← België

Arrest 145678 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.678 Rolnummer: A. 86553/XII-2214 Zaak: Arrest 145678 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 17:25 Fiche Arrest nr 145.678 van 9 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.678 van 9 juni 2005 in de zaak A. 86.553/XII-

  1. In zake : Marc LAMOEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Lamoen op 6 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen “waarbij geen artistieke faam aan verzoeker wordt toegekend”; Gelet op het arrest nr. 87.429 van 23 mei 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2214-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De relevante reglementering. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker voormalig leraar artistieke vakken is (specialiteit: notenleer) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, thans geïntegreerd in de Hogeschool Antwerpen; dat hij als zodanig valt onder de “leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten” wier ambt krachtens artikel 317bis, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals ten tijde van de bestreden beslissing gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998 (hierna ook: hogescholendecreet), wordt geconcordeerd tot het ambt van assistent of, krachtens artikel 317bis, § 2, tot het ambt van docent; dat de decreetgever de concordantie tot het ambt van docent heeft willen voorbehouden aan het personeel dat over een ruime artistieke faam beschikt; 1.
  4. Overwegende dat met artistieke faam, als voorwaarde tot concordantie tot docent, luidens artikel 2, 28/ter, van het hogescholendecreet wordt bedoeld “de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak”; XII-2214-2/15 Overwegende dat de decreetgever de erkenning van de ruime artistieke faam luidens artikel 317bis, § 3, van het hogescholendecreet heeft opgedragen aan het hogeschoolbestuur in de volgende bewoordingen : “Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline : - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten; - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene; - regionale, federale of internationale prijzen; - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland; - realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven; - relevante bijdragen aan belangrijke producties; - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea. Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd.”; 1.
  5. Overwegende dat verwerende partij voor de erkenning van de ruime artistieke faam bij beslissing van haar raad van bestuur van 26 oktober 1998 tot een eenvormige procedure heeft beslist; dat dit procedurereglement zelf niet in het administratief dossier voorligt maar door verzoeker bij zijn verzoekschrift is gevoegd; dat de raad van bestuur blijkens dit procedurereglement en de stukken van het administratief dossier in ieder geval dient acht te slaan op het advies van een door hem samengestelde commissie van zes leden die iedere aanvraag voorafgaandelijk onderzoekt en beoordeelt; dat het gunstig advies van deze commissie staat of valt met het al dan niet toekennen aan de aanvraag van een “score” van minimaal 40; dat de door deze commissie gevolgde procedure bij het vaststellen van de “score” ten minste de volgende stappen blijkt te omvatten :

(1). de aanvraag gebeurt middels een formulier AMBF53, waar als bijlage een dossier dient te worden gevoegd bestaande uit afschriften van diploma's en curriculum vitae tot 31 december 1995, een overzichtslijst per decretaal bepaald criterium en de daarmee overeenstemmende bewijsstukken (“alle stukken ter staving van het kerndossier (portfolio)”) en tenslotte per bewijsstuk een motivering waaruit relevantie blijkt.
(2). van de aanvraag wordt kennis genomen door de zes leden van de adviescommissie die, elk lid op een afzonderlijke fiche, voor ieder criterium “rekening [houdt] met de uitstraling per criterium” en de criteria per kandidaat quoteert volgens de hierna opgenomen schaal: 0 : niet relevant + weinig uitstraling, XII-2214-3/15 5: relevant + weinig uitstraling, 10: relevant + grote uitstraling, 20: (bijzonder) relevant + zeer grote uitstraling (deze laatste score volgens een vermelding op de fiche “uitzonderlijk toe te kennen”) en die een onder woorden gebrachte motivering voor de toegekende scores kunnen neerschrijven.
(3). de scores van ieder commissielid en voor elk criterium worden op een tabel “AF-Werkdocument I” samengebracht. Per criterium worden de scores van het laagst en deze van het hoogst quoterende commissielid doorstreept en er wordt voor het latere geen rekening mee gehouden. De vier voor ieder criterium overblijvende scores worden opgeteld en genoteerd in een kolom “overgebleven som”. Vervolgens wordt van die som een gemiddelde gemaakt en genoteerd in de overeenkomstige kolom “gemiddelde”. Tenslotte bevat de tabel een kolom “omzetting” waarin de gemiddelden die geen veelvoud zijn van vijf worden afgerond als volgt:
(4). de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” van werkdocument I worden vervolgens overgebracht naar een formulier “AF - Werkdocument II” en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. Naast die totaalscore is op het document volgende tekst voorgedrukt : “Samenvattende schriftelijke motivatie: G gezien betrokkene een totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, artistieke faam toegekend. G gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend.”; De gegevens van de zaak.
  1. Overwegende dat de bestreden beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur wordt genomen op “het gemotiveerd advies van de bevoegde commissie, in vergadering d.d. 10.05.1999” en “op basis van de motivering aan deze beslissing toegevoegd”; dat deze aan de beslissing toegevoegde motivering de woordelijke weergave is van het proces-verbaal van de bevoegde commissie, van hetgeen deze laatste heeft genotuleerd met betrekking tot de aanvraag van verzoeker : XII-2214-4/15 “• m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, worden weliswaar kwalitatieve doch grotendeels prestaties met eerder beperkte tot weinig relevante uitstraling genoteerd; • m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk van betrokkene, worden relatief beperkte en eerder cursusgerichte publicaties teruggevonden • m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, worden de behaalde prijzen eerder als aanmoediging in het kader van de opleiding gesitueerd; • m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, kunnen enkel minder relevante of manifestaties zonder al te grote betekenis aangehaald worden; • m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, zijn de bijdragen van zeer bescheiden omvang of irrelevant; • m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, kon geen dossier voorgelegd worden; zodat er duidelijk onvoldoende elementen aanwezig zijn om aan betrokkene een ruime artistieke faam toe te kennen”; Overwegende dat de verwerende partij behalve voornoemd proces-verbaal in het administratief dossier als stukken uitgaande van de adviescommissie dramatische kunst, muziek en dans voorts de “technische fiche” voor verzoeker, de individuele beoordelingen van de zes commissieleden en de formulieren “AF - Werkdocument I” en “AF - Werkdocument II” voorlegt; dat verzoeker blijkens die stukken overeenkomstig de hiervoor geschetste procedure een totaalscore bereikt van 30; dat de technische fiche over verzoeker stelt: “Na grondige kennisname van het dossier van betrokkene kwam de bevoegde commissie dd. 10.05.1999 tot onderstaand advies: [...] gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40, luidt het advies hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de RvB d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toe te kennen”; De gegrondheid van het beroep. 3.
  2. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel schending van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat verzoeker de hiervoor aangehaalde motivering bij de bestreden beslissing citeert en erop wijst dat hij “een zeer omvangrijk dossier [heeft] ingediend met opgave, criterium per criterium, van feitelijke argumenten die de aanwezigheid van artistieke faam verantwoorden”; dat hij betoogt dat “[d]eze feitelijke elementen [...] in de motivering niet [werden] beantwoord”; dat volgens verzoeker de verwerende partij in de bestreden beslissing niet duidelijk maakt, gelet “op de overvloed van feitelijke XII-2214-5/15 elementen”, hoe zij tot de geciteerde conclusie is gekomen; dat het feit dat de beslissing “voorbereid werd door een puntenscore, opgesteld door de zogenaamde Commissie Artistieke Faam” volgens verzoeker aan dit alles geen afbreuk doet, vermits volgens de rechtspraak van de Raad van State zelfs bij een geheime stemming een uitdrukkelijke en afdoende motivering moet worden gegeven; dat verzoeker tot slot van zijn betoog “[t]er weerlegging van de stijlclausules in de motivering” verwijst “naar het overvloedig feitenmateriaal, aangehaald in het aanvraagdossier”; Overwegende dat de verwerende partij hiertegen inbrengt dat uit de door haar neergelegde stukken blijkt dat alle aanvragen individueel en uitgebreid werden onderzocht, dat bij dit onderzoek de decretaal bepaalde criteria werden gehanteerd, welke werden beoordeeld op basis van de ingediende dossiers, dat de raad van bestuur op 21 juni 1999 het dossier van verzoeker heeft besproken en collegiaal heeft besloten geen ruime artistieke faam toe te kennen, dat bij deze beslissing “als motivatie afschrift werd gevoegd van het op deze criteria gebaseerde advies van de commissie van het departement audiovisuele en beeldende kunst”, dat “het uiteindelijke advies, zoals door de commissie werd verleend aan de Raad van Bestuur, gebaseerd is op de verschillende onafhankelijke beoordelingen van de zes commissieleden en een samenvatting is van deze standpunten”, dat ter voldoening aan de motiveringsplicht zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991, het volstaat dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden doet kennen waarop ze is gesteund en die haar kunnen verantwoorden, dat men “niet anders kan stellen dan dat het voor verzoekende partij duidelijk is waarom er een voor hem ongunstige beslissing werd genomen” en dat “het feit dat verzoekende partij met bepaalde delen desaangaande niet akkoord is, evenwel los staat van de motiveringsplicht”, dat geen stereotiepe motivering werd gegeven maar, zoals mag blijken uit vergelijking van de verschillende gelijkaardige voor de Raad hangende procedures, voor elk personeelslid een aangepaste en aparte motivering werd gegeven; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de bestreden beslissing weliswaar de decretale criteria vermeldt, “maar deze criteria worden telkens gevolgd door een stereotiepe stijlformule, zodat de verzoekende partij uit de beslissing niet kan afleiden waarom deze ongunstig is”; dat hij voorts opmerkt dat het middel “niet concreter [kon] zijn dan een herhaling van de feitelijke elementen van de oorspronkelijke aanvraag, die in het middel werden aangeduid, doch die door de verwerende partij niet werden beantwoord omwille van het gebruik van stijlformules”; dat verzoeker voorts vergelijkt met een beoordeling XII-2214-6/15 door een examencommissie, “waarbij men enerzijds niet te streng kan zijn, doch anderzijds omwille van de discretionaire bevoegdheid alleszins de motieven dient aan te geven waarop men feitelijk en rechtens steunt”; dat volgens verzoeker het ontbreken van motivering “des te duidelijker” is, “nu twee juryleden enkel en alleen met punten beoordeeld hebben en de eindbeoordeling door de Raad van Bestuur hierop gebaseerd is”; dat dan verzoeker een meer uitvoerige uiteen-zetting geeft, per beoordelingscriterium, om aan te tonen waarom verwerende partij onterecht aan zijn ruime artistieke faam is voorbij gegaan; dat die uiteenzetting in wezen de herhaling is van hetgeen hij in de overzichtslijsten voor ieder criterium in zijn aanvraagdossier had opgenomen : “
  3. Publicaties over het werk in vakbladen, tijdschriften of kranten : De beslissing is beperkt tot een stijlformule en verzoeker kan onmogelijk weten waarom voor hem een ongunstige beslissing wordt genomen, nu in de stijlformule niettemin wordt aangenomen dat hij kwalitatieve prestaties levert enerzijds, terwijl zondermeer wordt geponeerd dat deze eerder beperkt zijn en een weinig relevante uitstraling hebben, zonder dat wordt aangegeven waarom deze kwalitatieve prestaties dit karakter zouden hebben. Immers in het aanvraagdossier werden volgende feitelijke argumenten naar voren gebracht, die niet worden weerlegd : - een indrukwekkende lijst prestaties als dirigent en solist trombonist, o.m. met het Harsonara trombonekwartet, met een zeer lovende kritiek in G.v.A., 09/01/96, en vermelding : 'Een speciale pluim voor Marc Lamoen, die het jonge talent op een tweede podium in de maat en de juiste toon hield, en samen met Ivo Hadermann een staaltje weggaf van eigentijds muzikaal communiceren'. - G.v.A. : 'Er werd andermaal gemusiceerd op zeer hoog niveau, waarbij dit keer speciale vermeldingen moeten gaan naar solist-trombonist Marc Lamoen. - geselecteerd kandidaat trombone voor het Wereldorkest van Jeugd en Muziek, sessie
  4. - deelname feestelijke opening seizoen de Singel 1982-1983, met het bazuinkwartet Harsonara. - lovende bespreking door de directrice van de vzw Sir Jehudi Menuhi's, Live music now : 'Harsonara was uitgekozen door een jury van bekende musici en bleek professioneel te zijn zowel in de keuze van het programma, voorstelling aan het publiek en hun buitengewoon goed spel'. - krantenartikel Kerstmis op de luchthaven te Deurne, met vermelding 'van het bazuinkwartet Harsonara, onder de leiding van Marc Lamoen, bekend van de vele concerten in de Benelux”. - krantenartikel Het Nieuwsblad, 18/2/90, Kerstmis op de luchthaven, met andermaal verwijzing naar 'bazuinkwartet Harsonara ... met als dirigent Marc Lamoen. - zie documenten in verband met aperitiefconcerten Harsonara te Schelle, Brasschaat, kasteelconcert, Lepelhof aperitiefconcerten. - krantenartikel optreden Walburg te Sint-Niklaas, met vermelding Marc Lamoen. - artikel i.v.m. het trombonekwartet, seizoen 1983/84, salonconcerten, met verwijzing naar de bewerkingen van Marc Lamoen. - uittreksel i.v.m. het optreden v/h trombone ensemble Karel Smits in de Muntschouwburg in
  5. XII-2214-7/15 - overeenkomst tussen de heer Marc Lamoen en de Koninklijke Muntschouwburg.
  6. Eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk : Men beperkt zich tot een verwijzing naar relatief beperkte en eerder cursusgerichte publicaties, zonder toelichting waarom men deze beoordeling geeft. Nochtans had verzoeker verwezen naar : - de talrijke bewerkingen als arrangeur voor het trombonekwartet, gevoegd bij het dossier AMBV53a - het schrijven van directeur Mariën van de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans te Lier, dd. 18/11/98, waarin verwezen wordt naar het repertorium - de bundel Tien om te zingen, met voorwoord van inspecteur D. Rombaut : 'De auteurs (Marc Lamoen - Jan Coeck) hebben ernaar gestreefd onderwijskundig-didactische aspecten te verzoenen met inhoudelijke thema's die het kind kunnen en moeten aanspreken ... Gebruik van een hedendaagse toonspraak met polyvalente toepassingsmogelijkheden ... Het initiatief verkrijgt onze volledige ondersteuning'. - het schrijven van directeur Ernest Maes dd. 17/11/98 - de cursus Eenstemmige en meerstemmige gehoorvorming - het schrijven van docent-dirigent Frans Dubois dd. 16/11/98, waarin de band gelegd wordt tussen de pedagogische publicaties enerzijds, maar ook het werk als uitvoerend musicus en trombonesolist in een orkest 'waar hij door zijn collega's hoog wordt ingeschat'. - het voorzitterschap van de docentenvereniging K.V.M.C. Antwerpen, Hogeschool Antwerpen (het is typerend dat de collega's hem als docent ervaren en hem in die hoedanigheid zelfs verkiezen als voorzitter van hun vereniging, waarvoor verzoeker ook werd gefeliciteerd bij schrijven van de verwerende partij dd. 25/06/96, terwijl anderzijds de verwerende partij tot een besluit komt dat er geen redenen zijn om verzoeker als docent te beschouwen wegens het gebrek aan ruime artistieke faam. Nochtans dient verzoeker in die hoedanigheid contacten te leggen met zusterverenigingen van andere Hogescholen. - Ook is verzoeker auteur van het jubileumboek '100 jaar Conservatorium'.
  7. Regionale, federale of internationale prijzen : - prijs M. van Boxstaele voor kamermuziek kopers - prijs Wed. F. Verrept-Brouwers
  8. Belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland : Niettegenstaande de voorgebrachte bewijzen, wordt in de bestreden motivering enkel aangegeven dat deze zeer bescheiden van omvang zijn of irrelevant. Nochtans heeft verzoeker verwezen naar : - zijn talrijke contacten en deelnames aan jury's (zie bewijsstukken) - zijn orkestervaring in de Philharmonie te Antwerpen (zie bewijsstukken) - zijn orkestervaring in Symfonieorkest De Lier (zie bewijsstukken) - zijn orkestervaring in The Belle Epoque Orchestra (zie bewijsstukken)
  9. Realisaties voor binnen- of buitenlandse instellingen : Verzoeker heeft talrijke contacten met buitenlandse conservatoria, waaronder het conservatorium van Maastricht, dat op 24/11/98 een aanbevelingsbrief schreef, met verwijzing naar '...de reputatie zoals wij die van U kennen middels onze wederzijdse collegae. Uw reputatie geeft mij aanleiding er ten volle op te vertrouwen dat U als docent goed zult functioneren. Op basis van uw lesmateriaal hiervan kan ik verklaren dat het waardig is aan de Vlaamse en ook Nederlandse Conservatoria te worden gebruikt'. Ten onrechte wordt dit in de bestreden motivering afgedaan als zeer bescheiden of irrelevant”; XII-2214-8/15 Overwegende dat verzoeker bij wijze van laatste memorie enkel meedeelt zich te kunnen aansluiten bij het auditoraatsverslag; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opnieuw verwijst “naar de vele dossiers [die] in gelijkaardige procedures voor [de] Raad werden gebracht, en met name naar de motiveringen in de administratieve dossiers die door [haar] werden neergelegd” om aan te tonen dat ieder aanvraag is beoordeeld op de eigen merites en zonder stijlformules; dat zij tegenspreekt dat de enkele puntenscore door twee juryleden toegekend “er automatisch toe zou leiden dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd is”, gelet op de werkwijze van de commissie en “in het bijzonder het feit dat drie verschillende quoteringen mogelijk zijn, met name 0, 5 en 10 en elk van deze cijfers overeenkomen met een bepaalde schriftelijke motivering”; dat zij er aan herinnert dat de commissie is samengesteld uit leden “specifiek gekozen uit de discipline waarvoor de artistieke faam dient te worden verworven” en dat de leden van die commissie in dit dossier “van oordeel waren dat de referenties die door verzoekende partij worden aangebracht, te weinig relevant en te weinig uitstraling bevatten”; dat verwerende partij ten slotte vaststelt dat verzoeker in de memorie van wederantwoord “bijkomende bemerkingen” maakt op de motivatie, dat moet worden opgemerkt dat verzoeker vast benoemd leraar notenleer was en hij dan ook beoordeeld dient te worden in zijn mogelijke artistieke faam op het vlak van de notenleer, en niet in deze als uitvoerend musicus en trombone solist in een orkest, dat er bijvoorbeeld ook geen toelichting wordt gegeven over de aard of de waarde van de prijzen die verzoeker heeft ontvangen, noch welke realisaties of producties specifiek relevant zouden zijn voor de gedoceerde materie en dat nog steeds geen antwoord wordt gegeven op de vraag waar en waarom precies het bestreden besluit in strijd zou zijn met de door verzoeker in zijn aanvraag aan het bestuur voorgelegde feitelijke gegevens; dat verwerende partij meer in het algemeen opmerkt dat een latere verwijzing naar de stukken in zijn dossier “uiteraard onvoldoende is vermits dit noch [de] Raad [van State], noch verwerende partij toelaat de kritiek of bemerkingen te beoordelen”; 3.
  10. Overwegende dat de ruime artistieke faam die in vergelijking met het andere onderwijzend personeel bijkomend vereist wordt van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, los staat van de andere, algemene, pedagogische of organisatorische vereisten; dat de decreetgever een autonome beoordeling heeft gewenst van de ruime artistieke faam, zoals blijkt uit het in herinnering gebrachte artikel 317bis, § 3, in samenhang met artikel 2, 28ter/, van het XII-2214-9/15 hogescholendecreet; dat verzoekers middel gebaseerd is op de schending van de motiveringsplicht die bij de uitoefening van deze beoordeling door het bestuur dient nageleefd; 3.
  11. Overwegende, in zoverre schending van de uitdrukkelijke- motiveringswet wordt aangevoerd, dat aan de aan verzoeker ter kennis gebrachte beslissing van de raad van bestuur een motivering, voor elk van de decretale criteria, is toegevoegd; dat de verwerende partij, hoe summier zij haar beslissing volgens verzoeker ook gemotiveerd moge hebben, de erkenning van de ruime artistieke faam blijkens die motivering wezenlijk heeft geweigerd, op grond van het haar voorgelegde dossier en van de bij decreet voorgeschreven criteria, wegens de weinig relevante uitstraling van verzoekers realisaties, die bovendien deels in het kader van de opleiding zelf te situeren zijn; Overwegende dat de decreetgever voor de concordantie tot docent van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijs, niet enkel oog heeft voor de intrinsieke artistieke kwaliteiten van de betrokkene in de beoefende kunsttak; dat het door de decreetgever gehanteerde begrip “faam” op zich reeds refereert aan bezit van reputatie en prestige in de ogen van het publiek of, anders gesteld, van de “uitstraling” die het werk van de kunstenaar heeft; dat het bestuur voorts geen onwettige invulling geeft aan het bij decreet opgelegde vereiste van “ruime artistieke faam”, door het “ruime” en de “faam” -of de “erkenning van de vermaardheid”- van de ruime artistieke faam minstens ook te begrijpen als de uitgestrektheid ervan gesteld tegenover het louter plaatselijke en als de ruime renommee bij derden gesteld tegenover de reputatie in eigen kring of in het kader van de opleiding; dat immers, door het onderscheiden in artikel 317bis, § 3, van het decreet van regionale, federale of internationale prijzen en van realisaties, manifestaties of tentoonstellingen in binnen- en buitenland, de decreetgever het artistieke ook door een kwantitatief element bewezen heeft willen zien; dat voorts de publicaties en gerealiseerde dossiers volgens de decreetgever “in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” moeten staan; dat ook voor dit criterium het bestuur niet onwettig oordeelt door publicaties die cursusgericht zijn niet te rangschikken onder de vermaardheid die blijkens artikel 2, 28ter/, “in een kunsttak” moet zijn verworven; Overwegende dat, los van de concrete gegevens van het dossier, de door het bestuur veruitwendigde redenen als zodanig grondslag kunnen geven aan een afwijzende beslissing; dat daaruit moet worden besloten dat verzoeker door de XII-2214-10/15 kennisgeving van de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven, aldus in grote lijnen weet waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen; dat de door verwerende partij gegeven beknopte toelichting eventueel niet als motivering zou volstaan wanneer de concrete gegevens van het dossier kunnen doen twijfelen aan de ernst van de bij ieder criterium neergeschreven beoordeling; dat zulks dan echter geen probleem meer is van formele, maar van materiële motivering; dat de verduidelijking die verzoeker geeft in de memorie van wederantwoord, na kennis te hebben genomen van het administratief dossier en dus van de sub
  12. opgesomde fiches en formulieren, er overigens van doet blijken dat hij niet de formele, maar de materiële motivering ter discussie stelt; dat bij het onderzoek van het tweede middelonderdeel zal worden nagegaan of de door verzoeker aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat zij aan de ernst van de puntentoekenning doen twijfelen; dat het middelonderdeel gesteund op de schending van de wet van 29 juli 1991 niet gegrond is; 3.
  13. Overwegende, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dat reeds op grond van wat voorafgaat is gebleken dat de afwijzing van verzoekers aanvraag tot erkenning van ruime artistieke faam wegens de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven, mits die verantwoording ook steun vindt in feite, rechtens de beslissing van het bestuur kan schragen; dat verzoeker evenwel ten gronde betwist dat die motieven ook feitelijk juist zijn; Overwegende dat verzoeker, wil hij dergelijk rechtsmiddel op ontvankelijke wijze aanvoeren, niet er mee mag volstaan de motiveringsplicht als rechtsbeginsel geschonden te noemen; dat hij ook een voldoende duidelijke omschrijving moet geven van de wijze waarop dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat de Raad aldus binnen het raam van de aangevoerde onwettigheid wel mag nagaan of de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke feiten berustende motieven, die door het discretionair oordelend bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld; dat het echter op de eerste plaats aan de verzoekende partij toekomt om haar grieven ter zake voor de Raad van State op concrete, precieze en nauwkeurige wijze te ontwikkelen en aan te tonen dat de raad van bestuur bij zijn besluitvorming de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid is te buiten gegaan, hetzij dat enige XII-2214-11/15 onzorgvuldigheid in de werkzaamheden van de commissie op de bestreden beslissing kan inwerken; dat wanneer de verzoekende partij dit nalaat, niet van de Raad van State mag worden verwacht dat hij het door haar ingediende dossier, en meer bepaald de overzichtslijsten die door verzoekende partij voor elk van de decretale criteria zijn opgesteld, minutieus zou gaan ontleden; dat immers dan in werkelijkheid zou worden verwacht dat de Raad van State in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift zou opstellen; dat bijgevolg enkel rekening wordt gehouden met de elementen die met de nodige precisie worden aangebracht; 3.
  14. Overwegende dat de door de commissie te volgen werkwijze aan verzoeker bekend is, aangezien hij zelf het betrokken besluit van de raad van bestuur bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd; dat het middel niet de wettigheid in twijfel trekt van dit procedurereglement; Overwegende dat verzoeker uit dit procedurebesluit weet dat de door de leden van de commissie toe te kennen scores geen eigendunkelijke quotering in een schaal van nul tot twintig punten is, wat in dat geval inderdaad als motief niet zou kunnen volstaan, maar een verkorte vorm die staat -moet staan- voor een waardering niet/wel relevant en weinig/grote/uitzonderlijke uitstraling; dat elke score reeds als equivalent staat -hoe beknopt ook- voor een onder woorden gebrachte waardering van ieder jurylid van de hem voorgelegde gegevens in de overzichtslijst; Overwegende dat het effectief ontbreken van nadere motieven-van- de-motieven bij de fiche van één lid (en niet van twee leden) van de zes leden tellende commissie niet ipso facto zijn beoordeling verdacht maakt en zulks des te minder gelet op de grote conformiteit met de beoordelingen van de vijf andere commissieleden, die hun beoordeling wel bijkomend met aanvullende handgeschreven bemerkingen onder woorden hebben gebracht; Overwegende, wat het criterium “publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten” betreft, dat dit betrekking heeft op de wijze waarop het werk van de kunstenaar in de buitenwereld bekendheid krijgt en besproken wordt; dat verzoeker zich niet beroept op publicaties over zijn werk als kunstenaar in vakbladen of gespecialiseerde pers, maar enkel op besprekingen in kranten van zijn optredens als dirigent of trombonist bij concerten; dat verzoeker niet aantoont en de Raad niet zonder meer ziet dat de verslaggeving over die concerten in kranten als Het Nieuwsblad en de Gazet van Antwerpen onterecht door XII-2214-12/15 verwerende partij zijn aangemerkt als “weliswaar kwalitatieve doch grotendeels prestaties met eerder beperkte tot weinig relevante uitstraling”; dat een aantal documenten waar verzoeker zich bijkomend op beroept slechts voor intern gebruik zijn bestemd, zoals de overeenkomst met de Muntschouwburg voor een optreden in 1984, of als aankondiging van een nog te gebeuren optreden, en niet als “publicaties over het werk” zijn te begrijpen in de zin van dit criterium; Overwegende, wat het criterium “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” betreft, dat verzoeker in de overzichtslijst als items zijn notenleerlessen Hogere Graad, zijn cursus “eenstemmige en meerstemmige gehoorvorming”, een liedbundel “Tien om te zingen” met didactische tips voor AMV niveau L3 en het jubileumboek “100 jaar conservatorium” heeft vermeld, en daarenboven zijn voorzitterschap van de docentenvereniging; dat hij niet weerlegt dat de door hem opgegeven elementen “eerder cursusgerichte publicaties” zijn zoals in de motivering is te lezen; Overwegende, wat het criterium “regionale, federale of inter- nationale prijzen” betreft, dat verzoeker in het aanvraagdossier twee prijzen heeft vermeld, behaald in 1980 en in 1983; dat hij bij een van die prijzen zelf heeft vermeld dat het een pedagogische prijs is; dat hij voorts de Raad geen enkele informatie verschaft over deze twee prijzen; dat de beoordeling door verwerende partij dat die prijzen “eerder als aanmoediging in het kader van de opleiding gesitueerd” zijn, door verzoeker niet wordt ontkracht; Overwegende, wat het criterium “deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland” betreft, dat verzoekers deelname aan examencommissies van verschillende gemeentelijke muziekacademies bezwaarlijk als “belangrijke manifestaties” gekwalificeerd kunnen worden, hoe regelmatig hij ook wordt uitgenodigd voor dergelijke taak; dat zijn orkestervaring voornamelijk te situeren is in optredens in de provincie Antwerpen; dat verzoeker voorts aan de Raad geen verduidelijking verschaft over de grote artistieke betekenis van die manifestaties en niet op concrete wijze aantoont waarom zijn orkestervaring onterecht is afgedaan als minder relevant of als zonder al te grote betekenis; Overwegende, wat het criterium “realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven” betreft, dat verzoeker één item vermeldt: “Internationaal uitwisselen van eigen studiemateriaal/composities. solfège - XII-2214-13/15 gehoortraining. (zie document Conservatorium Maastricht)”; dat verzoeker wel beweert dat die bijdrage onterecht als “van zeer bescheiden omvang of irrelevant” wordt beoordeeld; dat hij het evenwel bij die bewering laat; dat het de Raad overigens voorkomt dat ook de hier opgenomen bijdrage eerder in het kader van verzoekers leeropdracht is te situeren; de Raad alleszins niet spontaan inziet hoe de verwerende partij op grond van de feitelijke gegevens dan wel tot een andere en voor verzoeker gunstiger beoordeling had kunnen of moeten komen; Overwegende, wat het criterium “bijdragen aan belangrijke producties” betreft, dat verzoeker op de overzichtslijst verwijst naar zijn deelname, als trombonist, aan operaproducties; dat verzoeker evenwel, behoudens een algemene aanbevelingsbrief van zijn dirigent, inderdaad geen dossier heeft voorgelegd over deze producties of zijn bijdrage daartoe; Overwegende dat wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat verzoeker het algemeen besluit om hem geen ruime artistieke faam toe te kennen niet ontkracht; dat hij er niet in slaagt aan te tonen waar en waarom dit besluit in strijd is met de door hem in zijn aanvraag voorgelegde feitelijke gegevens; dat dienvolgens het middelonderdeel ongegrond is; 3.
  15. Overwegende dat een uitspraak over het tweede middel niet volstaat om het geschil op te lossen; dat het auditoraatsverslag tot het onderzoek van dit middel was beperkt, XII-2214-14/15 BESLUIT: Artikel
  16. De debatten worden heropend. Artikel
  17. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2214-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.678 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.429 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.759 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.