← België

Arrest 145436 - - 06/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.436 Rolnummer: A. 105404/IX-3070 Zaak: Arrest 145436 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-22 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 17:04 Fiche Arrest nr 145.436 van 6 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.436 van 6 juni 2005 in de zaak A. 105.404/IX-

  1. In zake : Jean-Marie BEIRNAERT, wonende te BRUGGE, Ieperlaan 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Begroting,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken,
  4. de minister van Ambtenarenzaken,
  5. de minister van Justitie, de ministers sub 2, 3 en 4 kiezen woonplaats bij advocaten D. D'HOOGHE en S. SOTTIAUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
  6. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Marie BEIRNAERT op 30 mei 2001 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van hetzelfde besluit; Gelet op het arrest nr. 105.689 van 22 april 2002 waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld; Gelet op het arrest van het Arbitragehof nr. 105/2003 van 22 juli 2003; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2005; IX-3070-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DE VOS die, loco advocaten D. D'HOOGHE en S. SOTTIAUX verschijnt voor de tweede, derde en vierde vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; Overwegende dat de Raad van State met zijn arrest nr. 105.689 van 22 april 2002 aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld heeft over de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 en de procedure inzake de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit opgeschort heeft tot de Raad van State kennis zal gekregen hebben van de uitspraak van het Arbitragehof; dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 105/2003 van 22 juli 2003 de prejudiciële vraag ontkennend beantwoord heeft; Overwegende dat, wegens de wettelijke bekrachtiging van deel XII RPPol, de Raad van State niet meer bevoegd is om de vordering van verzoeker, die essentieel betrekking heeft op de overgangsbepalingen opgenomen in dat deel XII RPPol, te behandelen; Overwegende dat verzoeker uitgenodigd is aan de Raad van State zijn standpunt ter kennis te brengen met betrekking tot de gewijzigde juridische situatie waarin zijn vordering tot schorsing diende beoordeeld te worden; dat hij de desbetreffende brieven van 27 januari 2004 en van 3 maart 2004 niet beantwoord heeft; Overwegende dat verzoeker er vervolgens, bij zijn oproeping voor de openbare terechtzitting, op gewezen is dat overeenkomstig artikel 70, § 1, vierde lid, van het algemeen procedurereglement van de Raad van State, samen met de IX-3070-2/4 vordering tot schorsing ook het annulatieberoep behandeld zou worden; dat verzoeker op de openbare terechtzitting niet aanwezig of vertegenwoordigd was; Overwegende dat uit zijn houding opgemaakt wordt dat verzoeker geen belangstelling meer heeft voor de verdere gewone afhandeling van het geding, noch wat de vordering tot schorsing, noch wat het annulatieberoep betreft; dat de vorderingen wegens ontstentenis van belang verworpen moeten worden; Overwegende dat, aangezien het teloorgaan van het belang van verzoeker te wijten is aan de wijzigingen die hangende het geding aan de regelgeving zijn gebracht, het past de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  8. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-3070-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3070-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.436 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.557 ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.105.689 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.