id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.670 Rolnummer: A. 149917/XIV-19081 Zaak: Arrest 145670 - - 08/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 17:23 Fiche Arrest nr 145.670 van 8 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.670 van 8 juni 2005 in de zaak A. 149.917/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 februari 1975 en van XXX nationaliteit, op 24 maart 2004 heeft ingediend om enerzijds de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 februari 2004 tot weigering van regularisatie en anderzijds van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 2004, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-19.081-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A.-C. DE RIDDER die, loco Advocaat A. DE POURCQ verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 28 januari 2000 dient de verzoekende partij een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 25 september 2000 stelt het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, en zendt de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Aan verzoeker wordt op 3 oktober 2000 meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van dit negatief advies, beschikt om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.
- Op 7 februari 2001 wordt verzoeker, bijgestaan door een raadsman, door de Commissie gehoord. 1.
- Op 15 februari 2001 neemt de 3de Kamer van de Commissie voor regularisatie een tussentijdse beschikking. 1.
- Op 20 februari 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door een raadsman, door de Commissie gehoord. XIV-19.081-2/7 1.
- Op 9 oktober 2003 verleent de 3de Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies is als volgt gemotiveerd : “(...)
- Uit het advies van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend.
- De aanvrager bewijst zijn identiteit aan de hand van zijn XXX identiteitskaart (n.), afgeleverd in XXX op 19 oktober
- De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet. De aanvrager verklaart sedert 1994 ononderbroken in België te verblijven.
- Op 25 september 2000 verleende het secretariaat van de Commissie een negatief advies, stellende dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is. Onder meer werd als volgt gemotiveerd: “Dat, wat de vereiste betreft om op het grondgebied te verblijven op 1 oktober 1999, uit de voorgelegde stukken geen enkel stuk ter zake wordt voorgelegd”. Dit advies werd betwist. 5.
- Luidens artikel 9, 2/, van de Regularisatiewet moet het bij de aanvraag gevoegde dossier een bewijsstuk omvatten waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober
- 5.
- Ter zitting werd de aanvrager ervan in kennis gesteld dat een bewijsstuk in de zin van voormeld artikel 9, 2/, niet was bijgebracht en werd hem de gelegenheid gegeven binnen de termijn van een maand het ontbrekende bewijs over te zenden. De aanvrager heeft op 11 maart 2003 een fotokopie van een schriftelijke verklaring van een zekere D. van 3 maart 2003 overgezonden. Deze verklaart dat XXX familie van hem is en dat hij in augustus 1999 in zijn huis verbleven heeft. Aan dit stuk kan evenwel geen bewijswaarde worden verleend: de handtekening werd niet voor echt verklaard door de gemeente of het stuk is niet voorzien van een fotokopie van de identiteitskaart van de getuige (cf. het proces-verbaal van de Algemene Vergadering van 18 november 2000, 2). De Commissie stelt vast dat terzake geen bewijsstuk in de zin van de wet wordt bijgebracht. 5.
- Overigens wordt er op gewezen dat een n. door de aanvrager ervan in persoon moet worden afgehaald. Uitzonderingen gelden voor pasgeborenen en voor volwassen(en), die om medische redenen in de onmogelijkheid verkeren de kaart af te halen en deze dringend nodig hebben. In het eerste uitzonderingsgeval halen de ouders de kaart af en in het tweede geval wordt toegestaan dat de aanvrager volmacht geeft aan een derde om de kaart in zijn naam af te halen. De bewering van betrokkene ter zitting, dat hij zijn n. in oktober 1999 door zijn broer liet afhalen en op dat ogenblik wel degelijk in België verbleef, is derhalve ongeloofwaardig. De aflevering van de identiteitskaart op 19 oktober 1999 in XXX laat toe te besluiten dat de aanvrager zich op 1 oktober 1999 in dat land bevond.”. (...).”. 1.
- Op 6 november 2003 richt de Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 27 november 2003 bericht de Dienst Vreemdelingenzaken ontvangst van voormeld schrijven. 1.
- Op 23 februari 2004 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. 1.
- Dit is de eerste bestreden beslissing. XIV-19.081-3/7 1.
- Op 16 maart 2004 wordt een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aan verzoeker ter kennis gebracht. 1.
- Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Overwegende dat op 9 mei 2005 de griffie van de Raad van State een aangetekende brief d.d. 4 mei 2005 ontvangt van mevrouw A., die volgens deze brief bevriend is met verzoeker en met zijn Advocaat; Overwegende dat op 23 maart 2005 de debatten werden gesloten en dat op die datum de zaak in beraad werd genomen; dat niet werd verzocht om de debatten te heropenen; dat bovendien mevrouw A. een derde is, die geen partij is, in de procedure aanhangig gemaakt door verzoeker, zodat om dit motief alleen reeds de brief uit de debatten moet worden geweerd; dat tenslotte de procedure voor de Raad van State een schriftelijke procedure is, waarbij de stukken worden gevoegd en geïnventariseerd bij de inleidende verzoekschriften, zodat voornoemd stuk geen deel uitmaakt van deze stukken en ook niet werd onderworpen aan het tegensprekelijk debat; dat ook om dit motief voormelde brief uit de debatten wordt geweerd; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht, die inhoudt dat de verwerende partij, vooraleer haar beslissing te nemen, het administratief dossier zorgvuldig voorbereidt en rekening houdt met alle argumenten en documenten, die verzoeker tijdig aanbrengt; dat verzoeker daaraan de schending van de motiveringsplicht koppelt; dat verzoeker besluit dat de redelijke termijn werd overschreden; Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat hij vanaf eind 1996 in België verblijft tot op dit ogenblik; dat om te bewijzen dat verzoeker voldoet aan artikel 9, 2/, van de Regularisatiewet, met name dat hij daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, hij verwijst naar de brief van 6 november 2003 van zijn Advocaat, (brief) waarvan het bestaan vaststaat, tengevolge van de schriftelijke reactie op 27 november 2003 van de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing dateert van 23 februari 2004; dat deze beslissing uitdrukkelijk verwijst naar het gemotiveerd ongunstig advies van de Regularisatiecommissie, waarvan de overwegingen worden onderschreven en overgenomen in deze beslissing; Overwegende dat op basis van de Regularisatiewet de verwerende partij moet antwoorden op de relevante argumenten en bezwaren die een verzoeker aanvoert in het XIV-19.081-4/7 kader van de tegensprekelijke procedure; dat uit de samenlezing van de artikelen 3, 4, 10, 11 en 12 van de Regularisatiewet blijkt dat het tegensprekelijk karakter van de regularisatieproce- dure is beëindigd, wanneer de Regularisatiecommissie haar advies ter kennis brengt van de aanvrager en van de Minister; dat naar luid van artikel 12, § 1, tweede lid van de Regularisa- tiewet, een tegensprekelijke procedure is voorzien voor de bevoegde Minister, nadat het secretariaat van de Regularisatiecommissie vaststelt dat het dossier dat bij de regularisatieaan- vraag is gevoegd, onvolledig is en voornoemde Commissie een negatief advies aan de Minister overmaakt (dat in dit verband wordt verwezen naar R.v.St., nr. 128.519 van 25 februari 2004 en naar R.v.St., nr. 128.520 van dezelfde datum); dat de verwerende partij bijgevolg niet diende te antwoorden op voornoemde brief, bij het nemen van de eerste bestreden beslissing; Overwegende dat uit het administratief dossier bovendien blijkt dat verzoeker op 16 mei 1983 van ambtswege werd afgeschreven op zijn laatst gekend adres te Antwerpen, K.straat, 138 en dat geen relevant bewijsstuk voorligt, waaruit blijkt dat hij op 1 oktober 1999 daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef; dat uit punt 5.
- van het gemotiveerd advies van de Regularisatiecommissie van 9 oktober 2003 blijkt dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid feitelijk vaststaat dat verzoeker zich op 19 oktober 1999 in XXX bevond, omdat hij aldaar zijn XXX identiteitskaart op dezelfde datum heeft afgehaald; dat de Commissie tot dit besluit komt op basis van een gefundeerde redenering die juridisch gestaafd wordt door de omstandigheid dat een “n.” (zijnde een XXX identiteitskaart) door de aanvrager zelf moet worden afgehaald, behoudens twee uitzonderingen, waarop verzoeker geen beroep kon doen; dat verzoeker tijdens het tegensprekelijk debat voor de Commissie bovendien de gelegenheid kreeg om het ontbrekende bewijs betreffende voornoemde aanwezigheid te leveren; dat het stuk dat verzoeker op 11 maart 2003 overmaakte aan de Commissie niet als bewijskrachtig werd weerhouden om pertinente en deugdelijke motieven die onder punt 5.
- van voornoemd advies worden weergegeven; Overwegende dat het niet staat aan een commissie die advies uitbrengt, aan een Minister, om de buitenlandse (in casu de XXX) wetgeving naast zich neer te leggen en uit afwijkende “praktijken” betreffende het afhalen van XXX identiteitskaarten in XXX te concluderen dat verzoeker op 1 oktober 1999 in België verbleef; dat, hoewel de Raad van State door deze zaak niet gevat is, de vader van verzoeker zich aan meer dan bedenkelijke praktijken heeft schuldig gemaakt om gezinshereniging te bekomen voor zijn echtgenote en twee kinderen; dat hiertoe wordt verwezen naar de nota aan de Minister van 17 februari 2003 die zich in het administratief dossier bevindt, dat blijkbaar door een gering aantal personen grondig werd gelezen; dat terloops wordt opgemerkt dat de verwerende partij in casu een ongeordend en ongenummerd administratief dossier heeft neergelegd dat bestaat uit minstens 276 stukken die betrekking hebben op de ouders van verzoeker, op zijn broers en zussen en op verzoeker; dat het het Auditoraat en de Raad van State uren werk kost om een dergelijk dossier te lezen en te bestuderen; dat nochtans voor alle rechtscolleges van de rechterlijke orde dossiers met inventaris, met genummerde stukken, moeten worden ingediend, wat de XIV-19.081-5/7 leesbaarheid van de dossiers uiteraard vergemakkelijkt; dat uit het administratief dossier het antwoord blijkt op de ongegronde grief van verzoeker in verband met de overschrijding van de redelijke termijn; dat verzoeker in dit verband aanvoert dat de verwerende partij er meer dan vier jaar heeft over gedaan om een beslissing te nemen; dat dit tijdsverloop, volgens verzoeker meebrengt dat de verwerende partij “moest afzien van het nemen van een negatieve beslissing”; Overwegende dat de Raad van State vooreerst niet bevoegd is om de verwerende partij, indirect aan te zetten om een positieve beslissing te nemen in plaats van een weigeringsbeslissing; dat dit een schending zou uitmaken van de discretionaire beslissingsbe- voegdheid van de verwerende partij; dat vervolgens het argument van verzoeker feitelijke grondslag mist, omdat de Regularisatiecommissie op goede gronden op 15 februari 2001 een “tussentijdse” beschikking heeft genomen, omdat zij via haar voorzitter een informatieonder- zoek heeft doen openen bij het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen in verband met een “arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, gesloten op 25 april 2000 tussen verzoeker en de B.V.B.A. I., gevestigd te (...) A.”; dat het informatieonderzoek betrekking had op het al dan niet fictief karakter van voornoemde arbeidsovereenkomst; dat op 1 juli 2002 de Procureur des Konings van Antwerpen meedeelt dat “na onderzoek niet is kunnen vastgesteld worden dat (de) voorgelegde stukken vals zouden zijn. (Dat) Het dossier terzake met referte (...) bijgevolg wegens gebrek aan bewijzen zonder gevolg werd gerangschikt.”; dat bijgevolg, door het toedoen van verzoeker, die een verdacht stuk heeft neergelegd, de Regularisatiecom- missie van 15 februari 2001 tot 1 juli 2002 de zaak van verzoeker niet kon vaststellen; dat zij de zaak op 20 februari 2003 opnieuw vaststelt en haar advies op 9 oktober 2003 uitbrengt; dat bijgevolg voornoemde grief van verzoeker feitelijke grondslag mist en niet kan leiden tot de vernietiging van de eerste bestreden beslissing; 3.
- Overwegende dat uit punt 3.
- volgt dat de eerste bestreden beslissing wettig is, zodat het bestreden bevel van 16 maart 2004, dat steunt op de eerste bestreden beslissing eveneens wettig is, XIV-19.081-6/7 BESLUIT: Artikel
- De aangetekende brief van 4 mei 2005 van mevrouw A. VAN GIJSEL wordt uit de debatten geweerd. Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.081-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.