id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.452 Rolnummer: A. 163042/XIV-22703 Zaak: Arrest 145452 - - 06/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 17:09 Fiche Arrest nr 145.452 van 6 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.452 van 6 juni 2005 in de zaak A. 163.042/XIV-22.703. In zake : XXX, verblijvend in S. hebbende als raadsvrouw Advocaat M. KAÇAR, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX geboren op 15 november 1977 en van Turkse nationaliteit, per fax op vrijdag 3 juni 2005 om 10.30 uur heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 juni 2005, aan verzoekende partij op dezelfde dag ter kennis gebracht, waardoor de “aanvraag tot regularisatie van verblijf in bijzondere situaties overeenkomstig artikel 9.3. Vreemdelingen- wet en (
- de)omzendbrief van 15 december 1998 (...),” onontvankelijk werd verklaard; Gelet op de beschikking van 3 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier; Gelet op de beschikking van vrijdag 3 juni 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op vrijdag 3 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-22.703-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die loco Advocaat M. KAÇAR verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.1. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, het onbetwistbaar vaststaat dat verzoeker niet alert, noch diligent heeft gehandeld, vermits hij een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid per fax indient op vrijdag 3 juni 2005 om 10.30 uur tegen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van woensdag 1 juni 2005, met de omstandigheid dat verzoeker opgesloten zat in het gesloten centrum van Steenokkerzeel en dat hij wist dat de repatriëring voorzien was op vrijdag 3 juni 2005 om 11.15 uur, wat expliciet blijkt uit punt IV van zijn verzoekschrift ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat de geadieerde rechter de zaak van verzoeker niet kon behandelen vóór zijn repatriëring, uitsluitend te wijten is aan verzoeker; dat zelfs, mocht het indienen van een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid een schorsend effect hebben, dat schorsend effect in casu niet dienstig is, omdat het verzoekschrift werd ingediend op een tijdstip, waarop alle formaliteiten waren vervuld om de repatriëring naar Turkije te laten doorgaan en omdat, wanneer een vreemdeling die gerepatrieerd wordt zich op het vliegtuig bevindt, de verantwoordelijkheid voor de passagiers uitsluitend berust bij de boordcomman- dant, zodat de Raad van State op dat ogenblik zijn rechtsmacht verliest; dat uit wat voorafgaat blijkt dat het verzoekschrift laattijdig werd ingediend; Overwegende dat de gevestigde administratieve praktijk om de repatriëring uit te stellen, wanneer de verwerende partij tijdig wordt ingelicht van een aanhangig gemaakte procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, inzake niet kon worden toegepast; dat dit blijkt uit de inhoud van het verslag van 3 juni 2005 van de Dienst XIV-22.703-2/5 Vreemdelingenzaken, dat aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen en waarvan de inhoud als volgt luidt: “(
- x)verzoeker zal op 03.06.2005 om 11h15 worden gerepatrieerd met bestemming Istanboel. 10.45: telefoon van griffier A. Desmet waarbij wij op de hoogte worden gebracht van binnenkomende procedure 10.50: verzoekschrift wordt ons per fax officieel ter kennis gebracht 10.51: contact met uitvoeringsbureau C 10.51: contact met cel repatriëringen van de Luchthaven Zaventem Er wordt meegedeeld dat betrokkene al in het vliegtuig heeft plaatsgenomen. Doch er zal worden overlegd met hiërarchisch meerdere en bureau beroepen zal worden teruggebeld 10.58: telefoon van Cel repatriëringen Zaventem; de vlucht vertrekt binnen de 15 minuten en persoon kan niet meer van het vliegtuig worden gehaald 11.02: griffier A. Desmet werd hiervan telefonisch op de hoogte gebracht.” Overwegende dat de Advocaat van verzoeker tijdig het verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid had kunnen indienen, vermits de bestreden beslissing dateert van woensdag 1 juni 2005 en de repatriëring pas werd gepland op vrijdag 3 juni 2005 om 11.15 uur; dat het een feit van algemene bekendheid is dat de magistraten met dienst van de Raad van State in het Vreemdelingencontentieux dag en nacht klaarstaan om de verzoekschriften bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij voorrang te behandelen, om aldus een effectieve toegang tot de rechter te garanderen, vóór de effectieve tenuitvoerlegging van de geplande uitvoeringsmaatregel door de verwerende partij; Overwegende dat tenslotte uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker reeds van 13 april 2005 wist dat hij het voorwerp kon uitmaken van een gedwongen uitvoeringsmaatregel, vermits hem op die datum een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 29 maart 2005 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken werd ter kennis gebracht en hij op basis van dit bevel uiterlijk op 27 april 2005 het grondgebied van het Rijk diende te verlaten; dat niet wordt betwist dat dit bevel inmiddels definitief is geworden en op elk ogenblik kon worden uitgevoerd; dat bijgevolg niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; 1.2. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker het volgende aanvoert: “(...)Verzoeker heeft in zijn verzoek tot machtiging op basis van art. 9,3 Vreemdelingenwet zijn aanvraag in België gemotiveerd dat hij een legaal verblijf heeft ten tijde van zijn aanvraag. Overeenkomstig de Ministeriële Omzendbrief van 17 februari 2003 worden de in artikel 9.3 van de Wet van 15.12.1980 gestelde bijzondere voorwaarden geacht voldaan te zijn, wanneer de betrokkene legaal in het land verblijft. Doch geeft de beslissing hierop geen motivering. Aangezien verzoeker bij zijn aanvraag een legaal verblijf had, is hij voldaan aan de Ministeriële Omzendbri(e)f. Verzoeker is ervan overtuigd dat Dienst Vreemdelingenzaken gebrekkig gemotiveerd heeft. Doch (be)antwoord(
- t)de Dienst Vreemdelingenzaken niet dit element van zijn aanvraag.” XIV-22.703-3/5 Overwegende dat dit middel op het eerste gezicht uitgaat van een miskenning van de bewijskracht der stukken van het administratief dossier; dat immers feitelijk vaststaat dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 maart 2005, op 13 april 2005 aan verzoeker ter kennis gebracht, niet werd aangevochten voor de Raad van State, zodat het bevel definitief is en op elk ogenblik kan en kon worden uitgevoerd door de verwerende partij, los van de thans bestreden beslissing, zodat verzoeker zelfs niet getuigt van het rechtens vereiste actueel belang om huidige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen; dat bovendien uit het bevel van 29 maart 2005 blijkt dat verzoeker de Belgische openbare orde heeft geschaad, omdat hij op 26 juli 2000 huwde met een Belgische onderdane, met als enige bedoeling om zijn verblijfstoestand te regulariseren; dat uit dezelfde beslissing blijkt dat dit huwelijk op 3 februari 2005 door de bevoegde rechtbank werd vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk en dat het beschikkend gedeelte van het vonnis houdende nietigverklaring, werd overgeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand op 9 maart 2005; dat rechtens vaststaat dat verzoeker op dit ogenblik geen hoger beroep meer kan instellen tegen voornoemd vonnis, omdat inmiddels de beroepstermijn is verstreken, zodat verzoeker minstens vanaf 9 maart 2005 onwettig in het Rijk verblijft, wat tevens blijkt uit het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken op 29 maart 2005 de Burgemeester van de Stad Gent verzoekt om de verblijfskaart voor vreemdelingen van verzoeker met nr. N.Z.Y. 311870 (gele kaart) geldig tot 4 maart 2007, in te trekken (cfr. stuk nr. 19 van het administratief dossier); Overwegende dat het middel van verzoeker bijgevolg uitgaat van foutieve premissen, omdat hij reeds illegaal in het land verbleef op 27 april 2005, datum waarop hij het verzoekschrift op basis van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indiende, en hij bijgevolg de schending van de Ministeriële Omzendbrieven van 15 december 1998 en van 17 februari 2003 niet dienstig kan inroepen; dat de bestreden beslissing bijgevolg op dit punt niet diende gemotiveerd te worden, gelet op de illegale verblijfstoestand van verzoeker; dat bijgevolg het enig middel van verzoeker niet ernstig is en dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.3. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoeker aanvoert, onbestaande is, vermits het vonnis van 3 februari 2005 waardoor het huwelijk van verzoeker wordt vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk, inmiddels in kracht van gewijsde is getreden en bijgevolg niet meer kan worden aangevochten; dat bijgevolg niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, XIV-22.703-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-22.703-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div