← België

Arrest 145444 - - 06/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.444 Rolnummer: A. 60317/IX-541 Zaak: Arrest 145444 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 17:07 Fiche Arrest nr 145.444 van 6 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.444 van 6 juni 2005 in de zaak A. 60.317/IX-

  1. In zake : Joannes MATTHIJS, wonende te LEDE, Kloosterstraat 56 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij : Johan VANDERHEYDEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN HOOREBEKE, kantoor houdende te GENT, Coupure Rechts
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joannes MATTHIJS op 13 oktober 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 20 juli 1994 van de Vlaamse Regering waarbij Johan VANDERHEYDEN met ingang van 1 augustus 1994 bevorderd wordt tot directeur-generaal bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 mei 1995; Gelet op de beschikking van 26 juni 1995 die de tussenkomst van Johan VANDERHEYDEN toelaat; IX-541-1/7 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 september 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat K. VANBINST, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN HOOREBEKE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : IX-541-2/7 1.
  4. Verzoeker is directeur bij het bestuur Milieu-investeringen van de administratie Milieu, Natuur en Landinrichting van het departement Leefmilieu en Infrastructuur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  5. Op 15 december 1993 verklaart de Vlaamse regering bij de administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer een betrekking van directeur-generaal bij wijze van bevordering door verhoging in graad vacant. 1.
  6. Op 23 december 1993 worden de ambtenaren die de statutaire voorwaarden vervullen, van de vacantverklaring in kennis gesteld. Er dienen zich vijftien kandidaten aan, waaronder verzoeker en Johan VANDERHEYDEN. 1.
  7. Op 25 januari 1994 onderzoekt de directieraad de kandidaturen. De bespreking wordt ingeleid door de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur die concludeert “dat de heren Joannes MATTHIJS en Johan VANDERHEYDEN duidelijk een hoger niveau halen en beter beantwoorden aan het gewenst profiel en de functiebeschrijving/functievereisten dan de overige kandidaten. De heer Joannes MATTHIJS geniet daarbij enige voorkeur op de heer Johan VANDERHEYDEN omwille van zijn meer doortastend optreden en zijn groter communicatievermogen.” Bij de verdere bespreking wordt opgemerkt dat verzoeker en Johan VANDERHEYDEN “beiden uitstekende kandidaten zijn, die op velerlei vlak aan mekaar gewaagd zijn”, maar dat zij wel “tegengestelde karakters” hebben. De secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur besluit dat “vermits de administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer een directeur-generaal nodig heeft die kan doorduwen en die een vuist kan maken, de voorkeur uitgaat (...) naar de heer Joannes MATTHIJS, die z.i. een sterkere persoonlijkheid heeft”. De directieraad beslist vervolgens volgende kandidaten voor te dragen : IX-541-3/7
  8. Joannes MATTHIJS
  9. Johan VANDERHEYDEN
  10. Patrick DEBAERE De voorkeur voor verzoeker wordt gemotiveerd door “zijn grotere performantiekracht in moeilijke omstandigheden en zijn groter communicatie- vermogen”. 1.
  11. Op 9 februari 1994 dient Johan VANDERHEYDEN bezwaar in tegen de voorgestelde rangschikking. Hij vraagt tevens om door de directieraad te worden gehoord. 1.
  12. Op 24 februari 1994 onderzoekt de directieraad het bezwaar- schrift. Na Johan VANDERHEYDEN te hebben gehoord, stellen meerdere leden vast dat beide kandidaten “duidelijk over een gelijkwaardige, technische ervaring beschikken inzake wegeninfrastructuur”, dat beiden grote beleidsvoorbereidende ervaring kunnen aantonen en beiden bewezen hebben “dat ze kunnen groeien in hun job”. Verder wordt opgemerkt dat zij op het vlak van leiderschapsstijl “mekaars tegenpolen” zijn, aangezien Johan VANDERHEYDEN de voorkeur geeft aan “een zachte en verzoenende leiderschapsstijl”, terwijl Joannes MATTHYS “een doortastende doener en duwer” is. De directieraad beslist vervolgens de kandidaten te rangschikken als volgt :
  13. ex aequo : Joannes MATTHIJS Johan VANDERHEYDEN
  14. Patrick DEBAERE De wijziging in de rangschikking wordt als volgt gemotiveerd: “Gelet op het feit dat in de bezwaarschriften of in de hoorzitting geen nieuwe inhoudelijke elementen aangedragen werden, die van aard zijn om de eerder ingenomen standpunten te wijzigen, blijft de directieraad bij zijn initiële appreciatie van de kandidaten. IX-541-4/7 Gezien de heer Johan VANDERHEYDEN aanvoert dat hij voor de vacante betrekking van secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastruc- tuur door de Vlaamse regering gerangschikt werd, wat niet het geval is voor de heer Joannes MATTHIJS -wat na verificatie van de desbetreffende documenten van de Vlaamse regering bevestigd wordt- stelt de directieraad vast dat de Vlaamse regering derhalve in het recente verleden een appreciatie heeft uitgebracht ten voordele van de heer Johan VANDERHEYDEN, en dit weliswaar voor een andere betrekking. Op basis van beide consideransen beslist de directieraad af te wijken van zijn principe om voor de eerste plaats in een rangschikking geen ex aequo voor te dragen”. 1.
  15. Op 20 juli 1994 beslist de Vlaamse regering Johan VANDERHEYDEN met ingang van 1 augustus 1994 te benoemen tot directeur- generaal bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Wegen- infrastructuur en Verkeer. De Vlaamse regering motiveert haar beslissing als volgt: “Overwegende dat de heer Johan VANDERHEYDEN de voorkeur geniet op de overige kandidaten omdat hij over een ruime algemene ervaring inzake infrastructuurwerken burgerlijke bouwkunde beschikt, in het bijzonder inzake de wegensector en een grote betrokkenheid bij het wegenbeleid aantoont, waardoor hij in zeer grote mate aan de gestelde technische capaciteiten en vaardigheden voldoet; omdat hij een zeer goede kennis van de sector heeft verworven, zowel in uitvoeringsdiensten als vanuit het beleid; omdat hij leiding kan geven; gedecideerd optreedt, maar zich toch soepel kan opstellen; omdat hij over een groot verantwoordelijkheidsbesef en een groot aanpassingsvermogen beschikt; omdat hij meer dan de andere kandidaten over beleidsvoorbereidende ervaring beschikt, inzonderheid inzake de mobiliteit; omdat hij bekwaam is in moeilijke omstandigheden problemen, op korte termijn, op te lossen; omdat hij openstaat voor de veranderingsprocessen;” 1.
  16. Bij brief van 16 augustus 1994 wordt aan de kandidaten een afschrift toegezonden van het besluit van 20 juli 1994 van de Vlaamse regering waarbij Johan VANDERHEYDEN met ingang van 1 juni 1994 bevorderd wordt tot directeur-generaal bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer met ingang van 1 augustus
  17. 1.
  18. Bij brief van 19 september 1994 wordt aan de kandidaten medegedeeld dat het besluit dat hen bij brief van 16 augustus 1994 werd toegezonden IX-541-5/7 een materiële vergissing bevat, daar de datum van inwerkingtreding niet overeenstemt met de beslissing van de Vlaamse regering van 20 juli
  19. Zij ontvangen een nieuw afschrift van het besluit van 20 juli 1994 van de Vlaamse regering waarbij Johan VANDERHEYDEN tot directeur-generaal bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur bevorderd wordt;
  20. Over de ontvankelijkheid. 2.
  21. Overwegende dat uit stukken meegedeeld op 9 augustus 2004 door de verwerende partij blijkt dat verzoeker bij beslissing van 6 november 2001 eervol ontslag is verleend uit zijn ambt met ingang van 1 juni 2002; dat een vernietigingsarrest derhalve niet meer kan bijdragen tot het rechtsherstel dat verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name zelf tot directeur- generaal bevorderd worden en die functie daadwerkelijk bekleden; dat verzoeker ook niet aantoont en zelfs niet beweert dat de verwerende partij de absolute rechtsplicht had om hem tot directeur-generaal te benoemen en om aldus zijn loopbaan met terugwerkende kracht te reconstrueren; dat de vraag rijst welk persoonlijk voordeel verzoeker thans nog uit een vernietigingsarrest kan halen en of dat voordeel volstaat om het behoud van belang te rechtvaardigen; dat het aan verzoeker toekomt om dienaangaande overtuigende gegevens aan de beoordeling van de Raad van State over te leggen; dat verzoeker te dezen, gevraagd naar zijn volgehouden belangstelling en zijn actueel belang, bij aangetekend schrijven van 13 april 2004, enkel medege- deeld heeft dat hij “nog steeds belangstelling (heeft) voor de verdere afhandeling van (...) (de) zaak”; dat verzoeker bijgevolg niet aantoont dat hij thans nog een voldoende en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het beroep om die reden niet meer ontvankelijk is; dat, aangezien het teloorgaan van verzoekers belang op geen enkele wijze aan zijn toedoen te wijten is, de kosten ten laste van de verwerende partij moeten worden gelegd, BESLUIT: IX-541-6/7 Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-541-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.