← België

Arrest 145676 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.676 Rolnummer: A. 98469/XII-2878 Zaak: Arrest 145676 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 17:24 Fiche Arrest nr 145.676 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.676 van 9 juni 2005 in de zaak A. 98.469/XII-

  1. In zake : Joseph CLAES, die woonplaats kiest bij advocaat R. L. Beeken, kantoor houdende te Tielt-Winge, Kraasbeekstraat 41 tegen :
  2. de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, J.B. Nowélei 13
  3. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 12, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  4. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph Claes op 16 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 oktober 2000 van de raad van beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs om hem de tuchtstraf op te leggen van “terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel voor een termijn van één jaar” en van de beslissing van 21 november 2000 van de raad van bestuur van de Scholengroep 12 om de eerstgenoemde beslissing uit te voeren; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2878-1\11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Beeken, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat V. Van Obberghen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 22 april 1999 beslist de lokale raad, bevoegd voor de middenschool “Prins van Oranje” te Diest om een gespreksronde te organiseren “rond het al dan niet falen van de behoorlijkheid van bestuur van directeur J. Claes van de Middenschool” om zich vervolgens te kunnen uitspreken “over het al dan niet opstarten van een orde- of tuchtprocedure”. Op 11 oktober 1999 beslist de lokale raad over verzoeker een tuchtdossier samen te stellen op grond van de volgende feiten ten laste : “a. uw aanwezigheid op de markt te Diest in het kader van uw verkiezings- campagne tijdens de diensturen op woensdag 26 mei 1999 b. uw vermoedelijk leugenachtige verklaring over uw afwezigheid op school die dag (26 mei 1999) c. uw brief van 13 mei 1999 over de heer Rubens, voorzitter van de lokale Inrichtende Macht, gericht aan alle leden van de lokale Inrichtende Macht, inclusief de vertegenwoordigers van het personeel waarin u een aantal op het XII-2878-2\11 eerste zicht lasterlijke verklaringen aflegt over het privé-leven van de heer Rubens, feiten die volstrekt niets te maken hebben met functioneren van de scholen die tot het Lokale Bestuursorgaan nr. 142 behoren”. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 8 november 1999, hij verontschuldigt zich met een medisch attest, de lokale raad formuleert een tuchtvoorstel en verzoeker tekent “verzet” aan tegen dit voorstel. Zijn raadsman wordt vervolgens gehoord door de lokale raad op 13 december
  5. Op 13 december 1999 neemt de lokale raad dan de volgende beslissing : “Beslissing : §1 De Lokale Raad stelt unaniem voor, de heer J. Claes, vastbenoemd directeur MS Diest ten minste ter beschikking te stellen bij tuchtmaatregel voor een periode van 2 jaar. §2 De AB deelt de heer J. Claes deze beslissing mee via een aangetekend schrijven. In dit schrijven wordt de beslissing gemotiveerd. Tevens wordt dhr. J. Claes gewezen op de mogelijkheid beroep tegen de getroffen beslissing aan te tekenen. Motivering : Het Lokale Bestuursorgaan 142 heeft volgende feiten vastgesteld : a. De aanwezigheid van de heer J. Claes op de markt te Diest in het kader van zijn verkiezingscampagne tijdens de diensturen op woensdag 26.05.
  6. b. De leugenachtige verklaringen over zijn afwezigheid op school die dag (26.05.99). c. Zijn brief van 13.05.99 over de heer Rubens, voorzitter van de Lokale Inrichtende Macht, gericht aan alle leden van de Lokale Inrichtende Macht, inclusief de vertegenwoordigers van het personeel, waarin hij een aantal lasterlijke verklaringen aflegt, over het privé-leven van de heer Rubens, feiten die volstrekt niets te maken hebben met het functioneren van de scholen die tot het Lokale Bestuursorgaan 142 behoren. Het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142 stelt vast dat de heer Claes : - de tenlastelegging, vermeld onder punt a in zijn schriftelijk verweer, niet weerlegt en zelfs uitdrukkelijk toegeeft tijdens de diensturen afwezig te zijn geweest op school en daarbij een interview te hebben gegeven aan de tv-zender R.O.B; - de tenlastelegging, vermeld onder punt b in zijn schriftelijk verweer, niet ontkracht gezien de heer Brion, onderzoeker aangesteld door het Gemeenschapsonderwijs, in zijn onderzoeksrapport geen enkele twijfel laat en uitdrukkelijk acteert dat de heer J. Claes hem tijdens het onderzoek meldde dat het PMS hem verwittigde dat de studiedag niet doorging, verklaring die na verder onderzoek leugenachtig bleek te zijn; - de tenlastelegging, vermeld onder punt c in zijn schriftelijk verweer, niet weerlegt en zelfs uitdrukkelijk toegeeft de leden van het lokaal bestuurs- orgaan, inbegrepen de leden van het PC, een brief te hebben gestuurd die het privé-leven van de heer Rubens, voorzitter, betreft waarbij de inhoud van de brief volstrekt niet relevant is voor de functie die de Rubens binnen het lokaal bestuursorgaan bekleedt; XII-2878-3\11 Het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142 is tevens van oordeel dat bij het voeren van de procedure de terzake geldende regelgeving werd nagevolgd en de rechten van verdediging maximaal werden gegarandeerd. De diverse tenlasteleggingen houden een inbreuk in op de plichten van de personeelsleden van het GO, zoals ze in Hoofdstuk II van het Decreet van 27 maart 1999 meer bepaald in de artikelen 6, 7, 8 en 10, worden beschreven. Artikel 12 van het DRP bepaalt dat iedere overtreding van de beschreven plichten wordt bestraft met de in artikel 61 van het DRP bepaalde tuchtstraffen. Na bestudering van het tuchtdossier en van het schriftelijke verweer van de heer Claes, en na grondige overweging, heeft de LR 142 beslist aan de Raad van Beroep voor te stellen dhr. J. Claes ten minste terbeschikkingstelling te stellen bij tuchtmaatregel voor een periode van 2 jaar. Deze beslissing werd genomen na geheime stemming : - 9 stemgerechtigde leden - 9 leden hebben zich uitgesproken voor het voorstellen van de gevraagde tuchtmaatregel”. Bij schrijven van 30 december 1999 tekent verzoeker bezwaar aan bij de raad van beroep tegen het tuchtvoorstel; hij wordt gehoord door de raad van beroep op 28 september
  7. Op 19 oktober 2000 neemt de raad van beroep de eerste bestreden beslissing, die aan verzoeker ter kennis wordt gebracht met een 7 november 2000 gedateerd schrijven : “Gezien de beslissing van het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142 van 13 december 1999 waarbij aan de Raad van Beroep wordt voorgesteld aan de heer Joseph Claes de tuchtstraf van de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel voor een periode van twee jaar op te leggen, beslissing die op 16 december 1999 per aangetekend schrijven ter kennis werd gebracht aan de heer Joseph Claes. Gezien het beroep door de heer Joseph Claes tegen deze beslissing schriftelijk per aangetekend schrijven ingesteld op 30 december
  8. Gezien de oproeping bij aangetekend schrijven van 27 juni 2000 van de heer Joseph Claes voor de zitting van de Raad van Beroep van 28 september
  9. Gehoord op de openbare zitting van 28 september 2000 : - de heer F. Rubens, voorzitter van het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142; - mevrouw C. Peeters, lid van het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142; - mevrouw D. Cardon, lid van het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142; - de heer L. Brion, onderzoeker; en de heer Joseph Claes, in zijn verklaringen en verweer bijgestaan door meester R. Beeken en de heer J. Lauwers, vertegenwoordiger van een erkende vakbondsorganisatie. Het beroep komt tijdig en ontvankelijk voor. Gezien het gemotiveerd bezwaarschrift van 30 december
  10. Gezien het schriftelijk verweer neergelegd op de zitting van 28 september
  11. Gezien het administratief dossier, met uitzondering van stuk 15 dat uit de debatten wordt geweerd. Het niet naleven van het huishoudelijk reglement : De door verzoeker ingeroepen niet naleving van artikel 3 § 1 is irrelevant. Deze bepaling heeft tot doel vaste datum te geven wanneer beroep wordt XII-2878-4\11 ingesteld door middel van een verzoekschrift dat wordt overhandigd aan de hiërarchische overste wat hier terzake het geval niet is daar beroep werd ingesteld door middel van een aangetekend schrijven. De overige ingeroepen schendingen van bepalingen van het huishoudelijk reglement hebben betrekking op de verhouding tussen de Argo -thans de administratie van het Gemeenschapsonderwijs- en de Raad van Beroep en op de rechten van de verdediging van het betrokken lokaal bestuursorgaan, die terzake geen enkel bezwaar laat gelden. Tenslotte wordt vastgesteld dat verzoeker nalaat aan te tonen dat hierdoor zijn rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Wanneer een dossier, waarin beroep werd ingesteld op 30 december 1999, wordt behandeld in de daarop volgende maand september, waarbij nog rekening dient te worden gehouden met de schoolvakantie, is de redelijke termijn zeker niet overschreden. De oproeping en de procedure voor het Lokaal Bestuursorgaan nr. 142 is gebeurd conform aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Executieve omtrent de evaluatie van vast benoemde personeelsleden, de maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs van 22 mei
  12. Wat de feiten betreft : Volgende feiten worden tenlastegelegd van de heer Joseph Claes : a. de aanwezigheid van de heer Claes op de markt te Diest in het kader van zijn verkiezingscampagne tijdens de diensturen op woensdag 26 mei
  13. b. de vermoedelijke leugenachtige verklaring van de heer Claes over zijn afwezigheid op school die dag (26 mei 1999). c. de brief van 13 mei 1999 over de heer Rubens, voorzitter van de lokale Inrichtende Macht, gericht aan alle leden van de lokale Inrichtende Macht, inclusief de vertegenwoordigers van het personeel, waarin de heer Claes een aantal op het eerste zicht lasterlijke verklaringen aflegt over het privé-leven van de heer Rubens, feiten die volstrekt niets te maken hebben met functioneren van de scholen die tot het Lokale Bestuursorgaan nr. 142 behoren. Wat feit a betreft : Alhoewel het toestaan van een televisie-interview naar aanleiding van de verkiezingen, tijdens de diensturen, waarbij het voor de kijkers uit de opnamen zelf duidelijk is dat dit gebeurde tijdens de diensturen, als ongepast kan worden beschouwd, zijn deze feiten onvoldoende ernstig om een tuchtsanctie te verantwoorden. Wat feit b betreft : Nu het vaststaat dat de afwezigheid van de heer Joseph Claes op 26 mei 1999, weliswaar om andere redenen, vooraf en reglementair was aangevraagd en deze aanvraag geen verband had met het in feit a vermelde televisie-interview, kan worden aangenomen dat de interpretatie van de uitleg van de heer Claes berust op een misverstand en niet op een bewust verdraaien van de waarheid door de heer Claes. Wat feit c betreft : Afgezien van de omstandigheid of de inhoud van de brief van 13 mei 1999 en van de erbij gevoegde bijlagen lasterlijk zijn, dient te worden vastgesteld dat de erin vervatte gegevens louter betrekking hebben op het privé-leven van de heer Rubens -voorzitter van het lokaal bestuursorgaan- en van die aard zijn dat de toesturing ervan aan de leden van de lokale raad, tot gevolg kon hebben dat het openbaren ervan het voorzitterschap en de integriteit van de heer Rubens bij de leden van de lokale raad ernstig in het gedrang kon worden gebracht. Uit de tekst zelf van de brief van 13 mei 1999 is het duidelijk dat dit ook de bedoeling was van de heer Claes. Het is duidelijk dat de heer Claes zeker niet heeft gehandeld met het oogmerk om het belang van de schoolgemeenschap te dienen maar wel om in het kader van een hoorzitting die betreffende zijn beleid werd gehouden de lokale raad en XII-2878-5\11 zijn voorzitter te destabiliseren en de voorzitter te treffen (zie de vermelding in de brief van 13 mei 1999, 'In de kant van de hoorzitting van 22 maart 1999'). Dit klemt des te meer nu uit het door de raadsman van verzoeker overgelegde afschrift van het zonder gevolg geklasseerd strafdossier not. 52982125.99 blijkt dat de feiten die door de heer Claes in zijn brief van 13 mei 1999 worden aangehaald dateren van enige tijd terug en deze wat betreft mevrouw Ursula Celis van reeds meer dan vijf jaar geleden. Dit feit c waarvan de materialiteit niet wordt betwist, doch ook de hiervoren vermelde beweegredenen, komt bewezen voor. Door aldus te handelen heeft de heer Joseph Claes inbreuk gepleegd op artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, immers hij heeft niet alleen de belangen van het Gemeenschapsonderwijs en van de instelling waar hij tewerkgesteld is niet behartigd, maar bovendien heeft hij bewust en uit eigenbelang gepoogd deze belangen te schaden. Gelet op de ernst van de tuchtinbreuk en op de hierboven vermelde motieven dient een ernstige tuchtsanctie te worden opgelegd waarbij ook rekening moet worden gehouden met het blanco verleden op tuchtgebied. Om deze redenen, de Raad van Beroep, na hierover te hebben beraadslaagd, beslist na geheime stemming, met éénparigheid van stemmen, het beroep van de heer Joseph Claes tegen de beslissing van 13 december 1999 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren en hem voor het feit c de tuchtstraf van de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel op te leggen voor een termijn van één jaar. Aldus uitgesproken te Brussel op 19 oktober 2000”. Met een brief van 22 november 2000 wordt verzoeker meegedeeld dat de raad van bestuur van de Scholengroep 12 op 21 november 2000 beslist heeft “de beslissing van de Raad van Beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs uitgesproken in de openbare zitting van 19 oktober 2000 waarbij u als tuchtstraf de ‘terbeschikkingstelling voor één jaar’ wordt opgelegd, uit te voeren”; De aanwijzing van de partijen. Overwegende dat het Gemeenschapsonderwijs vraagt om buiten de zaak te worden gesteld, in hoofdorde omdat de bestreden beslissing uitgaat van een orgaan van de Vlaamse Gemeenschap en, in ondergeschikte orde, omdat binnen het Gemeenschapsonderwijs thans de scholengroepen bevoegd zijn om de maatregelen te nemen inzake tucht en orde met betrekking tot het personeel; Overwegende dat enkel de eerste bestreden beslissing uitgaat van de raad van beroep, orgaan van de Vlaamse Gemeenschap; dat de tweede bestreden beslissing een constitutieve rechtshandeling is die met het oog op het vaststellen van verzoekers rechtstoestand vereist is om uitvoering te geven aan de beslissing van de XII-2878-6\11 raad van beroep; dat het een afzonderlijke, voor vernietiging vatbare rechtshandeling is zodat de steller van die rechtshandeling niet buiten de zaak kan worden gesteld; dat in een geding voor de Raad van State de verwerende partij in de regel een rechtspersoon is; dat, om de redenen uiteengezet in het arrest nr. 144.324, Brackeva, van 12 mei 2005, de scholengroepen geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid hebben; dat integendeel “het Gemeenschapsonderwijs” de rechtspersoon is die als verwerende partij moet worden beschouwd; dat met het oog op de procesvertegenwoordiging de bevoegde scholengroep, zijnde het bestuursniveau dat krachtens het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs de instelling met rechtspersoonlijkheid “het Gemeenschapsonderwijs” als verwerende partij vertegenwoordigt, er mee belast is om in de huidige procedure voor de Raad van State de belangen van die instelling te verdedigen maar dat dit uiteraard de rechtspersoon zelve niet buiten de zaak stelt; Ten gronde. Overwegende dat verzoeker zich in een eerste middel gegriefd verklaart over het feit dat voor de raad van beroep in het tuchtdossier ook stukken waren opgenomen over een jegens hem in diezelfde periode getroffen ordemaatregel; dat hij de secretaris van de raad van beroep een “gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid” verwijt door de bedoelde stukken te hebben toegevoegd aan het dossier, ofschoon die secretaris volgens het huishoudelijk reglement “gehouden is aan dezelfde voorwaarden van onpartijdigheid, onbevooroordeeldheid en onafhankelijkheid als de rechters”; dat hij ook de formele motiveringsplicht geschonden acht omdat de raad van beroep geen enkele motivatie geeft “door het niet beantwoorden van de argumenten van verzoeker” , ten eerste, “daar men voor het bestuursorgaan reeds aanvoerde dat er schending van de artikelen 6 § 1 E.V.R.M. en 14 § 1 I.V.B.P.R. was door het feit dat het bestuursorgaan reeds had geoordeeld vooraleer verzoeker te horen, zodat dit voldoende reden was om al de leden van het tuchtorgaan die zetelden op 11 oktober, 18 oktober en/of 7 december 1999 te wraken” en, ten tweede, omtrent het afwijzen van de door hem ingeroepen schending van de onpartijdigheid van de secretaris; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog preciseert dat “een ordedossier en tuchtdossier niet samen mogen behandeld worden” en dat het later door de raad van beroep verwijderen uit de bundel van XII-2878-7\11 hetgeen de secretaris toegevoegd heeft, de vermoedens van partijdigheid bevestigt; dat hij in de laatste memorie zijn bezwaren herhaalt en handhaaft; Overwegende dat verzoeker in zijn “schriftelijk verweer” voor de raad van beroep “vordert [...] dat stuk 15 in elk geval uit de debatten geweerd wordt”; dat de raad van beroep op 28 september 2000 beslist dat de stukken betreffende de ordemaatregel “uit het dossier [worden] verwijderd” en dat de zaak voor uitspraak wordt uitgesteld op 19 oktober 2000; dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; dat de raad van beroep die beslissing ook in de bestreden beslissing formeel veruitwendigt door te refereren aan “het administratief dossier, met uitzondering van stuk 15 dat uit de debatten wordt geweerd”; dat voorts de secretaris, wat de beraadslaging en de stemming betreft, geen deel uitmaakt van de raad van beroep; dat, ten slotte, op het vermeend “geoordeeld” hebben van het lokaal bestuursorgaan “vooraleer verzoeker te horen”, daargelaten de vaststelling dat dit lokaal bestuursorgaan op geen van de door verzoeker gestelde data over hem heeft “geoordeeld”, maar ten hoogste een tuchtvoorstel heeft geformuleerd, door de raad van beroep formeel wordt geantwoord met de vaststelling dat de procedure voor het lokaal bestuursorgaan verlopen is “conform aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Executieve [...] van 22 mei 1991”; dat geen van de in het middel aangehaalde rechtsnormen geschonden zijn; Overwegende dat verzoeker in het tweede en het derde middel kritiek formuleert op de motivering van de beslissing van de raad van beroep; dat hij luidens het tweede middel van oordeel is dat er sprake is van “feitelijke dwaling”, waar de raad van beroep stelt dat zijn brief van 13 mei 1999 als oogmerk had in het kader van de hoorzitting betreffende zijn beleid de lokale raad en zijn voorzitter te destabiliseren en de voorzitter te treffen, aangezien de lokale raad reeds op 22 april 1999 had beslist het onderzoek uit handen te geven en ze “geen betrokken partij meer is”; dat hij blijkens het derde middel argumenteert dat de gegevens in zijn brief van 13 mei 1999 “geen persoonsgebonden materie is, daar dergelijke onderwerpen enkel slaan op personeelsaangelegenheden, wat in deze zaak duidelijk niet aan de orde is” zodat de raad van beroep zich vergist in zijn feitelijke appreciatie; dat verzoeker ondergeschikt aanvoert dat “de door [de raad van beroep] weerhouden sanctie voor een personeelslid zonder voorgaande kennelijk onredelijk is”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord over de beide middelen samen nog toevoegt dat de lokale raad op 22 april 1999 XII-2878-8\11 “besliste om geen orde- en/of tuchtprocedure te starten” en dat hij volhardt, ook als dit slechts een voorlopige beslissing zou zijn, dat de lokale raad bijgevolg het onderzoek uit handen had gegeven zodat “de brief geen invloed meer kon uitoefenen op [zijn] leden”; dat hij voor het overige herhaalt hetgeen reeds geschreven is in het inleidend verzoekschrift; dat hij in de laatste memorie nog opmerkt dat de voorzitter van de lokale raad over verzoeker “de nodige roddels” heeft verspreid waarna hij het na ruggespraak met zijn raadsman “als zijn plicht zag” om de lokale raad in te lichten over feiten die betrekking hebben op de voorzitter, dat “het nooit in zijn bedoeling lag om de [voorzitter] persoonlijk te schaden, doch hij enkel de belangen van de school wenste te vrijwaren”; dat hij nog opmerkt dat de leden van de lokale raad “gebonden zijn door de geheimhoudingsplicht, zodat de brief nooit openbaar kon gemaakt worden”; Overwegende dat de lokale raad op 22 april 1999 beslist ten aanzien van verzoeker “voorlopig geen orde- en/of tuchtprocedure op te starten” en dat hij “een bijkomend onderzoek [vraagt] door de Inrichtende Macht (GO) om een objectieve beslissing te kunnen treffen”; dat op dat ogenblik de bewuste brief van 13 mei 1999 nog moest worden geschreven, zodat de lokale raad over het schrijven van deze brief door verzoeker als tuchtfeit hoe dan ook niet geacht kan worden reeds een beslissing te hebben genomen, het weze voorlopig of definitief geen procedure op te starten, het weze bijkomend onderzoek te vragen; Overwegende dat de Raad van State de raad van beroep bijvalt in de vaststelling dat de inhoud van de brief van 13 mei 1999 niet verder reikt dan aantijgingen omtrent de persoonlijke levenswandel van de voorzitter van de lokale raad die van aard zijn dat zij de integriteit van de voorzitter in het gedrang konden brengen; dat verzoeker dit niet tegenspreekt door te argumenteren dat hij het als “zijn plicht” zag om die gegevens te openbaren aan de leden van de lokale raad; Overwegende dat uit de tenlastelegging, het tuchtvoorstel en, vooral, de eindbeslissing van de raad van beroep blijkt dat het in aanmerking genomen tuchtfeit louter en alleen het verzenden is van de bedoelde brief, met dergelijke inhoud, aan de leden van de lokale raad, waarmee verzoeker het voorzitterschap en de integriteit van de voorzitter in het gedrang brengt, hij niet heeft gehandeld met het oogmerk om het belang van de scholengemeenschap te dienen en hij inbreuk heeft gepleegd op artikel 6 van het rechtspositiedecreet door niet enkel de belangen van het Gemeenschapsonderwijs in het algemeen en de instelling waar XII-2878-9\11 hij is tewerkgesteld in het bijzonder niet te behartigen, maar ze bovendien ook bewust en uit eigen belang gepoogd heeft te schaden; dat in het licht van het aldus in aanmerking genomen tuchtfeit, het verweer over de eventuele geheimhoudingsplicht die de leden van de lokale raad in acht moeten nemen niet ter zake doet; dat voorts verzoeker in de brief van 13 mei 1999 zélf, zoals de raad van beroep vaststelt, zijn hoorzittingen in verband brengt met de aanleiding tot het schrijven van zijn brief; dat verzoeker niet aantoont waarom de raad van beroep dan onterecht overweegt, naast het hiervoor reeds vermelde, dat het verzenden van de brief is gebeurd “in het kader van een hoorzitting die betreffende zijn beleid werd gehouden”; Overwegende dat in zoverre verzoeker in ondergeschikte orde zonder meer laat gelden dat de opgelegde tuchtstraf “voor een personeelslid zonder voorgaande kennelijk onredelijk is”, hij zich ertoe beperkt dit te stellen, maar dergelijke manifeste wanverhouding niet aantoont; dat de Raad van State deze ook niet evident moet afleiden uit de gegevens van de zaak; Overwegende dat het tweede en het derde middel ongegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2878-10\11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2878-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.