id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.553 Rolnummer: A. 138033/VII-33804 Zaak: Arrest 145553 - - 07/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 17:20 Fiche Arrest nr 145.553 van 7 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.553 van 7 juni 2005 in de zaak A. 138.033/VII-33.804 In zake :
- XXX,
- XXX, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen XXX, XXX en XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. DE SMEDT, kantoor houdende te 2980 ZOERSEL, Langebaan 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen XXX, XXX en XXX, allen van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, op 18 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 20 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-33.804-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 april 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DE SMEDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De eerste verzoekende partij kwam België binnen op 20 december 1998 en verklaarde zich vluchteling op 21 december
- De tweede verzoekende partij kwam België binnen op 5 juli 1999 en verklaarde zich vluchteling op 7 juli
- 1.
- Op 12 januari 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 juni 2000 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. 1.
- Op 16 augustus 2000 dienden de verzoekende partijen bij de Raad van State tegen deze bevestigende beslissingen een beroep tot nietigverklaring alsmede een vordering tot schorsing in. Op 26 juli 2001 verwierp de Raad van State bij arrest nr. 97.984 de door de verzoekende partijen ingediende beroepen. VII-33.804-2/6 1.
- Op 25 september 2001 dienden de verzoekende partijen een eerste aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 11 maart 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 maart 2003 dienden de verzoekende partijen een tweede aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 8 mei 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt : “De eerste aanvraag tot regularisatie op basis van art.9.3 van de wet van 15/12/1980 werd reeds onontvankelijk verklaard op 11/03/
- Bij de tweede aanvraag dd. 28/03/2003 werden geen nieuwe elementen aangebracht, bijgevolg blijft de beslissing dd. 11/03/2003 gehandhaafd. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”;
- Overwegende dat er ambtshalve op dient te worden gewezen dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen op 25 september 2001 een eerste aanvraag indienden tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, en dat deze aanvraag op 11 maart 2003 door de Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk werd verklaard op grond van volgende redenen : “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd door het Commissariaat-Generaal op 30/06/2000 en op 04/07/2000 ter kennis gebracht. Bovendien heeft de asielprocedure van aanvragers niet uitzonderlijk lang geduurd. Het feit dat ze zich hebben aangepast aan onze levenswijze, zich geïntegreerd hebben, dat de kinderen naar school gaan en begrijpelijk Nederlands spreken, is geen uitzonderlijke omstandigheid om art.9.3 van de wet van 15/12/1980 in te dienen. Wat het medisch aspect van mevrouw betreft, moet worden vastgesteld dat uit de tegenexpertise van onze controle-arts blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar het land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegepast. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”; VII-33.804-3/6 dat verzoekers nalieten deze beslissing aan te vechten voor de Raad van State, zodat dient te worden vastgesteld dat deze beslissing heden definitief is geworden; Overwegende dat de verzoekende partijen op 28 maart 2003 een tweede aanvraag indienden tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat de elementen die de verzoekende partijen in hun tweede aanvraag aanvoeren als volgt luiden: “De heer XXX is in 1999 naar België gekomen nadat hij verjaagd werd door de Servische politie. De vrouw volgde later met de twee oudste kinderen nadat ze met de dood bedreigd waren en in erbarmelijke omstandigheden op de vlucht gingen. Er werd door hen asiel aangevraagd, maar dit werd hen niet toegekend, reden waarom op 25.09.2001 voor het eerst een aanvraag tot Regularisatie op grond van Bijzondere Omstandigheden werd ingediend dewelke eveneens werd geweigerd. Nochtans zijn er een aantal bijzondere omstandigheden waarop ik Uw aandacht wil vestigen. De gezinswoning is bijna volledig platgebrand en daar het gezin geen andere bezittingen heeft, noch van materiële, noch van financiële aard zal het gezin dakloos zijn bij een eventuele terugkeer. De situatie in Kosovo is momenteel zo dat ongeveer 70% van de bevolking werkloos is. Wegens gebrek aan degelijke infrastructuur of sociale voorzieningen ziet het er dan ook naar uit dat het haast onmogelijk is om terug iets op te bouwen zodat het gezin twee maal op vier jaar tijd haar woonst dreigt te verliezen. De situatie is dan ook, en dan nog vooral voor de kinderen, schrijnend. De kinderen gaan sinds 1 september 1999 naar de Gemeentelijke Basisschool te Zoersel en spreken bijgevolg ook Nederlands. Het jongste zoontje is zelfs geboren in België. De kinderen hebben hier hun vrienden, hun sociaal leven, hun thuis en zijn volledig geïntegreerd. Het is dan ook onmenswaardig dat door Uw diensten op 11.03.2003 werd beslist dat het gezin het land onmiddellijk dient te verlaten zodat per 01.04.2003 geen steun meer zal toegekend worden. Dit betekent dat de kinderen niet eens de mogelijkheid krijgen hun schooljaar af te maken. Een terugkeer zou voor de kinderen ook betekenen dat er voorlopig ook een einde komt aan hun opleiding. Ten eerste omdat het gezin de mogelijkheden niet zal hebben de gepaste opleiding te verschaffen en ten tweede ten gevolge van het manke opleidingssysteem in Kosovo. De uitwijzing van de familie XXX stuit ook op veel onbegrip en verzet van de lokale bevolking, die ook spontaan actie heeft ondernomen, mede ondersteund door de directeur van de Gemeentelijke Basisschool, om de aandacht te vestigen op de desastreuze toestand voor de drie kinderen indien deze effectief het land dienen te verlaten. Het onbegrip van de bevolking is mede het gevolg van het feit dat de Albanese Kosovaren zich volledig geïntegreerd hebben. Als laatste punt wil ik de aandacht vestigen op de dramatische psychische toestand van mevrouw XXX. Reeds in 2001 stelde dokter De Bruyn vast dat het vanuit humanitair standpunt onverantwoord zou zijn deze vrouw terug te sturen. Zowel de psychische als fysische gezondheid van mevrouw XXX blijkt problematisch te zijn. Deze situatie is nog steeds niet gewijzigd en sindsdien neemt mevrouw XXX nog steeds het medicijn Haldol. Zij is momenteel nog steeds in behandeling bij dokter Morreel te 2500 Lier. Mevrouw XXX werd blijkbaar sterk getraumatiseerd door de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in
- Haar terugsturen zou haar depressie enkel versterken en maakt de kans reëel dat ze psychotisch wordt wat de situatie m.b.t de kinderen alleen maar schrijnender maakt. VII-33.804-4/6 Ik zou U dan ook willen vragen om hun situatie, vooral in het belang van de kinderen te willen herzien en mede gelet op het feit dat zij zich reeds geïntegreerd hebben hen een verblijfsregeling toe te staan. Hen een verblijfsvergunning toekennen maakt het voor hen mogelijk dat ze kunnen gaan werken en zodoende hun kinderen de kans kunnen geven hun opleiding af te maken en de vrouw de gepaste medische zorgen te kunnen verschaffen, Volledigheidshalve wil ik er op wijzen dat andere familieleden destijds naar Canada zijn gevlucht alwaar zij reeds een verblijfsvergunning hebben gekregen.”; dat bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen zich in hun tweede aanvraag beperken tot het louter herhalen van de elementen die zij reeds in het kader van hun eerste aanvraag om machtiging tot verblijf hadden vermeld en die dan ook reeds werden beoordeeld in de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 2003; dat in de thans bestreden beslissing de Minister van Binnenlandse Zaken er zich toe beperkt zulks vast te stellen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken voor het overige uitdrukkelijk verwijst naar de op 11 maart 2003 genomen beslissing; Overwegende dat de thans bestreden beslissing dan ook dient te worden beschouwd als een louter bevestigende beslissing, die niet beantwoordt aan hetgeen is vereist luidens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en waartegen bijgevolg niet kan worden opgekomen door middel van het indienen van een annulatieberoep;
- Overwegende dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is; dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-33.804-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.804-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.