id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.441 Rolnummer: A. 142092/VII-38053 Zaak: Arrest 145441 - Jacht - Reglementen - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 17:05 Fiche Arrest nr 145.441 van 6 juni 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.441 van 6 juni 2005 in de zaak A. 142.092/IX-
- In zake : de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de VZW HUBERTUSVERENIGING VLAANDEREN (HVV), die woonplaats kiest bij advocaten J. BOUCKAERT en J. GORIS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN op 26 september 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008 en om de verwerende partij te veroordelen tot het betalen van een dwangsom; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; IX-3943-1/6 Gezien het verslag op 10 februari 2005 opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat M. BRUGGEMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de VZW HUBERTUSVERENIGING VLAANDEREN met een verzoekschrift van 5 november 2003 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen;
- Overwegende dat het bestreden besluit, waarbij in uitvoering van het jachtdecreet van 24 juli 1991, de jacht in het Vlaamse Gewest geregeld wordt voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008, bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2003; dat de verzoekende partij een vereniging is die tot doel heeft -artikel 4, § 1, van haar statuten- in haar werkingsgebied “iedere actie of activiteit te ontplooien die bijdraagt tot verbetering van de bescherming, het behoud, het statuut, het leefgebied en de studie van ieder in het wild levende vogelsoort die voorkomt in het werkingsgebied (...). Ook kan de vereniging in dezelfde zin acties of activiteiten ontplooien met betrekking tot de bescherming en het behoud van de andere wilde fauna en flora en hun biotopen”; IX-3943-2/6
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij er vooraf op wijst dat zij zich verzet tegen een besluit dat gedurende vijf jaar uitwerking heeft, dat betrekking heeft op 200.000 ha jachtterrein en dat aldus “een massa ingrepen in de natuur” toelaat, terwijl de natuur “van iedereen is” en zij de reservaten van de VZW KBVBV beheert; dat zij haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt adstrueert: de jacht doorbreekt de natuurlijke kringloop en de veerkracht van de avifauna wordt er zwaar door op de proef gesteld; zij beheert reservaten waarrond jagen toegelaten wordt, hetgeen “natuurrecreatieve schade” berokkent aan de conservator en zijn leden die in de reservaten excursies maken en er natuurstudies uitvoeren; zij ondergaat voorts “ernstige morele schade” doordat het bestreden besluit nu toelaat dat er opnieuw fazanten in de natuur uitgezet kunnen worden -hetgeen “dwars staat tegenover de annulatiearresten nummers 100.520 en 104.550" en ingaat tegen het advies van de afdeling wetgeving-, doordat het besluit, in weerwil van de eigen reglementering van de verwerende partij, zoals de vogelrichtlijn, ook de jacht op zeldzame dieren -vos, grauwe gans, patrijs, reegeit- toelaat en doordat het besluit een aantal tot de verbeelding sprekende jachtdaden, waarbij minstens 900.000 dieren gedood worden, mogelijk maakt; er worden ernstige middelen aangevoerd; de verzoekende partij lijdt ook een nadeel “in relatie tot haar 4 200 leden” -als gesubsidieerde natuurvereniging die tot doel heeft haar leden te sensibiliseren en educatieve activiteiten aan te bieden, kan zij nog slechts activiteiten organiseren die een aanzienlijke minderwaarde hebben- en zij ondergaat ernstige morele schade doordat de populatie van bepaalde dieren -de patrijs en de haas- onder druk komt; het jachtbesluit legt geen beperkingen op voor zon- en feestdagen, terwijl zulks toch van belang is voor haar leden; de aangestipte schade zal na een vernieti- gingsarrest niet hersteld kunnen worden, aangezien de natuurschade en de schade aan de activiteiten van de verzoekende partij dan een voldongen feit zullen zijn, aangezien de natuur slechts traag herstelt en er nog meer diersoorten in de problemen zullen komen; IX-3943-3/6 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de uiteenzetting van de verzoekende partij vaag is, dat zij het nadeel en het belang bij het beroep verwart en dat, zoals het uiteengezet is, het nadeel veeleer gelinkt moet worden aan het jachtdecreet, dat de bedoeling heeft de jacht te reglementeren; dat zij daar aan toevoegt dat de jacht zeker nadelen heeft, maar dat die door de decreetgever “aanvaardbaar” werden geacht; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij er eveneens op wijst dat het nadeel, zoals het door de verzoekende partij wordt aangebracht, voortvloeit uit het jachtdecreet, dat het vaag is en dat er geen persoonlijk en ernstig nadeel bewezen wordt; dat zij in dat verband betoogt dat natuurrecreatieve schade voor de leden van een vereniging geen persoonlijk nadeel van de vereniging is, dat de verzoekende partij niet aantoont welk nadeel zij als beheerder van natuurgebieden ondergaat en dat het nadeel in ieder geval niet ernstig is, dat volgens wetenschappelijke studies de jacht geen wezenlijke impact heeft op de dierenpopulaties en dat het nadeel niet mag afgeleid worden uit de ernst van een middel, dat de verzoekende partij niet aantoont waarom het voortbestaan van bepaalde diersoorten door de jacht bedreigd zou geraken en dat de jacht de activiteiten van de verzoekende partij niet beïnvloedt; 3.
- Overwegende dat het nadeel dat moet worden aangetoond om de schorsing van een beslissing te kunnen verkrijgen, persoonlijk moet zijn; dat geen rekening gehouden wordt met de verwijzing naar het nadeel dat de leden van de verzoekende partij, individueel beschouwd, ondergaan; Overwegende dat de verzoekende partij als een persoonlijk nadeel verwijst naar het feit dat zij haar engagement tegenover haar leden niet naar behoren zal kunnen nakomen, doordat educatieve activiteiten hinder zullen ondervinden van de verstoring die de jacht in de nabijheid van die activiteiten veroorzaakt; dat gewis aangenomen kan worden dat de jacht een zekere verstoring van de rust in de natuur -en dus enige belemmering van de activiteiten- met zich kan brengen, maar dat, in redelijkheid, zulks niet als een ernstig nadeel kan worden aangemerkt; Overwegende dat aangenomen kan worden dat de verzoekende partij, als vereniging die zich inzet voor de bescherming van de vogels, zich verzet tegen een reglementering die de natuur op de proef stelt, die leidt tot de onnatuurlijke dood van vele vogels en die de normale leefwijze van de vogels in zekere mate verstoort; dat zulk nadeel op zich evenwel nog niet de ernst bezit die de wet vereist IX-3943-4/6 om een schorsing te kunnen bevelen; dat de verzoekende partij wel verwijst naar de bedreiging van de populatie van de patrijs en van de haas, maar dat zij geen enkel bewijs voorlegt dat deze diersoorten, wegens het bejagen ervan totdat een vernietigingsarrest wordt gewezen en hoogstens gedurende vijf jaar, zodanig uitgedund dreigen te geraken dat hun aantal daarna niet meer of niet meer zonder bijzondere inspanningen op peil gebracht zal kunnen worden; Overwegende dat de verzoekende partij ook verwijst naar het negeren van vernietigingsarresten en van regels die de verwerende partij zelf uitgevaardigd heeft; dat zij evenwel in gebreke blijft aan te tonen waarom dat moreel nadeel niet volledig hersteld zal kunnen worden na een vernietigingsarrest; Overwegende tenslotte dat de voorwaarde van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in beginsel los staat van de voorwaarde dat een ernstig middel moet worden aangevoerd; dat de verzoekende partij dan ook ten onrechte de onwettigheid van het bestreden besluit bij het nadeel betrekt; Overwegende dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aangetoond wordt; dat de vordering tot schorsing om die reden verworpen wordt en dat de subsidiaire vordering om aan de verwerende partij een dwangsom op te leggen niet onderzocht dient te worden, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de VZW HUBERTUS- VERENIGING VLAANDEREN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-3943-5/6 Artikel
- De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3943-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.441 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.218 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.492 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div