id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.558 Rolnummer: A. 110751/XIV-6725 Zaak: Arrest 145558 - - 07/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:20 Fiche Arrest nr 145.558 van 7 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.558 van 7 juni 2005 in de zaak A. 110.751/XIV-6725. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 mei 1983 en van XXX nationaliteit, op 25 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 114.391 van 13 januari 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6725-1/6 Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 mei 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 17 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 20 december 2000. 1.2. Op 4 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 31 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u on(t)vlucht bent, en waar volgens uw verklaring uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger van XXX origine, verliet uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen. In april 2000 werden u en uw vader door uw moeder verlaten. De reden hiervoor kent u niet. In juli 2000 hoorde u thuis toevallig een telefoongesprek van uw vader, een kolonel bij het XXX leger. Uw vader sprak met luide en geagiteerde stem over ‘geld’, ‘wapens’en ‘dozen’. Vermoedelijk in augustus 2000, u bent niet helemaal zeker van de juiste maand, kreeg uw vader een document per post. Hij preciseerde niet om wat voor document het ging, maar zei wel dat u misschien ‘alleen zou moeten verder leven’. Verder gaf hij geen uitleg. Uzelf sloeg geen acht op zijn uitspraak en vroeg niet om verduidelijking. Op XIV-6725-2/6 10 september 2000, toen u te voet van de colleges kwam, zag u een groep mensen voor uw woning staan. Er stond ook een politiewagen en een ambulance voor uw woning. Buren raadden u aan op een afstand van het gebeuren te blijven. U volgde hun raad niet op en ging toch kijken. U zag toen hoe het lichaam van uw vader in de ambulance werd geladen. Buren vertelden u dat hij voor het huis werd omvergereden en overleden was. De politie stelde u enkele vragen, maar daarna hoorde u niets meer van hen. U ging zelf nooit naar de politie om verduidelijking over uw vaders dood. U logeerde vervolgens een tijdje bij de buren aangezien u geen familie had (u wist niet waar uw moeder verbleef). Op 20 september kwamen er vier geüniformeerde mannen langs bij uw en uw vader’s woning. U was daar toen aanwezig. De mannen vroegen achter (
- om)‘geld’, ‘documenten’ en ‘dozen’. Ze kwamen niet binnen. Dezelfde dag kwamen ze terug en vroegen opnieuw hetzelfde. Ditmaal waren ze groffer en brutaler. Met een soort scanner doorzochten ze de woning maar vonden niets. Alvorens ze weggingen zegden ze dat u nog wat tijd kreeg om na te denken. Dezelfde dag vertrok u naar de ouders van uw beste vriendin. Uw vriendin verbleef toen in haar woonst in M. U logeerde nog een tijd bij hen en vertrok op 28 september 2000 naar M., naar uw vriendin. Een paar weken na uw aankomst in M. ontmoette u er Luc, een Belgische man van ongeveer 35 jaar oud. U werd verliefd op hem en hij nam u mee naar België, om aldaar te trouwen met hem. Op 17 december 2000 kwam u met hem in België aan. Hij nam u mee naar zijn huis. Sinds het vertrek uit M. was Luc echter onaangenaam en koud geworden. Op 19 december 2000 kreeg Luc thuis .s avonds bezoek van twee vrienden, Pieter en Staf. Toen Luc de kamer uitging bleef u alleen met de twee mannen achter. U werd vervolgens door hen verkracht en nadien in een kamer opgesloten. Enkele uren later slaagde u erin via het slaapkamervenster te ontsnappen. U rende tot u een weg zag. Daar hield u een auto tegen. De bestuurder zette u af aan de weg richting Brussel. Vervolgens nam een andere wagen u mee naar Brussel en zette u af aan het Centraal Station. U bent in verband met de verkrachting geen klacht bij politie, rijk(s)wacht of andere instanties gaan indienen. Op 20 december 2000 vroeg u in België de status van vluchteling aan. Uit uw relaas kunnen we niet afleiden dat u in XXX het slachtoffer was van een daadwerkelijke, persoonsgerichte en systematische vervolging door de overheid in de zin van de Conventie van Genève. U had in XXX geen problemen met de XXX autoriteiten of het XXX gerecht. U bent nooit aangeklaagd, opgesloten of veroordeeld geweest. Nergens blijkt dat het aanrijden van uw vader (en het latere doorzoeken van uw woning) gebeurden om redenen die verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie. Indien u daadwerkelijk problemen kende, maakt u alleszins ook niet aannemelijk dat u om redenen die verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie niet op de bescherming van de XXX overheid kon rekenen. Bovendien blijkt uit uw relaas dat de problemen in verband met uw overleden vader niet de directe reden geweest (
- is)waarom u naar België kwam. Zij waren, zoals uit uw verhaal blijkt, wel een aanzet om bij uw vriendin in M. te gaan logeren. U verbleef gedurende drie maanden in M. zonder problemen en verliet XXX pas nadat u in M. verliefd werd op een Belgische man, Luc, die u voorstelde om in België met hem te trouwen.Toen u enkele dagen na uw aankomst in België van de man wegvluchtte besloot u de status van vluchteling aan te vragen. Het feit dat u in België verkracht werd door twee vrienden van Luc (kun) laat evenmin toe een vermoeden van vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie vast te stellen. De problemen die u in België zou hebben gekend vallen onder Belgisch gemeenrecht, maar uit deze problemen kan onmogelijk een vrees voor vervolging (i)n de XXX worden afgeleid. Bovenstaande in acht genomen kunnen we bij u geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève vaststellen. Derhalve kunnen we besluiten met een bevestiging van de weigering van verblijf. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van de motiveringsplicht; dat verzoekster aanvoert dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken genomen is in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 omdat ze niet genomen is in XIV-6725-3/6 het belang van de minderjarige; dat de Commissaris-generaal bijgevolg ook geen bevestigende beslissing kon nemen; 2.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord niet repliceert op het middel; dat de eerste verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; 2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord het middel aangevoerd in het verzoekschrift herhaalt; dat zij nogmaals betoogt dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, bevestigd door de Commissaris-generaal, genomen is in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989; dat aan verzoekster, die op dat ogenblik nog minderjarig was, een bevel om het land te verlaten werd betekend; dat dit niet verantwoord was en de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, bevestigd door de Commissaris-generaal, onterecht was; 2.4. Overwegende dat verzoekster nalaat uiteen te zetten welk artikel van de Vluchtelingenconventie werd geschonden; dat het niet aan de Raad van State toekomt om na te gaan welke bepaling van voornoemd verdrag verzoekster geschonden acht; dat dit onderdeel van het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, zowel artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing geen concreet element bevat waaruit blijkt dat haar asielrelaas vreemd is aan de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster niet kan worden bijgetreden omdat de bestreden beslissing uitdrukkelijk overweegt dat uit verzoeksters verklaringen blijkt dat zij in XXX geen problemen kende met de XXX autoriteiten of het XXX gerecht; dat niet vaststaat dat het aanrijden van verzoeksters vader en het doorzoeken van haar woning gebeurden om redenen die verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster niet aantoont dat zij niet op de bescherming van de XXX overheid kan rekenen; dat bovendien de problemen in verband met haar overleden vader, niet de directe oorzaak was van verzoeksters XIV-6725-4/6 vlucht naar België, doch wel het feit dat zij verliefd werd op een Belgische man; dat verzoekster pas de status van vluchteling aanvroeg nadat zij in België van hem wegvluchtte; dat het feit dat verzoekster in België zou zijn verkracht, geen vermoeden van vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie inhoudt; dat deze problemen onder het Belgisch gemeenrecht ressorteren en niet tot een vrees voor vervolging in de XXX leiden; dat uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat verzoekster geen poging onderneemt om de vaststellingen van de Commissaris-generaal te weerleggen; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in strijd is met het Verdrag inzake de rechten van het kind omdat ze werd genomen op een ogenblik dat verzoekster nog minderjarig was; dat de Commissaris- generaal deze onwettige beslissing bijgevolg niet kón bevestigen; dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt: “de betrokkene wordt niet begeleid door een persoon die in staat is haar ten laste te nemen. Door haar gedragingen en rekening houdend met haar verklaringen en de elementen van haar dossier heeft zij echter aangetoond voor zichzelf te kunnen instaan en bijgevolg (
- en)is zij in staat alleen te reizen.”; dat hieruit volgt dat de Commissaris-generaal terecht deze beslissing kon bevestigen en dat het Verdrag inzake de rechten van het kind niet is geschonden; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-6725-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6725-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div