← België

Arrest 145447 - - 06/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.447 Rolnummer: Zaak: Arrest 145447 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 17:08 Fiche Arrest nr 145.447 van 6 juni 2005 - Beslissing : Bevolen Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.447 van 6 juni 2005 in de zaken A. 160.428/IX-4822 161.015/IX-

  1. In zake : Luc BORIN, die woonplaats kiest bij advocaat J. STEVENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Justitiestraat 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten B. SCHUTYSER en W. DEPESTER, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidstraat 5-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc BORIN op 1 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 18 januari 2005 waarbij de voordracht van verzoeker voor het ambt van rechter in de politierechtbank te Leuven, gedaan door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 19 oktober 2004, een eerste maal wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift dat Luc BORIN op 21 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 februari 2005 waarbij de voordracht van verzoeker voor het ambt van rechter in de politierechtbank te Leuven, gedaan door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 25 januari 2005, voor de tweede maal wordt geweigerd; Gezien de gelijktijdig ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota’s van de verwerende partij; IX-4822-1/14 Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 29 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. STEVENS, die verschijnt voor verzoeker en van advocaten B. SCHUTYSER en W. DEPESTER, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is advocaat bij de balie te Antwerpen en plaatsvervangend rechter in de politierechtbank aldaar sinds 19 september
  5. 1.
  6. In het Belgisch Staatsblad van 21 mei 2004 wordt de vacature van een betrekking van rechter in de politierechtbank te Leuven bekendgemaakt. Op 10 juni 2004 stelt verzoeker zich kandidaat. Er zijn nog zeven andere kandidaten. 1.
  7. Over de kandidatuur van verzoeker worden de volgende adviezen gegeven : - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen geeft op 22 juli 2004 een “zeer gunstig” advies; - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven geeft op 17 augustus 2004 een “zeer gunstig” advies; IX-4822-2/14 - de vertegenwoordiger van de balie te Antwerpen geeft op 20 augustus 2004 het advies “zeer geschikt”. 1.
  8. Op 19 oktober 2004 draagt de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie (hierna: de benoemingscommissie) verzoeker met de vereiste meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen voor benoeming voor. Die voordracht is als volgt gemotiveerd : “(...) Na afweging van alle elementen betreffende de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat beslist de commissie met de vereiste meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen om Luc Borin voor te dragen aan de Minister van Justitie op grond van onderstaande overwegingen : Cornelia Verschueren wordt vandaag voorgedragen voor een vacante plaats van toegevoegd rechter voor het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen. Luc Borin behaalde het diploma van licentiaat in de rechten in 1971 op voldoende wijze. Sinds 17 november 1975 is hij, met een korte onderbreking voor de uitvoering van zijn legerdienst, advocaat aan de balie te Antwerpen. Hij is gespecialiseerd in het verzekeringsrecht, het verkeersrecht en het aansprakelijkheidsrecht. Sinds 11 oktober 1978 (KB van 19 september 1978) is hij plaatsvervangend rechter in de politierechtbank te Antwerpen, waar hij regelmatig gedurende lange tijd als erkend rechter heeft gezeteld. Hij is plaatsvervangend lid zowel van de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij en als van de Probatiecommissie te Antwerpen. Aangezien hij vóór 1 oktober 1993 werd benoemd tot plaatsvervangend rechter wordt hij, in toepassing van artikel 21, tweede lid, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het gerechtelijk wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten, geacht te zijn geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Luc Borin onderscheidt zich van Christien Broekmans en Anne Marie De Rieck door het feit dat hij een ‘zeer gunstig’ advies krijgt van de korpschef van de vacante plaats, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, terwijl de genoemde twee kandidates slechts een ‘gunstig’ advies krijgen. Luc Borin onderscheidt zich van de andere kandidaten die een ‘zeer gunstig’ advies krijgen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, met name Birgitta D’Exelle en Kathleen Stinckens, door zijn veel langere en relevantere ervaring in de materies die tot de bevoegdheden van de politierechtbank behoren. Luidens het curriculum vitae van Birgitta D’Exelle heeft zij twaalf jaar ervaring in de materies die door de politierechtbank worden behandeld : eerst als gerechtelijk stagiair bij de verkeerssectie van het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, vervolgens als substituut-procureur des Konings bij de verkeerssectie van het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven en ten slotte als rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Deze ervaring weegt evenwel niet op tegen de veel langere ervaring van Luc Borin IX-4822-3/14 met de betrokken materies : Luc Borin is al 28 jaar advocaat, gespecialiseerd in verkeersrecht en verzekeringsrecht, en al 26 jaar plaatsvervangend rechter in de politierechtbank te Antwerpen. Birgitta D’Exelle heeft vanaf 1995 ervaring opgedaan met het zitting houden en het opstellen van vonnissen in de collegiale correctionele en burgerlijke kamers die de beroepen tegen de vonnissen van de politierechtbank behandelen en als alleenzetelend rechter in andere kamers. Met het oog op het ambt van politierechter, die een alleenzetelend eerstelijnsrechter is, is de ervaring van Luc Borin, die sinds 1978 regelmatig heeft gezeteld als plaatsvervangend politierechter, relevanter. In het kader van de periodieke evaluatie verkreeg Birgitta D’Exelle weliswaar een beoordeling ‘zeer goed’, doch in het evaluatieverslag wordt opgemerkt dat haar ‘mondelinge uitdrukkingsvaardigheid’ nog kan verbeterd worden ‘in de zin van meer helderheid, bondigheid, structuur in de gedachten en de redenering’. Ook wordt vermeld dat zij ‘minder bevangen dient te staan ten aanzien van omvangrijke en complexe dossiers en haar stressbestendigheid nog dient te vergroten’. Als eerstelijnsrechter en alleenzetelend rechter dient een politierechter deze competenties juist in hoge mate te bezitten. Uit de adviezen blijkt dat Luc Borin wel in hoge mate over deze competenties beschikt. Kathleen Stinckens heeft als advocaat aan de balie, gespecialiseerd in aansprakelijkheidsrecht, verzekeringsrecht en verkeersrecht, en als substituut- procureur des Konings verbonden aan de verkeerssectie van het parket, waarover zij recent de verantwoordelijkheid kreeg, een grondige kennis en ervaring verworven in de voor een politierechter relevante juridische materies. Ook haar relevante beroepservaring van 12 jaar weegt niet op tegen de veel langere relevante beroepservaring van Luc Borin. Luc Borin onderscheidt zich daarenboven van Kathleen Stinckens door het feit dat hij ervaring heeft met het zetelen als alleenzetelend rechter en met het opstellen van vonnissen. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat Luc Borin de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor de vacante plaats van rechter in de politierechtbank van Leuven”. 1.
  9. Aangezien de Koning binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van de voordracht geen beslissing neemt, zenden verzoeker en de benoemingscommissie, respectievelijk op 10 en 11 januari 2005, overeenkomstig artikel 259ter, § 5, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een aanmaning aan de Koning om alsnog een beslissing te nemen. 1.
  10. Bij koninklijk besluit van 18 januari 2005 wordt de voordracht van verzoeker geweigerd. Dit besluit, waarvan verzoeker de schorsing en de nietigverklaring vordert in de zaak A.460.428/IX-4822, luidt als volgt : “(...) Overwegende dat niettegenstaande het niet aan de Koning toekomt om zijn mening aangaande de bekwaamheid en de geschiktheid van de voorgedragen kandidaat gewoon in de plaats te stellen van die van de Benoemingscommissie, IX-4822-4/14 sluit dit niet uit dat in deze kan vastgesteld worden dat de afweging van de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten niet correct is gebeurd; Overwegende dat deze afweging van titels en verdiensten werd doorgevoerd op grond van een vergelijking waarin, op selectieve wijze, gebruik wordt gemaakt van gedeelten van de adviezen en documenten die ter beschikking waren van de Benoemingscommissie. Overwegende dat ondermeer uitvoerig verwezen wordt naar de evaluatierapporten -opgemaakt in het verleden- die voorhanden zijn voor meerdere niet voorgedragen kandidaten die reeds werkzaam zijn als magistraat; dat echter een dergelijk evaluatierapport niet voorhanden is met betrekking tot de voorgedragen kandidaat die enkel als plaatsvervangend magistraat actief is; Overwegende dat zodoende een zekere ongelijkheid tussen de kandidaten wordt gecreëerd vermits de afwezigheid van een evaluatierapport ontegensprekelijk de eventuele aanwezigheid van minpunten maskeert; Overwegende dat bovendien, bij het nemen van kritieken uit deze evaluatierapporten, volledig voorbijgegaan wordt aan de adviezen (ondermeer deze van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven) waarin de actuele toestand van de kandidaten wordt beschreven en waardoor een veel genuanceerder beeld ontstaat; Overwegende bovendien dat, met betrekking tot de voorgedragen kandidaat, aan deze bepaalde verdiensten worden toegeschreven zonder dat deze een objectieve steun vinden in zijn dossier; Overwegende dat in dat verband ondermeer gewezen wordt op zijn voortdurende vorming en bijscholing terwijl het bestaan hiervan enkel terug te vinden is in het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (die verwijst naar gegevens die zouden blijken uit een dossier dat echter niet vermeld wordt in zijn bronnenlijst), terwijl enerzijds het eigen CV van de kandidaat hierover zwijgt en anderzijds het ontbreken van enig bewijs van nascholing expliciet wordt opgenomen in het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven; Overwegende daarentegen dat andere kandidaten, met gunstige dezelfde adviezen als betrokkene, een aanzienlijk aantal relevante opleidingen, cursussen en vormingen volgden; Overwegende dat de Benoemingscommissie zich, bij de voordracht, eveneens zwaar gesteund heeft op de lange periode waarin de voorgedragen kandidaat het statuut van plaatsvervangend politierechter bezit; Overwegende echter dat bij de voordracht van onvoldoende afweging is gebeurd van deze kwaliteit met de effectieve en dagdagelijkse ervaring die andere kandidaten, die effectief het ambt van magistraat uitoefenen, hebben verworven; Overwegende dat de voordracht van de heer Borin Luc derhalve dient te worden geweigerd”. 1.
  11. Op 25 januari 2005 beslist de benoemingscommissie, ditmaal unaniem, verzoeker opnieuw voor te dragen. Die voordracht is vrijwel identiek gemotiveerd als de eerste voordracht van 19 oktober
  12. Hij bevat enkel de volgende toevoeging : “Aangezien artikel 259ter, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat, met uitzondering van de gerechtelijk stagiairs, de kandidaten uiterlijk op de honderdste dag dienen te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. Iedere andere interpretatie van deze bepaling houdt in dat het moment dat een kandidaat dient te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden arbitrair door de IX-4822-5/14 Koning kan worden bepaald, en houdt aldus een aantasting van de rechtszekerheid in zich. Aangezien Luc Borin vóór 1 oktober 1993 werd benoemd tot plaatsvervangend rechter wordt hij, in toepassing van artikel 21, tweede lid , van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het gerechtelijk wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten, geacht te zijn geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid”. 1.
  13. Bij koninklijk besluit van 28 februari 2005 wordt de tweede voordracht van verzoeker eveneens geweigerd. De motivering ervan verschilt niet wezenlijk van die van het eerste weigeringsbesluit van 18 januari
  14. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 21 maart 2005 bij de Raad van State het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing A 161.015/IX- 4834 ingesteld;
  15. Overwegende dat ten gevolge van het eerste bestreden koninklijk besluit tot weigering van de voordracht van verzoeker voor het vacante ambt van politierechter, de benoemingscommissie verzoeker opnieuw heeft voorgedragen voor dat ambt; dat die tweede voordracht van verzoeker en de hernieuwde weigering ervan een gevolg zijn van de eerste weigering; dat zoals vermeld de motivering van de voordrachten en van de weigeringsbesluiten vrijwel identiek is; dat dezelfde middelen en hetzelfde moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aangevoerd; dat de zaken A. 160.428/IX-4822 en 161.015/IX-4834 derhalve verknocht zijn; dat het in het belang van een goede rechtsbedeling past ze samen te voegen;
  16. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  17. Overwegende dat verzoeker in de beide zaken als eerste middel de schending aanvoert van artikel 151 van de Grondwet, van artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek, van de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel en van de regels van goed bestuur; dat hij in een eerste onderdeel van het middel betoogt dat, ofschoon in de bestreden besluiten erkend wordt dat het de Koning niet toekomt om zijn mening aangaande IX-4822-6/14 de bekwaamheid en de geschiktheid van de voorgedragen kandidaat gewoon in de plaats te stellen van die van de benoemingscommissie, de bestreden beslissing in wezen een pleidooi vormt om een andere kandidaat, Birgitta D’EXELLE, te benoemen; dat verzoeker in een tweede onderdeel stelt dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt waarin of waardoor de benoemingscommissie “op selectieve wijze” gebruik maakt van “gedeelten van adviezen en documenten”: dat het selecteren van wat belangrijk en wat bijkomstig is, bovendien tot de taak van de benoemingscommissie behoort en dat “een zekere ongelijkheid tussen de kandidaten wordt gecreëerd door de afwezigheid van een evaluatierapport”, niet aan de benoemingscommissie kan worden verweten, maar een gevolg is van het feit dat niet voorzien is in evaluatierapporten voor advocaten en plaatsvervangende magistraten; dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat, waar gesteld wordt dat een veel genuanceerder beeld zou zijn ontstaan indien de benoemingscommissie rekening had gehouden met de adviezen waarin de actuele toestand van de kandidaten wordt beschreven, de Koning een appreciatie geeft die aan de benoemingscommissie toekomt; dat hij in het vierde onderdeel betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte suggereert dat verzoeker geen bijscholing zou hebben gevolgd, althans dat daarvan geen overtuigende indicaties voorliggen, terwijl het advies van de stafhouder verwijst naar het dossier permanente vorming van verzoeker waaruit “een zeer ruime interesse voor de opleiding blijkt”; dat verzoekers vijfde onderdeel ten slotte luidt dat waar het bestreden besluit stelt dat verzoekers ervaring als plaatsvervangend rechter onvoldoende afgewogen werd met de effectieve en dagdagelijkse ervaring die andere kandidaten, welke effectief het ambt van magistraat uitoefenen, hebben verworven, uit de voordracht van de benoemingscommissie evenwel blijkt dat de veel langere ervaring van verzoeker wordt gerelateerd aan zijn 28 jaar ervaring als advocaat, gespecialiseerd in verkeersrecht, verzekeringsrecht en aansprakelijkheidsrecht, en aan zijn ervaring als plaatsvervangend politierechter gedurende 26 jaar; 4.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Koning niet verplicht is de door de benoemingscommissie voorgedragen kandidaat te benoemen, dat Hij de voordracht bij een gemotiveerde beslissing kan weigeren indien hij oordeelt dat de benoemingscommissie de titels en verdiensten van de kandidaten niet correct heeft afgewogen en dat in dezen de Koning terecht tot het besluit is gekomen dat uit de voordracht en de daarin vervatte afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten door de benoemingscommissie onvoldoende blijkt waarom zij van oordeel was dat verzoeker de meest geschikte kandidaat is; dat zij IX-4822-7/14 erop wijst dat een aantal andere criteria konden worden aangehaald die terzake even goed tot een andere voordracht hadden kunnen leiden; 4.3.
  18. Overwegende dat luidens artikel 151, § 4, van de Grondwet, de rechters in de rechtbanken door de Koning benoemd worden op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, bij een tweederde meerderheid overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid; dat deze voordracht enkel kan worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering; dat, zoals het systeem door de Grondwet zelf is geconcipieerd, het blijk geeft van de bedoeling om de verantwoordelijkheid voor de benoeming van de rechters en andere leden van de magistratuur grotendeels in handen te geven van een bij de Grondwet ingesteld orgaan dat paritair samengesteld is uit leden van de rechterlijke macht en leden aangewezen door de wetgevende macht en dat aan de uitvoerende macht enkel nog een corrigerende rol wordt toebedeeld, in die zin dat de Koning tweemaal kan weigeren de enige voorgedragen kandidaat te benoemen en om een nieuwe voordracht kan vragen; dat dan ook prima facie moet worden besloten dat het de Koning niet toekomt zijn mening aangaande de bekwaamheid en de geschiktheid van de voorgedragen kandidaat gewoon in de plaats te stellen van die van de benoemingscommissie; dat Hij weliswaar de mening toegedaan kan zijn dat de enige voorgedragen kandidaat niet de bekwaamste of meest geschikte is, doch het niet de bedoeling kan zijn dat daarover een polemiek wordt gevoerd en andere gegevens erbij betrokken worden dan die welke de commissie diende te beoordelen; dat het in principe de commissie toekomt de titels en verdiensten tegen elkaar af te wegen; 4.3.
  19. Overwegende dat de bestreden koninklijke besluiten de voordracht van verzoeker weigeren op grond van de vaststelling “dat de afweging van de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten niet correct is gebeurd”; dat een dergelijke weigeringsgrond zonder twijfel kan worden ingepast in de bevoegdheid waarover de Koning beschikt; dat het dan de vraag is of de in de bestreden besluiten aangevoerde redenen op afdoende wijze aantonen dat de titels en verdiensten van de kandidaten door de benoemingscommissie niet correct werden vergeleken, met andere woorden, of de Koning zijn mening aangaande de bekwaamheid en de geschiktheid van de voorgedragen kandidaat niet gewoon in de plaats heeft gesteld van die van de benoemingscommissie; dat in dezen de aangevoerde weigeringsgronden betrekking hebben op het op selectieve en ongelijke wijze gebruik IX-4822-8/14 maken van dossierstukken, de beoordeling van de vorming en de bijscholing van de kandidaten, en het ontbreken van een afweging van verzoekers ervaring als plaatsvervangend politierechter met de ervaring van de andere kandidaten die het ambt van magistraat uitoefenen; 4.3.3.
  20. Overwegende dat in de voordracht van de benoemingscommissie, wat de vergelijking van verzoeker en Birgitta D’EXELLE betreft, vooreerst melding wordt gemaakt van het feit dat laatstgenoemde in het kader van de periodieke evaluatie weliswaar een beoordeling “zeer goed” verkreeg, doch dat in het evaluatieverslag wordt opgemerkt dat haar “mondelinge uitdrukkingsvaardigheid” nog verbeterd kan worden “in de zin van meer helderheid, bondigheid, structuur in de gedachten en de redenering” en dat zij “minder bevangen dient te staan ten aanzien van omvangrijke en complexe dossiers en haar stressbestendigheid nog dient te vergroten”; dat de benoemingscommissie hierbij opmerkt dat een politierechter als eerstelijnsrechter en alleenzetelend rechter deze competenties in hoge mate dient te bezitten en dat uit de adviezen blijkt dat Luc BORIN wel in hoge mate over deze competenties beschikt; dat de bestreden besluiten dienaangaande stellen dat de benoemingscommissie aldus op selectieve wijze gebruik maakt van de adviezen en documenten die haar ter beschikking stonden, dat een dergelijk evaluatierapport niet voorhanden is met betrekking tot de voorgedragen kandidaat die enkel als plaatsvervangend magistraat actief is, dat zodoende een zekere ongelijkheid tussen de kandidaten wordt gecreëerd vermits de afwezigheid van een evaluatierapport ontegensprekelijk de eventuele aanwezigheid van minpunten maskeert en dat bovendien bij het overnemen van kritieken uit deze evaluatierapporten volledig voorbijgegaan wordt aan de adviezen -onder meer die van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven- waarin de actuele toestand van de kandidaten wordt beschreven en waardoor een genuanceerder beeld ontstaat; Overwegende dat voor zover aan de benoemingscommissie verweten wordt dat bij de beoordeling van een niet voorgedragen kandidaat gebruik gemaakt werd van een evaluatieverslag, terwijl er over verzoeker als plaatsvervangend magistraat geen evaluatieverslag voorhanden is, vastgesteld dient te worden dat voor het ambt van rechter in de politierechtbank kandidaten met een verschillend beroepsverleden in aanmerking komen en dat, bijgevolg, het benoemingsdossier van de kandidaten niet noodzakelijk op identieke wijze is samengesteld; dat meer bepaald, wat de niet uit de magistratuur afkomstige kandidaten betreft, er geen evaluatiedossier bestaat; dat zulks het de IX-4822-9/14 benoemingscommissie evenwel niet onmogelijk maakt, en zij overigens daartoe verplicht is, om zich op basis van de wettelijk voorgeschreven adviezen en verslagen een beeld te vormen van de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaten; dat op dat stuk de benoemingscommissie dan ook een vergelijking heeft gemaakt door voor wat verzoeker betreft te verwijzen naar het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen volgens welk hij “conclusies maakt die goed zijn verwoord”, dat hij als rechter en als advocaat “zijn besluitvaardigheid heeft bewezen” en dat hij “stressbestendig” is, zodat, waar daarentegen het evaluatieverslag over Birgitta D’EXELLE minder gunstige vermeldingen bevat, de benoemingscommissie kon oordelen dat verzoeker “wel in hoge mate over deze competenties beschikt”; dat overigens moet worden vastgesteld dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zoals wettelijk is voorgeschreven, het evaluatieverslag van Birgitta D’EXELLE als bijlage bij zijn advies heeft gevoegd en dat verslag nergens in de adviezen wordt tegengesproken; dat het verwijt dat de benoemingscommissie “op selectieve wijze” van de dossierstukken heeft gebruik gemaakt en dat zij onvoldoende met “de actuele toestand” van de kandidaten rekening zou hebben gehouden, derhalve niet gegrond lijkt; dat de benoemingscommissie in redelijkheid op grond van dit en andere gegevens kon oordelen dat verzoeker betere aanspraken kon doen gelden dan Birgitta D'EXELLE; dat zij wellicht, eveneens in redelijkheid, tot een andere conclusie had kunnen komen door relatief minder belang te hechten aan het bedoelde minder gunstig aspect van de evaluatie, maar de Koning, door dat zelf te doen, zijn mening daarover in de plaats stelt van die van de benoemingscommissie; 4.3.3.
  21. Overwegende dat de bestreden besluiten de voordracht van verzoeker eveneens weigeren omdat, met betrekking tot de voorgedragen kandidaat, aan deze bepaalde verdiensten worden toegeschreven zonder dat ze een objectieve steun vinden in zijn dossier; dat hierbij wordt verduidelijkt dat in verzoekers curriculum vitae geen melding wordt gemaakt van het volgen van bijscholing en in het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven het ontbreken van enig bewijs van nascholing expliciet vermeld wordt; dat daartegen staat dat volgens het advies van de vertegenwoordiger van de balie te Antwerpen uit het dossier permanente vorming blijkt dat verzoeker “een zeer ruime interesse voor opleiding” heeft; dat de bewering als zouden aan verzoeker “bepaalde verdiensten worden toegeschreven zonder dat deze een objectieve steun vinden in zijn dossier”, misschien niet helemaal onterecht is, in zoverre geen concrete gegevens met betrekking tot die interesse waren voorgelegd; dat dit gegeven echter niet als zo IX-4822-10/14 doorslaggevend kan worden beschouwd dat de Koning, om daarop een weigeringsbesluit te baseren, geen nadere informatie had moeten inwinnen; 4.3.3.
  22. Overwegende dat de bestreden besluiten de voordracht van verzoeker tenslotte weigeren op grond van het argument dat de benoemingscommissie zwaar gesteund heeft op de lange periode waarin de voorgedragen kandidaat het statuut van plaatsvervangende politierechter bezit, terwijl bij de voordracht een onvoldoende afweging is gebeurd van deze kwaliteit met de effectieve en dagdagelijkse ervaring welke andere kandidaten, die effectief het ambt van magistraat uitoefenen, hebben verworven; dat de verwerende partij er daarbij van uitgaat dat de benoemingscommissie uitsluitend de duur van verzoekers ervaring als plaatsvervangend politierechter in aanmerking heeft genomen; dat wat dat betreft de benoemingscommissie echter benadrukt dat verzoeker een veel langere ervaring heeft in de materies die tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoren en dat hij die ervaring niet enkel heeft opgedaan als plaatsvervangend rechter in de politierechtbank te Antwerpen, maar ook, gedurende 28 jaar, als advocaat, gespecialiseerd in verkeersrecht en verzekeringsrecht; dat de bestreden besluiten hieraan voorbijgaan; dat uit de voordracht ook blijkt dat de benoemingscommissie met de aard van de ervaring als plaatsvervangend rechter, met name dat het gaat om ervaring als “eerstelijnsrechter”, en als “alleenzetelend rechter” rekening heeft gehouden, en zij de ervaring van verzoeker desbetreffend als relevanter heeft beoordeeld; 4.3.
  23. Overwegende dat moet worden besloten dat de verwerende partij op het eerste gezicht ten onrechte geoordeeld heeft dat de benoemingscommissie de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaten niet correct heeft afgewogen; dat verzoeker terecht stelt dat zij zich in de plaats van de benoemingscommissie heeft gesteld bij de beoordeling van de kandidaten; dat het eerste middel derhalve, wat het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel betreft, ernstig is; 5.
  24. Overwegende wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker onder meer stelt dat hij, gezien zijn leeftijd van 57 en een half jaar, een laatste kans op benoeming dreigt te verliezen, ook rekening houdende met het feit dat ingevolge artikel 4 b) van de wet van 9 juli 1997 de duur tijdens welke de plaatsvervangende rechters die, zoals verzoeker, vóór 1 oktober 1993 zijn benoemd, geacht worden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid te zijn geslaagd, beperkt is tot 7 jaar; IX-4822-11/14 5.
  25. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker thans voor de eerste maal kandideert en op het betrokken tijdstip de overgangsperiode van zeven jaar reeds bijna was verlopen, dat hij ook nog steeds een examen inzake beroepsbekwaamheid kan instellen waarvoor hij waarschijnlijk zal slagen en hij nog niet te oud is om nogmaals te solliciteren; dat zij ter terechtzitting wijst op de recente wet van 7 april 2005 welke een artikel 187bis heeft ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek, volgens welk eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, vrijgesteld wordt van het examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 187 bedoelde benoeming, mits aan bepaalde voorwaarden -mondeling evaluatie-examen en gunstig advies van de benoemingscommissie-is voldaan; 5.
  26. Overwegende dat verzoeker vóór 1 oktober 1993 werd benoemd tot plaatsvervangend rechter ; dat hij in toepassing van artikel 21, tweede lid, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten, dan ook geacht werd te zijn geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid; dat overeenkomstig artikel 4 b) van de wet van 9 juli 1997 tot wijziging van de artikelen 259bis van het Gerechtelijk Wetboek en 21 van de wet van 18 juli 1991, de duur van die overgangsmaatregel evenwel werd beperkt tot zeven jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van die wet; dat bij een nieuwe benoemingsprocedure verzoeker derhalve niet meer voor het ambt van rechter in de politierechtbank zou kunnen meedingen; dat dit nu reeds het geval is voor de betrokken vacature aangezien artikel 259ter, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft dat, ingeval de voordracht van de benoemingscommissie door de Koning tweemaal wordt geweigerd, een nieuwe oproep tot de kandidaten wordt gedaan; Overwegende dat verzoeker weliswaar aan het examen inzake beroepsbekwaamheid zou kunnen deelnemen, doch er niet in te zien valt waarom hij opnieuw zijn beroepsbekwaamheid zou moeten bewijzen nu hij door de benoemingscommissie als meest bekwame en geschikte kandidaat werd voorgedragen en de verwerende partij blijkbaar geen rechtsgeldige redenen heeft om die voordracht te weigeren; dat hoe dan ook een slagen voor het beroepsbekwaamheidsexamen uitgesloten is vooraleer het betrokken ambt van politierechter opnieuw begeven zal IX-4822-12/14 worden; dat dezelfde redenering geldt voor de toepassing van het nieuwe artikel 187bis van het Gerechtelijk Wetboek, hetwelk overigens nog niet in werking is getreden; dat aan verzoeker niet kan worden verweten dat hij voor de eerste maal gekandideerd heeft na een maximale ervaring te hebben opgedaan en terwijl de overgangsmaatregel nog liep; dat aan de voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel eveneens is voldaan, BESLUIT: Artikel
  27. De zaken nrs. A. 160.428/IX-4822 en 161.015/IX-4834 worden gevoegd. Artikel
  28. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van : - het koninklijk besluit van 18 januari 2005 waarbij de voordracht van verzoeker voor het ambt van rechter in de politierechtbank te Leuven, gedaan door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 19 oktober 2004, een eerste maal wordt geweigerd; - het koninklijk besluit van 28 februari 2005 waarbij de voordracht van verzoeker voor het ambt van rechter in de politierechtbank te Leuven, gedaan door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 25 januari 2005, voor de tweede maal wordt geweigerd. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Artikel
  30. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. IX-4822-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4822-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.