id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.442 Rolnummer: A. 112818/IX-3122 Zaak: Arrest 145442 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 17:06 Fiche Arrest nr 145.442 van 6 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.442 van 6 juni 2005 in de zaak A. 112.818/IX-
- In zake : Lena VAN BEVER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en B. SCHUTYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lena VAN BEVER op 15 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 12 september 2001 waarbij Ivette VANDERPOORTEN benoemd wordt tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Herne - Sint-Pieters-Leeuw, alsmede van de impliciete weigering verzoekster tot dat ambt te benoemen; Gelet op het arrest nr. 103.990 van 25 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 april 2002 door verzoekster; IX-3122-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. SCHUTYSER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoekster licentiaat in de rechten is en sinds 9 mei 1989 de betrekking bekleedt, eerst van adjunct-griffier en vanaf 17 augustus 1999, van griffier bij het vredegerecht van het kanton Sint-Kwintens-Lennik; dat verzoekster zich kandidaat stelt voor de vacante betrekking van hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Herne - Sint-Pieters-Leeuw, bekendgemaakt in het IX-3122-2/12 Belgisch Staatsblad van 1 mei 2001; dat ook Ivette VANDERPOORTEN, griffier- hoofd van dienst bij het hof van beroep te Brussel sinds 1996, voor die plaats kandideert; dat beiden het advies "zeer goed" krijgen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en van de procureur des Konings bij die rechtbank; dat weliswaar op een samenvattende tabel verkeerdelijk is vermeld dat verzoekster het advies "goed" kreeg van de laatstgenoemde magistraat; dat bij het thans bestreden besluit Ivette VANDERPOORTEN benoemd wordt tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Herne - Sint-Pieters-Leeuw; dat dit besluit de volgende motivering bevat : "Gelet op de Wet van 25 maart 1999 betreffende de hervorming van de gerechtelijke kantons, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, inzonderheid op het artikel 23, §1 ; Gelet op de zeer gunstige adviezen van de gerechtelijke overheden,. Overwegende dat mevrouw Vanderpoorten Ivette gedurende ruim 16 jaar tewerkgesteld is op de griffie van het Hof van Beroep te Brussel, waar zij vanaf 1 juni 1996 griffier-hoofd van dienst werd met een eerste verlenging op 1 juni 1999,. Overwegende dat betrokkene alle stadia van de griffie en de zittingen heeft doorlopen van contractueel beambte tot griffier-hoofd van dienst in een griffie met 20 personeelsleden, waaronder verschillende adjunct-griffiers; Overwegende dat betrokkene zonder twijfel dient te worden beschouwd als een zeer verdienstelijk, toegewijd en vlijtig element dat blijk geeft van uitzonder- lijke ernst, buitengewone wilskracht en analytische geest, gekoppeld aan een grote verstandelijke begaafdheid; Overwegende dat betrokkene vlot in de omgang is met collega 's en magistraten; Overwegende dat betrokkene de taken die zij toegewezen kreeg steeds zeer goed heeft uitgevoerd en zich aldus mits een inloopperiode gemakkelijk zal kunnen aanpassen aan het specifieke werk van een Vredegerecht,. Overwegende dat betrokkene ervaring heeft in het leiden van een groep personen en bestand is tegen grote werkdruk en haar werk zeer goed kan organiseren; Overwegende dat betrokkene zeker bekwaam is de taken in een griffie van een Vredegerecht uit te voeren en deze dienst te leiden,. Overwegende dat betrokkene in het Hof in zowel burgerlijke als correctionele kamers heeft gezeteld tot grote voldoening van de magistraten en de hoofdgrif- fier,. Overwegende dat betrokkene sedert 1996 belast is met de burgerlijke griffie van het Hof; dat zij zich de materies grondig eigen heeft gemaakt en een grote ervaring heeft in dit soort zaken, waarvan de wetgeving zeer complex en uitgebreid is,. IX-3122-3/12 Overwegende dat het mandaat van griffier-hoofd van dienst met drie jaar werd verlengd, wat een blijk is van vertrouwen in de leidinggevende capaciteiten van betrokkene; dat tijdens de eerste ambtstermijn vele wetswijzigingen werden doorgevoerd en zij blijk heeft gegeven van inzicht en doortastendheid bij de invoering van nieuwe of gewijzigde procedures; Overwegende dat betrokkene eveneens beschikt over een degelijke kennis van boekhouding, en onderlegd is in de informatica; Overwegende dat betrokkene interesse vertoont voor vormingen en opleidingen en de managementopleiding gevolgd heeft; Overwegende dat betrokkene beschikt over een goede kennis van het statuut van de griffieleden; dat zij in haar huidige functie gelast werd met de evaluatie van beambten, opstellers en administratieve agenten; Overwegende dat betrokkene zonder twijfel beschikt over de nodige intellectuele en menselijke kwaliteiten, densiteit en organisatorische vaardig- heden om leidinggevende functies naar behoren uit te oefenen, en dus be- schouwd kan worden als een zeer waardig en bekwame kandidate van de door haar gesolliciteerde functie van hoofdgriffier van een Vredegerecht,. Overwegende dat betrokkene houder is van het getuigschrift over de kennis van de beide landstalen, afgeleverd op 8 november 1977,. Overwegende dat betrokkene bij de laatste evaluatie de eindbeoordeling ‘zeer goed’ bekwam”;
- Overwegende dat verzoekster zich niet beroept op de rechtsplicht aan de kant van de verwerende partij om haar tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Herne - Sint-Pieters-Leeuw te benoemen; dat haar beroep dan ook niet ontvankelijk is voor zover het tegen de impliciete weigering om dat te doen gericht is; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3, tweede lid, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit geen afdoende verantwoording bevat betreffende de verdiensten en de titels van Ivette VANDERPOORTEN, maar zich beperkt tot de weergave van een louter positieve motivering, terwijl een afdoende motivering van een benoemingsbesluit blijk moet geven van de redenen waarom de titels en verdiensten van de benoemde kandidaat worden verkozen boven die van andere kandidaten; dat verzoekster toelicht, onder verwijzing naar het arrest DELOGE, nr. 90.216 van 13 oktober 2000, dat de louter positieve motivering van een benoeming niet volstaat, maar in een IX-3122-4/12 benoemingsbesluit integendeel aangegeven moet worden waarom de titels en verdiensten van de benoemde kandidaat boven die van de andere worden gesteld; dat zij stelt dat in dezen uit de motivering van het bestreden besluit niet blijkt waarom de titels en verdiensten van Ivette VANDERPOORTEN hoger werden ingeschat en dat het voor verzoekster en de Raad van State niet mogelijk is de motieven te kennen die tot de benoeming van Ivette VANDERPOORTEN en de niet-benoeming van verzoekster hebben geleid; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State in verband met benoemingen en bevorderingen een positieve motivering volstaat en de beslissing niet moet vermelden waarom de andere kandidaten niet in aanmerking werden genomen; dat het arrest nr. 90.216, DELOGE, van 13 oktober 2000 volgens de verwerende partij een alleenstaande uitspraak is, die ingaat tegen de uitdrukkelijke wil van de wetgever dat voor benoemingen een positieve motivering volstaat; dat uit de expliciete vermelding van de motieven die de overheid ertoe gebracht hebben een kandidaat te benoemen trouwens op impliciete wijze de motieven blijken die de overheid ertoe gebracht hebben de andere kandidaten niet te benoemen; dat door enkel de motieven te vermelden die haar ertoe gebracht hebben een bepaalde kandidaat te benoemen de benoemende overheid geen afbreuk doet aan de ratio legis van de wet van 29 juli 1991; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betwist dat het arrest DELOGE een geïsoleerde uitspraak zou zijn; dat zij stelt dat een uitsluitend positieve motivering welke zich zou beperken tot het vermelden van de kwalificaties van de benoemde persoon, door de rechtspraak als onvoldoende wordt beschouwd; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog doet gelden : IX-3122-5/12 "
- In het auditoraatsverslag wordt de opvatting van de verzoekende partij bijgevallen dat de motivering van het bestreden besluit niet afdoende is, aangezien de motivering het niet mogelijk maakt te achterhalen op grond van welke objectieve, redelijke en pertinente criteria de voorkeur werd gegeven aan de benoemde kandidate en niet aan verzoekster. De auditeur is van mening dat de motivering er zich toe beperkt ‘grotendeels in identieke bewoordingen’ de adviezen van de gerechtelijke overheden over te nemen. De verwijzing naar de zeer gunstige adviezen van die overheden m.b.t. de benoemde kandidaat zouden, op zich genomen, niet volstaan omdat de adviezen m.b.t. de verzoekende partij zeer gunstig waren. Aldus zou de benoemende overheid in haar rechtsplicht tot vergelijking van titels en verdiensten tekortgeschoten zijn. Die opvatting kan echter niet worden bijgetreden.
- Hoewel de beslissing niet moet vermelden waarom een kandidaat niet werd benoemd, moet wel blijken dat de vergelijking van titels en verdiensten daadwerkelijk is gebeurd (R.v.St., Debou, nr. 111.080,7 oktober 2002; R.v.St., Jaenen, nr.121.777, 18juli 2003), dit wil zeggen dat moet blijken waarom er aan de benoemde kandidaat de voorkeur werd gegeven, dat de redenen moeten worden aangegeven die de benoemende overheid ertoe hebben gebracht de ene kandidaat boven de andere kandidaten te verkiezen.
- Uit het administratief dossier blijkt duidelijk, zoals door het auditoraat is opgemerkt, dat de voordracht van de Minister van Justitie is gebeurd aan de hand van de adviezen van de gerechtelijke overheden. Uw Raad zal kunnen vaststellen dat die adviezen uitgebreid zijn en de kwaliteiten van Mevrouw Vanderpoorten op pertinente en relevante wijze, d.w.z. niet in stijlformules of in vage of nietszeggende bewoordingen, beschrijven. De adviezen m.b.t. de verzoekende partij zijn weliswaar eveneens zeer gunstig maar zijn korter en zijn, alles samen genomen, geformuleerd in bewoordingen die een grotere terughou- dendheid verraden.
- De benoemende overheid is hoe dan ook niet louter afgegaan op de beoordeling zeer gunstig in die adviezen (en kon daarop, zoals terecht door het auditoraat is opgemerkt, ook niet afgaan). Zij heeft, in het kader van haar rechtsplicht tot vergelijking van titels en verdiensten, een aantal (wettige) criteria vastgesteld die voor haar een doorslaggevend belang zouden hebben. Vervol- gens diende zij, in het kader van haar rechtsplicht tot vergelijking van titels en verdiensten, de informatie die zij m.b.t. de kandidaten heeft, waaronder voornamelijk de adviezen van de gerechtelijke overheden, inhoudelijk aan die criteria te toetsen. In dit geval heeft de benoemende overheid de volgende criteria weerhouden en aan het administratief dossier getoetst: Zoals reeds omstandig in de memorie van antwoord is aangetoond, is door de benoemende overheid aan de criteria ‘intellectuele en sociale vaardigheden’, ‘organisatorische vaardigheden om leidinggevende functies [. . .1 uit te oefenen’ en ‘ervaring’ aandacht besteed. Dit wordt, ondermeer, tot uitdrukking gebracht in de slotbeoordeling van de bestreden beslissing: ‘Overwegende dat betrokkene zonder twijfel beschikt over de nodige intellectuele en menselijke kwaliteiten, densiteit en organisatorische vaardigheden om leidinggevende functies naar IX-3122-6/12 behoren uit te oefenen, en dus beschouwd kan worden als een zeer waardig en bekwame kandidate van de door haar gesolliciteerde functie van hoofdgriffier van een vredegerecht. Die slotbeoordeling vindt, zoals uitgebreid is uiteengezet in de memorie van antwoord (de verwerende partij verwijst daarvoor inzonder- heid naar p. 7 e.v. van haar memorie van antwoord), in verschillende over- wegingen van de bestreden beslissing uitdrukkelijk grondslag. Die overwegingen zijn niet zonder meer uit één advies maar uit verschillende adviezen, met name de adviezen van de Procureur des Konings en de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, afkomstig, d.w.z. dat aan die overwegingen wel degelijk een concrete vergelijking van titels en verdiensten ten grondslag ligt. De benoemende overheid heeft, bovendien, belang gehecht aan de omstandig- heid dat Mevrouw Vanderpoorten, zoals is aangegeven in de bestreden beslissing, ook meer ervaring waarvan de aard en de duur relevant is. Mevrouw Vanderpoorten heeft immers, in tegenstelling tot mevrouw Van Bever, gedurende jaren de functie van griffier uitgeoefend. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk op die ervaring gewezen. Zo is daarin, ondermeer te lezen dat mevrouw Vanderpoorten ‘gedurende ruim 16 jaar tewerkgesteld is op de griffie van het hof van beroep te Brussel, waar zij vanaf 1 juni 1996 grif- fier-hoofd van dienst werd met een eerste verlenging op 1 juni 1999' of dat zij ‘alle stadia van de griffie en de zittingen heeft doorlopen van contractueel beambte tot griffier-hoofd van dienst in een griffie met 20 personeelsleden, waaronder verschillende adjunct-griffiers’. Op die wijze heeft de benoemende overheid noodzakelijk de opvatting tot uitdrukking gebracht dat de benoemde kandidaat van alle kandidaten de meeste ervaring heeft opgebouwd om de functie te bekleden (R.v.St., Merckx, nr. 53.588, 7 juni 1995). Er kan niet worden betwist dat de beoordeling die op grond van die criteria tot stand is gekomen duidelijk, pertinent en concreet is. De te begeven betrekking is immers een betrekking, hoofdgriffier van een vredegerecht, waarvoor een beoordeling op grond van die criteria kennelijk relevant is. Uit de beoordeling die de benoemende overheid op grond van die criteria heeft gemaakt, is onbetwistbaar af te leiden dat Mevrouw Van der Poorten boven de andere kandidaten werd verkozen omdat haar intellectuele en menselijke kwaliteiten, haar organisatorische vaardigheden om leidinggevende functies uit te oefenen en haar ervaring door de benoemende overheid hoger werden ingeschat. Een teleurgestelde kandidaat kan dus wel degelijk vaststellen dat die motieven doorslaggevend waren en kan tegen die motieven zijn eigen aanspraken voor de benoeming afwegen en op grond daarvan de deugdelijkheid van die motivering aan een inhoudelijke kritiek onderwerpen (vgl. het in het auditoraatsverslag geciteerde arrest Achten van Uw Raad; R.v.St., Achten, nr. 94.541, 5 april 2001). De omstandigheid dat het belang dat de benoemende overheid aan die criteria hecht tot uitdrukking wordt gebracht in bewoordingen die aan de adviezen van de gerechtelijke overheden zijn ontleend doet aan die vaststellingen in het geheel geen afbreuk. Het is immers volstrekt normaal en zelfs aangewezen dat de benoemende overheid de door haar uit te voeren vergelijking van titels en verdiensten in belangrijke mate op die adviezen steunt. Het zijn immers vooral die adviezen die informatie bevatten op grond waarvan de benoemende overheid IX-3122-7/12 de titels en verdiensten van kandidaten kan vergelijken. Het is dan ook aangewezen of minstens aanvaardbaar dat de benoemende overheid zich, in de bestreden beslissing, ook relevante en concrete elementen uit die adviezen eigen maakt. Dit geldt, in dit geval, des te meer aangezien in die adviezen de kwaliteiten van Mevrouw Vanderpoorten op pertinente en relevante wijze, d.w.z. niet in stijlformules of in vage of nietszeggende bewoordingen, worden beschreven. De adviezen m.b.t. de verzoekende partij zijn dan weer, in ieder geval wat de weerhouden criteria ‘intellectuele en menselijke kwaliteiten’, ‘organisatorische vaardigheden om leidinggevende functies uit te oefenen’ en ‘ervaring’ betreft, veel terughoudender. Er is dan ook te besluiten dat de benoemende overheid wel degelijk een vergelijking van titels en verdiensten heeft uitgevoerd en dat de weergave van die vergelijking en van de criteria op grond waarvan zij is uitgevoerd in de bestreden beslissing onmiskenbaar terug is te vinden. De andere kandidaten kunnen uit die motivering de motieven afleiden die de benoemende overheid ertoe hebben gebracht om de benoemde kandidaat boven henzelf te verkiezen.
- Er kan dan ook worden besloten dat het middel ongegrond is. De verwerende partij verwijst in dat verband, en voor zoveel als nodig, naar hetgeen zij in haar memorie van antwoord heeft gesteld."; 3.2.
- Overwegende dat blijkens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bestuurs- handelingen met individuele strekking uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden; dat volgens artikel 3 van die wet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en de motivering afdoende moet zijn; dat bij de parlementaire bespreking van de wet van 29 juli 1991 de minister van Binnenlandse Zaken verklaarde dat voor benoemingen “in positieve zin moet worden gemotiveerd. Men moet vermelden dat een bepaalde kandidaat benoemd wordt omdat hij voldoet aan de voorwaarden. Men moet niet vermelden waarom de andere kandidaten niet in aanmerking kwamen”; dat derhalve kan worden aangeno- men dat bij benoemingen en bevorderingen een positieve motivering volstaat, in die zin dat de benoemende overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten dat niet worden; 3.2.
- Overwegende dat wat voorafgaat nochtans niet betekent dat in een benoemingsbesluit alleen vermeld zou moeten worden dat de benoemde kandidaat de benoemingsvoorwaarden vervult of dat het zou volstaan in de motivering van het IX-3122-8/12 benoemingsbesluit een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidaat te vermelden; dat om afdoende te zijn die motivering ook moet duidelijk maken welke redenen de steller van de handeling ertoe hebben aangezet de benoemde kandidaat boven de andere te verkiezen, ook al houdt zulks niet in dat de aanspraken van al de andere kandidaten moeten worden besproken; dat niettemin de overheid er op grond van het gelijkheidsbeginsel toe gehouden is de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten voor een benoeming met elkaar te vergelijken en zij dan, op grond van de formele motiveringsverplichting, neergelegd in de wet van 29 juli 1991,in het benoemingsbesluit zelf dient te vermelden op grond van welke criteria zij er uiteindelijk toe gekomen is aan de benoemde de voorkeur te geven of minstens, er concrete gegevens in op te nemen die de teleurgestelde kandidaten in staat stellen die objectieve, redelijke en pertinente criteria en hun concrete beoordeling in alle duidelijkheid te achterhalen; 3.2.
- Overwegende dat het bestreden benoemingsbesluit verwijst naar “de zeer gunstige adviezen van de gerechtelijke overheden” die over de benoemde kandidate werden uitgebracht en voor het overige, grotendeels in identieke bewoordingen, de kwaliteiten vermeldt die in die adviezen aan de benoemde kandidate toegeschreven werden; dat de adviezen die over verzoekster werden uitgebracht echter ook haar kwaliteiten in het licht stellen; dat zij wellicht korter zijn, doch daaruit niet zonder meer kan worden besloten dat de adviezen die kwaliteiten lager schatten dan die van de benoemde, te meer daar voor beide de conclusie "zeer goed" was; dat voor zover de motivering van het bestreden besluit een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidate speciaal in het licht stelt om afdoende te zijn in de zin van de wet, daaruit moet kunnen worden afgeleid, niet alleen dat de benoemde kandidate op dat stuk beter scoort dan verzoekster, maar ook waarom die kwaliteiten meer doorslaggevend zijn dan andere, waarin verzoekster dan wellicht beter is; 3.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit in de eerste plaats wijst op de langdurige en gevarieerde ervaring van de benoemde kandidate in de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep, vergezeld van diverse IX-3122-9/12 kwaliteiten inzake leiding geven, organisatie, informatica, enz., waaruit wordt afgeleid dat zij in staat zal zijn de griffie van een vredegerecht te leiden; dat weliswaar de benoemde kandidate al langer dan verzoekster werkzaam is op een griffie en als griffier, wat een objectief gegeven uitmaakt, doch daardoor niet aangetoond is waarom zulks bij de vergelijking van de aanspraken zwaarder moet wegen dan het feit dat verzoekster al sedert tien jaar griffier is bij een vredegerecht en zij wat haar kennis, ervaring, omgang met het publiek en dergelijke door de vrederechter en de andere gerechtelijke overheden op gelijkwaardige wijze beoordeeld wordt als de benoemde; dat het argument dat uit de adviezen van de gerechtelijke overheden “terughoudendheid” ten opzichte van de kandidatuur van verzoekster zou blijken, niet overtuigt; dat integendeel de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zijn advies over de kandidatuur van verzoekster besluit met de woorden dat zij “zonder twijfel over de nodige bekwaamheden (beschikt) om de geambieerde functie naar behoren uit te oefenen”; dat daarentegen wel een voorbehoud staat in de adviezen over de benoemde kandidate; dat de voorzitter van de rechtbank oordeelt dat de betrokkene “zonder twijfel over de nodige intellectuele en menselijke kwaliteiten, densiteit en organisatorische vaardigheden (beschikt) om leidinggevende functies naar behoren uit te oefenen”, maar er het volgende aan toevoegt : “Mocht zij benoemd worden, zal zij het hoofd moeten bieden aan een zware opdracht : inrichten van een griffie, verwerven van de kennis en know-how eigen aan een vredegerecht waarvan zij geen ervaring heeft. Zij geeft de indruk deze taak aan te kunnen, na de nodige inloopperiode”; dat ook de procureur des Konings in zijn advies stelt dat de betrokkene “ervaring (mist) met betrekking tot de werking van een griffie van een vredegerecht, hetgeen van groot belang is bij het opstarten van een nieuw vredegerecht. Zij zal zich volgens haar korpsoverste echter gemakke- lijk kunnen aanpassen aan het specifieke werk van een vredegerecht”; dat met andere woorden niet wordt getwijfeld aan de organisatorische en leidinggevende kwaliteiten van de betrokkene om “leidinggevende functies” in het algemeen uit te oefenen, maar er is een duidelijk voorbehoud vanwege haar gebrek aan ervaring in verband met de werking van de griffie van een vredegerecht; dat in het bestreden besluit wordt gesteld “dat betrokkene de taken die zij toegewezen kreeg steeds zeer goed heeft uitgevoerd en zich aldus mits een inloopperiode gemakkelijk zal kunnen aanpassen IX-3122-10/12 aan het specifiek werk van een vredegerecht”; dat, aangenomen dat aldus op afdoende wijze geantwoord werd op het voorbehoud dat in de adviezen van de gerechtelijke overheden werd geformuleerd, dan nog het de vraag blijft waarom de betrokkene de voorkeur kreeg boven een kandidaat die dergelijke inloopperiode niet nodig heeft; dat de omstandigheid dat de benoemde kandidate het getuigschrift van kennis van de tweede landstaal behaald heeft en verzoekster, die naar het zeggen van de vrederechter vlot de Franse taal hanteert, niet, bezwaarlijk als een doorslaggevend gegeven beschouwd kan worden, althans zulks niet verduidelijkt wordt in het bestreden besluit of in de stukken van het administratief dossier; dat niet blijkt dat verzoekster een andere evaluatie dan "zeer goed" heeft gekregen; dat het derhalve niet mogelijk is te achterhalen op grond van welke objectieve, redelijke en pertinente criteria de voorkeur werd gegeven aan de benoemde kandidate en niet aan verzoekster; dat overigens de verkeerde vermelding in de aan de minister van Justitie voorgelegde samenvattende lijst van kandidaten dat verzoekster van de procureur des Konings het advies “goed” kreeg, twijfel doet rijzen aangaande de pertinentie van de vermelding "gelet op de zeer gunstige adviezen van de gerechtelijke overheden" in zoverre daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de benoemde op dat stuk beter scoorde dan verzoekster; dat de motivering van het bestreden besluit dan ook niet als afdoende kan worden beschouwd; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 12 september 2001 waarbij Ivette VANDERPOORTEN benoemd wordt tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Herne - Sint-Pieters-Leeuw. Artikel
- Het beroep wordt verworpen voor het overige. IX-3122-11/12 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3122-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.442 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.