id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.508 Rolnummer: A. 158132/XII-4319 Zaak: Arrest 145508 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:18 Fiche Arrest nr 145.508 van 7 juni 2005 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.508 van 7 juni 2005 in de zaak A. 158.132/XII-
- In zake : Rita VAN DEN BERGH, wonende te Zoersel, Van der Graesenlaan 22 tegen :
- de VZW RAAD VOOR INSPECTIE EN BEGELEIDING NIET-CONFESSIONELE ZEDENLEER,
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 3 - Agora. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rita Van Den Bergh op 6 december 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “-[d]e beslissing van de Raad van Bestuur van de R.I.B.Z. van 15 september 2004 [waarbij het] vroeger standpunt [behouden blijft] de beslissing van [...] inspecteur-adviseur [R. JONCRET wordt onderschreven] met name dat de voordracht van verzoekster tot aanstelling voor het schooljaar 2003-2004 en/of schooljaar 2004-2005 wordt ingetrokken en derhalve de beslissingen om verzoekster voor de betrokken ambten en betrokken schooljaren niet voor te dragen; - [d]e beslissing van 17 juni 2003 van de inspecteur-adviseur niet-confessione- le zedenleer Robert JONCRET waarbij de voordracht tot aanstelling van verzoekster tot leermeester niet-confessionele zedenleer wordt ingetrokken; - [d]e beslissing sine dato van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, meer bepaald de beslissing van de Algemeen Directeur van de scholengroep AGORA III van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, waartoe de B.S. 'Klim Op' te Zoersel behoort, om verzoekster niet aan te stellen als leermeester niet-confessionele Zedenleer voor 8u, voor het schooljaar 2003-2004 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats; - [d]e beslissing sine dato van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, meer bepaald de beslissing van de Algemeen Directeur van de scholengroep AGORA III van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, waartoe de B.S. 'Klim XII-4319-1/7 Op' te Zoersel behoort, om verzoekster niet aan te stellen als leermeester niet-confessionele zedenleer voor 8 u, voor het schooljaar 2004-2005 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats.”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Maenhout, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eens luidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoekster gedurende de schooljaren 2000-2001 tot 2002-2003 voor acht uur is aangesteld als leermeester niet-confessionele zedenleer aan de basisschool “Klim Op” te Zoersel; dat de inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer, na twee inspectiebezoeken in de loop van de maand mei 2003, aan verzoekster een eindbeoordeling “onvoldoende” geeft en stelt dat zij mag blijven XII-4319-2/7 fungeren tot 30 juni 2003; dat hij in zijn verslag nog schrijft: “Naar volgend schooljaar toe geef ik haar de raad om naar een ander ambt of naar een ander beroep uit te kijken”; dat verzoekster zich op 4 juni 2003, zonder verdere opgave van redenen, niet akkoord verklaart met deze beoordeling; Overwegende dat verzoekster het vervolg van de feiten aldus weergeeft: zij “vernam dan niets meer, doch werd niet aangesteld als leermeester niet- confessionele zedenleer voor het schooljaar 2003-2004; ondanks haar aanvraag van 29 april 2003 [voor een tijdelijke aanstelling], werd enige beslissing haar daaromtrent niet meegedeeld”, voor het schooljaar 2004-2005 heeft zij “opnieuw een aanvraag tot aanstelling ingediend en opnieuw werd haar geen enkele beslissing meegedeeld; wel heeft zij begin september 2004 contact opgenomen met de R.I.B.Z. die haar met de aangehaalde gewone brief van 5 oktober 2004 laconiek lieten weten dat er geen reden was om de inhoud van een brief van 17 juni 2003, die verzoekster tot dan onbekend was, vanwege de inspecteur-adviseur aan de algemeen directeur van de scholengroep te herroepen”;
- Overwegende dat de eerste verwerende partij opwerpt dat de Raad van State enkel kennis mag nemen van het beroep, voor zover het is gericht tegen de derde en de vierde bestreden beslissing, welke uitgaan van de tweede verwerende partij; dat zij vraagt, zo de Raad van State van oordeel zou zijn dat op haar beslissingen “wel een inhoudelijke rechterlijke controle zou kunnen worden doorgevoerd”, aan het Arbitragehof prejudiciële vragen zouden worden voorgelegd betreffende de overeenstemming van het -in die zin geïnterpreteerde- artikel 5 van het inspectiedecreet van 1 december 1993 met de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet; dat zij in ondergeschikte orde opwerpt dat de eerste bestreden beslissing een louter bevestigende beslissing is en dat de vordering tegen de tweede bestreden beslissing manifest laattijdig is; XII-4319-3/7 Overwegende dat niet wordt betwist dat de Raad van State hoe dan ook kennis mag nemen van de vordering, weze het misschien enkel voor wat betreft de beslissingen uitgaande van de tweede verwerende partij; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de eerste verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; dat het om redenen van proces-economie dienvolgens overbodig blijkt de rechtsmacht van de Raad van State ten aanzien van de eerste twee bestreden beslissingen thans reeds te onderzoeken en, in voorkomend geval, tot prejudiciële vraagstellingen te besluiten; dat een dergelijk onderzoek eerst zinvol wordt ingeval verzoekster om de voortzetting van de procedure vraagt;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift doet gelden : “Verzoekster is momenteel door de situatie werkloos en heeft als tijdelijk personeelslid bepaalde rechten die zij dient te vrijwaren wil zij in d[e] toekomst ooit nog in aanmerking kunnen en willen komen voor aanstelling als leermeester niet-confessionele zedenleer. Een beslissing volgens de gewone annulatieprocedure zou een moeilijk rechtsherstel veroorzaken omdat zij dan in de tussentijd geen aanstellingen zou kunnen bekomen, waardoor zij geen ervaring en anciënniteit kan opbouwen, en haar niet nader gekende collega, die met miskenning van alle kwalificaties, toch werd aangesteld, deze anciënniteit en ervaring wél kan opbouwen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook pertinent aanwezig in hoofde van verzoekster.”; XII-4319-4/7 Overwegende dat eerste verwerende partij repliceert dat verzoekster meer dan twee schooljaren heeft stilgezeten vooraleer de voorliggende vordering in te dienen en “ruim anderhalf jaar na deze feiten - plotseling een nadeel zou lijden dat niet kan hersteld worden”;
- Overwegende dat verzoekster ter terechtzitting verklaart dat de collega die in haar plaats werd aangesteld ondertussen weer is ontslagen, en dat momenteel niemand de lessen zedenleer zou geven; dat in dat geval de gevraagde schorsing -die enkel voor de toekomst uitwerking heeft- niet meer moet of kan dienen om verzoekster ervoor te behoeden dat bedoelde collega “anciënniteit en ervaring [...] kan opbouwen”; Overwegende dat verzoekster niet de minste duiding geeft omtrent de “bepaalde rechten” die zij als tijdelijk personeelslid “dient te vrijwaren”, zodat zij de Raad niet ervan overtuigt dat een eventueel later tussen te komen annulatie van de bestreden beslissingen niet zou kunnen volstaan om verzoekster, retro-actief, te herstellen in haar rechten als tijdelijk personeelslid; Overwegende dat het mislopen van een tijdelijke aanstelling over het algemeen en louter op zich, niet volstaat om een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel te onderbouwen; dat ten deze de aanstelling een opdracht van slechts acht uur omvat; dat verzoekster niet verduidelijkt wat gedurende de periode 2001-2003 haar beroepssituatie was voor het overige, en evenmin aantoont waarom zij thans niet in aanmerking zou komen voor andere aanstellingen in het onderwijs, waarvoor zij de erkenning van of voordracht door de eerste verwerende partij niet behoeven zou; dat ten slotte, maar vooral, verzoekster de ernst van het aangevoerde nadeel zelf volledig tegenspreekt door met het instellen van haar vordering tegen haar niet-aanstelling vanaf het schooljaar 2003-2004 te hebben gewacht tot 6 december 2004, wanneer reeds het eerste trimester van het daaropvolgende schooljaar 2004-2005 naar zijn einde liep; dat daarbij zonder belang is sinds wanneer verzoekster op de hoogte is gebracht van de eerste en de tweede bestreden beslissing; dat immers alleszins de negatieve beoordelingsverslagen van mei 2003 van de inspecteur haar niet onbekend waren en XII-4319-5/7 zij naar eigen verklaring op 29 april 2003 een aanvraag voor een nieuwe aanstelling heeft ingediend voor het schooljaar 2003-2004; dat, zelfs indien mag worden aangenomen dat haar geen enkele mededeling meer werd gedaan over het gevolg dat aan de negatieve beoordeling werd gegeven, of over het gevolg dat aan haar sollicitatie werd gegeven, zij toch minstens zelf gemerkt moet hebben dat van haar vanaf 1 september 2003 geen lessen meer werden verwacht en dat haar ook geen wedde meer werd uitbetaald; dat zij al veel eerder de juiste toedracht van een en ander had kunnen opsporen, maar blijkbaar verkoos zulks niet te doen; dat dienvolgens verzoeksters eigen treuzelen de negatie is van het ernstig karakter van het nadeel; Overwegende dat niet voldaan is aan een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4319-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4319-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.508 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.737 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.