst buiten haar beraadslaging te houden; dat hij voorts, door de bij hem aan de orde gestelde vraag naar de medische geschiktheid van verzoeker niet nader te onderzoeken, niet met de vereiste zorgvuldigheid over het schuldig handelen van verzoeker heeft kunnen beslissen; dat het bestreden ministerieel besluit door dezelfde onregelmatigheden aangetast is; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 29 november 2001 van de minister van Landsverdediging waarbij Justinus CEELEN van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen en met definitief verlof wordt geplaatst. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3224-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3224-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.433 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.