← België

Arrest 145679 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.679 Rolnummer: A. 86554/XII-2215 Zaak: Arrest 145679 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 17:25 Fiche Arrest nr 145.679 van 9 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.679 van 9 juni 2005 in de zaak A. 86.554/XII-

  1. In zake : René HUYBRECHTS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René Huybrechts op 6 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen “waarbij geen artistieke faam aan verzoeker wordt toegekend”; Gelet op het arrest nr. 87.430 van 23 mei 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2215-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De relevante reglementering. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker voormalig leraar artistieke vakken is (specialiteit: tekenen) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, thans geïntegreerd in de Hogeschool Antwerpen; dat hij als zodanig valt onder de “leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten” wier ambt krachtens artikel 317bis, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals ten tijde van de bestreden beslissing gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998 (hierna ook: hogescholendecreet), wordt geconcordeerd tot het ambt van assistent of, krachtens artikel 317bis, § 2, tot het ambt van docent; dat de decreetgever de concordantie tot het ambt van docent heeft willen voorbehouden aan het personeel dat over een ruime artistieke faam beschikt; 1.
  4. Overwegende dat met artistieke faam, als voorwaarde tot concordantie tot docent, luidens artikel 2, 28/ter, van het hogescholendecreet wordt bedoeld “de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak”; XII-2215-2/15 Overwegende dat de decreetgever de erkenning van de ruime artistieke faam luidens artikel 317bis, § 3, van het hogescholendecreet heeft opgedragen aan het hogeschoolbestuur in de volgende bewoordingen : “Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline : - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten; - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene; - regionale, federale of internationale prijzen; - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland; - realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven; - relevante bijdragen aan belangrijke producties; - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea. Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd.”; 1.
  5. Overwegende dat verwerende partij voor de erkenning van de ruime artistieke faam bij besluit van haar raad van bestuur van 26 oktober 1998 tot een eenvormige procedure heeft beslist; dat dit procedurereglement in het administratief dossier voorligt en ook door verzoeker bij zijn verzoekschrift is gevoegd; dat de raad van bestuur blijkens dit procedurereglement en de andere stukken van het administratief dossier in ieder geval dient acht te slaan op het advies van een door hem samengestelde commissie van zes leden die iedere aanvraag voorafgaandelijk onderzoekt en beoordeelt; dat het gunstig advies van deze commissie staat of valt met het al dan niet toekennen aan de aanvraag van een “score” van minimaal 40; dat de door deze commissie gevolgde procedure bij het vaststellen van de “score” ten minste de volgende stappen blijkt te omvatten :

(1). de aanvraag gebeurt middels een formulier AMBF53, waar als bijlage een dossier dient te worden gevoegd bestaande uit afschriften van diploma's en curriculum vitae tot 31 december 1995, een overzichtslijst per decretaal bepaald criterium en de daarmee overeenstemmende bewijsstukken (“alle stukken ter staving van het kerndossier (portfolio)”) en tenslotte per bewijsstuk een motivering waaruit relevantie blijkt.
(2). van de aanvraag wordt kennis genomen door de zes leden van de adviescommissie die, elk lid op een afzonderlijke fiche, voor ieder criterium “rekening [houdt] met de uitstraling per criterium” en de criteria per kandidaat quoteert volgens de hierna opgenomen schaal: 0 : niet relevant + weinig uitstraling, XII-2215-3/15 5: relevant + weinig uitstraling, 10: relevant + grote uitstraling, 20: (bijzonder) relevant + zeer grote uitstraling (deze laatste score volgens een vermelding op de fiche “uitzonderlijk toe te kennen”) en die een onder woorden gebrachte motivering voor de toegekende scores kunnen neerschrijven.
(3). de scores van ieder commissielid en voor elk criterium worden op een tabel “AF-Werkdocument I” samengebracht. Per criterium worden de scores van het laagst en deze van het hoogst quoterende commissielid doorstreept en er wordt voor het latere geen rekening mee gehouden. De vier voor ieder criterium overblijvende scores worden opgeteld en genoteerd in een kolom “overgebleven som”. Vervolgens wordt van die som een gemiddelde gemaakt en genoteerd in de overeenkomstige kolom “gemiddelde”. Tenslotte bevat de tabel een kolom “omzetting” waarin de gemiddelden die geen veelvoud zijn van vijf worden afgerond als volgt:
(4). de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” van werkdocument I worden vervolgens overgebracht naar een formulier “AF - Werkdocument II” en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. Naast die totaalscore is op het document volgende tekst voorgedrukt : “Samenvattende schriftelijke motivatie: G gezien betrokkene een totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, artistieke faam toegekend. G gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend.”; De gegevens van de zaak.
  1. Overwegende dat de bestreden beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur wordt genomen op “het gemotiveerd advies van de bevoegde commissie, in vergadering d.d. 21.05.1999” en “op basis van de motivering aan deze beslissing toegevoegd”; dat deze aan de beslissing toegevoegde motivering de woordelijke weergave is van het proces-verbaal van de bevoegde commissie, van hetgeen deze laatste heeft genotuleerd met betrekking tot de aanvraag van verzoeker : XII-2215-4/15 “A m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er een beperkt aantal publicaties met geringe uitstraling terug te vinden; A m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk van betrokkene, noteren we weinig uitstraling A m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, zijn deze grotendeels lokaal of regionaal, met weinig uitstraling; A m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, hebben deze weinig uitstraling; A m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, zijn er een aantal realisaties maar dan enkel zeer plaatselijk; A m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, werden geen elementen opgegeven; A m.b.t. tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea, zijn er een aantal expo's met geringe uitstraling in een lokaal circuit; zodat er onvoldoende elementen aanwezig zijn om aan betrokkene een ruime artistieke faam toe te kennen”; Overwegende dat de verwerende partij behalve voornoemd proces-verbaal in het administratief dossier als stukken uitgaande van de adviescommissie audiovisuele en beeldende kunst voorts de “technische fiche” voor verzoeker, de individuele beoordelingen van de zes commissieleden, de formulieren “AF - Werkdocument I”, “AF - Werkdocument II” en een met de hand uitgeschreven motivering voorlegt; dat verzoeker blijkens die stukken overeenkomstig de hiervoor geschetste procedure een totaalscore bereikt van 30; dat de technische fiche over verzoeker stelt: “Na grondige kennisname van het dossier van betrokkene kwam de bevoegde commissie dd. 10.05.1999 tot onderstaand advies: [...] gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40, luidt het advies hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de RvB d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toe te kennen”; dat de fiche met de handgeschreven motivering identiek is aan de motivering welke in het proces-verbaal van de bevoegde commissie is opgenomen en vervolgens later door de raad van bestuur aan zijn beslissing is gehecht; De gegrondheid van het beroep. 3.
  2. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel schending van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat verzoeker de hiervoor aangehaalde motivering bij de bestreden beslissing citeert en erop wijst dat hij “een zeer omvangrijk dossier [heeft] ingediend met opgave, criterium per criterium, van feitelijke argumenten die de aanwezigheid van artistieke XII-2215-5/15 faam verantwoorden”; dat hij betoogt dat “[d]eze feitelijke elementen [...] in de motivering niet [werden] beantwoord”; dat volgens verzoeker de verwerende partij in de bestreden beslissing niet duidelijk maakt, gelet “op de overvloed van feitelijke elementen”, hoe zij tot de geciteerde conclusie is gekomen; dat het feit dat de beslissing “voorbereid werd door een puntenscore, opgesteld door de zogenaamde Commissie Artistieke Faam” volgens verzoeker aan dit alles geen afbreuk doet, vermits volgens de rechtspraak van de Raad van State zelfs bij een geheime stemming een uitdrukkelijke en afdoende motivering moet worden gegeven; dat verzoeker tot slot van zijn betoog “[t]er weerlegging van de stijlclausules in de motivering” verwijst “naar het overvloedig feitenmateriaal, aangehaald in het aanvraagdossier”; Overwegende dat de verwerende partij hiertegen inbrengt dat uit de door haar neergelegde stukken blijkt dat alle aanvragen individueel en uitgebreid werden onderzocht, dat bij dit onderzoek de decretaal bepaalde criteria werden gehanteerd, welke werden beoordeeld op basis van de ingediende dossiers, dat de raad van bestuur op 21 juni 1999 het dossier van verzoeker heeft besproken en collegiaal heeft besloten geen ruime artistieke faam toe te kennen, dat bij deze beslissing “als motivatie afschrift werd gevoegd van het [...] advies van de commissie van het departement audio, visuele en beeldende kunst”, dat “het uiteindelijk advies, zoals door de commissie werd verleend aan de Raad van Bestuur, gebaseerd is op de verschillende onafhankelijke beoordelingen van de zes commissieleden en een samenvatting is van deze standpunten”, dat ter voldoening aan de motiveringsplicht zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991, het volstaat dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden doet kennen waarop ze is gesteund en die haar kunnen verantwoorden, dat men “niet anders kan stellen dan dat het voor verzoekende partij duidelijk is waarom er een voor hem ongunstige beslissing werd genomen” en dat “het feit dat verzoekende partij met bepaalde delen desaangaande niet akkoord is, evenwel los staat van de motiveringsplicht”, dat geen stereotiepe motivering werd gegeven maar, zoals mag blijken uit vergelijking van de verschillende gelijkaardige voor de Raad hangende procedures, voor elk personeelslid een aangepaste en aparte motivering werd gegeven; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de bestreden beslissing weliswaar de decretale criteria vermeldt, “maar deze criteria worden telkens gevolgd door een stereotiepe stijlformule, zodat de verzoekende partij uit de beslissing niet kan afleiden waarom deze ongunstig is”; dat hij voorts opmerkt dat het middel “niet concreter [kon] zijn dan een herhaling van de XII-2215-6/15 feitelijke elementen van de oorspronkelijke aanvraag, die in het middel werden aangeduid, doch die door de verwerende partij niet werden beantwoord omwille van het gebruik van stijlformules”; dat verzoeker voorts vergelijkt met een beoordeling door een examencommissie, “waarbij men enerzijds niet te streng kan zijn, doch anderzijds omwille van de discretionaire bevoegdheid alleszins de motieven dient aan te geven waarop men feitelijk en rechtens steunt”; dat volgens verzoeker het ontbreken van motivering “des te duidelijker” is, “nu twee juryleden enkel en alleen met punten beoordeeld hebben en de eindbeoordeling door de Raad van Bestuur hierop gebaseerd is”; dat dan verzoeker een meer uitvoerige uiteenzetting geeft, per beoordelingscriterium, om aan te tonen waarom verwerende partij onterecht aan zijn ruime artistieke faam is voorbij gegaan; dat die uiteenzetting in wezen de herhaling is van hetgeen hij in de overzichtslijsten voor ieder criterium in zijn aanvraagdossier had opgenomen : “
  3. Eigen realisaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk: Bij wijze van typeformulering wordt door de verwerende partij enkel gesteld dat verzoeker weinig uitstraling heeft. Nochtans heeft verzoeker verwezen naar volgende realisaties, die wel wijzen op de artistieke uitstraling van verzoeker: - Lloyds’ Frost - illustraties dichtbundels - Het graf van Agamemnon - De dwaalgast - Verscholen termen - diverse dossiers betreffende tekenen en teksten voor o.m. de prijs Van Looy - Tekenen in de academie, tekst als voorbereiding voor publicaties - diverse teksten over Atlantis regained - Vijf seconden naakt bloot tekenen - Anatomie en voortgezette opleiding tekenen
  4. Overzichtslijst regionale. federale en internationale prijzen: In het curriculum vitae wordt verwezen naar volgende prijzen en selecties: - Jonge Belgische Grafiek, Lions Club Antwerpen - Provinciale Prijs, Antwerpen - Prijs voor Tekenkunst, Ronse - Prijs voor Tekenkunst, Kortenberg - Prijs Plastische kunst, Rotary Club, Dendermonde - Grafiekprijs Offenbach, Duitsland - Tekenprijs Joris Minne, Antwerpen - Prijs Héléne Goldmuntz, Club van Twaalf, Antwerpen - Internationale Senefelderprijs, Offenbach-am-Main - Prijs Tekenkunst, Kortenberg In de bestreden motivering wordt deze opgave afgedaan als grotendeels lokaal en regionaal, met weinig uitstraling. Deze motivering kan niet overtuigen, daar in de opgave talrijke federale en internationale prijzen vermeld zijn, zoals deze te Ronse, Kortenberg, Dendermonde, Offenbach Duitsland, internationale Senefelderprijs Duitsland. Evenmin wordt aangegeven waarom dit alles “weinig uitstraling” zou hebben.
  5. Deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland: XII-2215-7/15 Ook hier wordt zonder enige uitleg gezegd dat deze weinig uitstraling zouden hebben, nochtans heeft verzoeker verwezen naar: 1982 Galerij Roze Olifant, Antwerpen Ahoy, Wijnegem Gemeentehuis, Wijnegem BAC-Galerij, Wijnegem 1983 BBL, Antwerpen CC. Antwerpen 1984 CC. Zandvoort-aan-Zee (N) deSingel, Antwerpen BAC-galerij, Deurne 1985 Offenbach-am-Main (D) RIX, Deurne 1986 Artistiek Duet, Antwerpen Rhok, Brussel 1987 Kunsthuis, Antwerpen 1988 Jordaenshuis, Antwerpen 1989 Galerij Campo, Antwerpen Grafik Scole Ârhus (Den.) Merktet, Kopenhagen 1990 Kunsthuis, Antwerpen 1991 Elzenveld, Antwerpen 1992 Galerij Sonja Mertens, Antwerpen Lineart, Gent Gemeentehuis Kortenberg Laureaten tekenprijs Ronse 1993 Galerij Kallement, Wommelgem ‘t Scoon Huis, Antwerpen Dubbeltentoonstelling Geneesherenhuis — Galerij Sonja Mertens: Humani Corporis Fabrica, opgenomen in Antwerpen ‘93, inleiding door Frans Boenders. 1994 3de Biënnale Ieper XXXIe Grand Prix de la Côte d'Azur
  6. Realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen: Ook hier heeft verzoeker verwezen naar zijn curriculum vitae en zijn talrijke realisaties, doch deze worden in de bestreden motivering afgedaan als “zeer plaatselijk”, terwijl uit de lijst blijkt dat verzoeker tentoonstellingen gedaan heeft te Nederland (Zandvoortaan-Zee), Duitsland (Offenbach-am-Main) en Denemarken (Grafik skole Ârhus te Kopenhagen); tevens zijn er tentoonstellingen te Brussel, Gent, Kortenberg, Ronse en leper. Anderzijds dient de verwerende partij te weten dat initiatieven in het kader van Antwerpen ‘93 wellicht zeer plaatselijk zijn, doch wel een internationale uitstraling hebben. Het criterium F, relevante bijdrage aan belangrijke producties, is in casu niet dienend, daar dit betrekking heeft op theater of musicale optredens en in casu niet van toepassing kan zijn. Het argument dat dienaangaande geen elementen werden opgegeven, is dan ook niet ter zake dienend. Ook in verband met tentoonstellingen in vooraanstaande binnen- of buitenlandse galerijen wordt andermaal het argument aangehaald dat verzoeker slechts in een lokaal circuit zou opereren, terwijl uit de stukken blijkt dat dit feitelijk onjuist is. De verwerende partij maakt dus geenszins duidelijk waarom zij voor de aangehaalde criteria geen rekening houdt met de aangebrachte elementen”; XII-2215-8/15 Overwegende dat verzoeker bij wijze van laatste memorie enkel meedeelt zich te kunnen aansluiten bij het auditoraatsverslag; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert, indien de Raad het middel ontvankelijk zou verklaren, dat het dan “in casu alleszins ongegrond” is; dat zij herhaalt dat uit het administratief dossier en meer in het bijzonder de beoordeling van het dossier van verzoeker blijkt dat de commissieleden de aanvraag criterium per criterium hebben onderzocht “maar quasi unaniem van oordeel waren dat de publicaties weinig uitstraling hadden, de manifestaties talrijk waren maar veelal secundair beperkt en te lokaal” en dat deze motivering ook tot uiting komt in de score die aan verzoeker per criterium werd toegekend; dat volgens verwerende partij niet uit het oog mag worden verloren dat het een beoordeling betreft van het artistiek karakter van verzoekers realisaties en de faam die hij hiermee in de buitenwereld zou hebben verkregen zodat de motivering dat er bijvoorbeeld een gebrek aan uitstraling is of de faam niet artistiek is als afdoende moet worden beschouwd; dat volgens haar een dergelijke beoordeling door een commissie van deskundigen in het vakgebied van verzoeker voorts niet te vergelijken is met de examenuitslagen in het kader van normale onderwijsactiviteiten; 3.
  7. Overwegende dat de ruime artistieke faam die in vergelijking met het andere onderwijzend personeel bijkomend vereist wordt van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, los staat van de andere, algemene, pedagogische of organisatorische vereisten; dat de decreetgever een autonome beoordeling heeft gewenst van de ruime artistieke faam, zoals blijkt uit het in herinnering gebrachte artikel 317bis, § 3, in samenhang met artikel 2, 28ter/, van het hogescholendecreet; dat verzoekers middel gebaseerd is op de schending van de motiveringsplicht die bij de uitoefening van deze beoordeling door het bestuur dient nageleefd; 3.
  8. Overwegende, in zoverre schending van de uitdrukkelijke- motiveringswet wordt aangevoerd, dat aan de aan verzoeker ter kennis gebrachte beslissing van de raad van bestuur een motivering, voor elk van de decretale criteria, is toegevoegd; dat de verwerende partij, hoe summier zij haar beslissing volgens verzoeker ook gemotiveerd moge hebben, de erkenning van de ruime artistieke faam blijkens die motivering wezenlijk heeft geweigerd, op grond van het haar voorgelegde dossier en van de bij decreet voorgeschreven criteria, wegens de geringe of weinig relevante uitstraling van verzoekers realisaties of het plaatselijk karakter ervan; XII-2215-9/15 Overwegende dat de decreetgever voor de concordantie tot docent van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijs, niet enkel oog heeft voor de intrinsieke artistieke kwaliteiten van de betrokkene in de beoefende kunsttak; dat het door de decreetgever gehanteerde begrip “faam” op zich reeds refereert aan bezit van reputatie en prestige in de ogen van het publiek of, anders gesteld, van de “uitstraling” die het werk van de kunstenaar heeft; dat het bestuur voorts geen onwettige invulling geeft aan het bij decreet opgelegde vereiste van “ruime artistieke faam”, door het “ruime” en de “faam” -of de “erkenning van de vermaardheid”- van de ruime artistieke faam minstens ook te begrijpen als de uitgestrektheid ervan gesteld tegenover het louter plaatselijke en als de ruime renommee bij derden gesteld tegenover de reputatie in eigen kring of in het kader van de opleiding; dat immers, door het onderscheiden in artikel 317bis, § 3, van het decreet van regionale, federale of internationale prijzen en van realisaties, manifestaties of tentoonstellingen in binnen- en buitenland, de decreetgever het artistieke ook door een kwantitatief element bewezen heeft willen zien; Overwegende dat, los van de concrete gegevens van het dossier, de door het bestuur veruitwendigde redenen als zodanig grondslag kunnen geven aan een afwijzende beslissing; dat daaruit moet worden besloten dat verzoeker door de kennisgeving van de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven, aldus in grote lijnen weet waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen; dat de door verwerende partij gegeven beknopte toelichting eventueel niet als motivering zou volstaan wanneer de concrete gegevens van het dossier kunnen doen twijfelen aan de ernst van de bij ieder criterium neergeschreven beoordeling; dat zulks dan echter geen probleem meer is van formele, maar van materiële motivering; dat de verduidelijking die verzoeker geeft in de memorie van wederantwoord, na kennis te hebben genomen van het administratief dossier en dus van de sub.
  9. opgesomde fiches en formulieren, er overigens van doet blijken dat hij niet de formele, maar de materiële motivering ter discussie stelt; dat bij het onderzoek van het tweede middelonderdeel zal worden nagegaan of de door verzoeker aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat zij aan de ernst van de puntentoekenning doen twijfelen; dat het middelonderdeel gesteund op de schending van de wet van 29 juli 1991 niet gegrond is; 3.
  10. Overwegende, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dat reeds op grond van wat voorafgaat is gebleken dat de afwijzing van verzoekers aanvraag tot erkenning van ruime artistieke faam wegens de bij de bestreden beslissing XII-2215-10/15 gevoegde motieven, mits die verantwoording ook steun vindt in feite, rechtens de beslissing van het bestuur kan schragen; dat verzoeker evenwel ten gronde betwist of die motieven ook feitelijk juist zijn; Overwegende dat verzoeker, wil hij dergelijk rechtsmiddel op ontvankelijke wijze aanvoeren, niet er mee mag volstaan de motiveringsplicht als rechtsbeginsel geschonden te noemen; dat hij ook een voldoende duidelijke omschrijving moet geven van de wijze waarop dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat de Raad aldus binnen het raam van de aangevoerde onwettigheid wel mag nagaan of de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke feiten berustende motieven, die door het discretionair oordelend bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld; dat het echter op de eerste plaats aan de verzoekende partij toekomt om haar grieven ter zake voor de Raad van State op concrete, precieze en nauwkeurige wijze te ontwikkelen en aan te tonen dat de raad van bestuur bij zijn besluitvorming de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid is te buiten gegaan, hetzij dat enige onzorgvuldigheid in de werkzaamheden van de commissie op de bestreden beslissing kan inwerken; dat wanneer de verzoekende partij dit nalaat, niet van de Raad van State mag worden verwacht dat hij het door haar ingediende dossier, en meer bepaald de overzichtslijsten die door verzoekende partij voor elk van de decretale criteria zijn opgesteld, minutieus zou gaan ontleden; dat immers dan in werkelijkheid zou worden verwacht dat de Raad van State in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift zou opstellen; dat bijgevolg enkel rekening wordt gehouden met de elementen die met de nodige precisie worden aangebracht; 3.
  11. Overwegende dat de door de commissie te volgen werkwijze aan verzoeker bekend is, aangezien hij zelf het betrokken besluit van de raad van bestuur bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd; dat het middel niet de wettigheid in twijfel trekt van dit procedurereglement; Overwegende dat verzoeker uit dit procedurebesluit weet dat de door de leden van de commissie toe te kennen scores geen eigendunkelijke quotering in een schaal van nul tot twintig punten is, wat in dat geval inderdaad als motief niet zou kunnen volstaan, maar een verkorte vorm die staat -moet staan- voor een XII-2215-11/15 waardering niet/wel relevant en weinig/grote/uitzonderlijke uitstraling; dat elke score reeds als equivalent staat -hoe beknopt ook- voor een onder woorden gebrachte waardering van ieder jurylid van de hem voorgelegde gegevens in de overzichtslijst; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat elk lid van de zes leden tellende commissie niet enkel de door hem of haar toegekende scores heeft genoteerd, maar ook met eigen hand een aanvullende verantwoording -hoe summier ook- onder woorden heeft gebracht; dat het middel dan ook feitelijke grondslag mist wat betreft de bewering dat twee leden van de commissie “enkel en alleen met punten beoordeeld hebben”; Overwegende, wat het criterium “publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten” betreft, dat dit betrekking heeft op de wijze waarop het werk van de kunstenaar in de buitenwereld bekendheid krijgt en besproken wordt; dat verzoeker in het aanvraagdossier enkel noteert “zie c.v.”; dat de Raad in het door verzoeker overgelegd curriculum vitae vergeefs speurt naar publicaties over zijn werk; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord, in tegenstelling tot de andere criteria, ook nalaat in te gaan op dit criterium; dat de Raad niet ziet hoe verzoeker voor dit criterium een meer gunstige beoordeling zou verdienen; Overwegende, wat het criterium “eigen publicaties of gerealiseer- de dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” betreft, dat verzoeker in de overzichtslijst de items heeft genoteerd die hij ook in de geciteerde memorie van wederantwoord zonder verdere toelichting heeft hernomen; dat die opsomming en de loutere bewering, zonder meer, dat zij “wel wijzen op de artistieke uitstraling van verzoeker” in de procedure voor de Raad van State niet kan volstaan om de beoordeling van verwerende partij te ontkrachten, dat zijn realisaties weinig uitstraling hebben; Overwegende, wat het criterium “regionale, federale of internationale prijzen” betreft, dat verzoeker in het aanvraagdossier opnieuw verwijst naar zijn curriculum vitae, waarin de prijzen zijn opgesomd die verzoeker ook vermeldt in de memorie van wederantwoord; dat verzoeker over de aard en de betekenis van die prijzen geen enkele bijkomende toelichting heeft gegeven aan de verwerende partij noch aan de Raad, en al evenmin over het jaar waarin of het werk waarvoor hij die prijzen mocht ontvangen; dat het op het eerste gezicht en met XII-2215-12/15 uitzondering van de zogenaamde Senefelderprijs een aantal gemeentelijke prijzen, een provinciale prijs en prijzen van serviceclubs zijn; dat de Raad aan de hand van de hem voorgelegde gegevens dan ook niet ziet waar het motief van verwerende partij dat deze prijzen “grotendeels lokaal of regionaal, met weinig uitstraling” zijn, mank loopt; Overwegende, wat het criterium “deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland” betreft, wat het criterium “realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven” betreft en wat het criterium “tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea” betreft, dat verzoeker ook hiervoor in het door hem ingediende dossier telkens “zie c.v.” schrijft; dat het curriculum vitae waar verzoeker naar verwijst tussen de drie soorten realisaties evenwel geen onderscheid maakt, maar enkel onder de hoofding “Tentoonstellingen” opsomt hetgeen verzoeker ook weer in de memorie van wederantwoord herneemt; dat verzoeker, aan wie het toekwam pér criterium een overzichtslijst in te vullen en daarbij de bewijsstukken toe te voegen én een motivering waaruit relevantie blijkt, op de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de opmaak en de overtuigingskracht van zijn aanvraagdossier; dat hij de leden van de commissie moeilijk kan verwijten in de beoordeling even beknopt te zijn geweest als hijzelf of zijn aanvraag een “mager dossier” te hebben genoemd; dat verzoeker andermaal nalaat, naast de aangehaalde opsomming van -meestal Antwerpse- galerijen en van data, voor de Raad van State enige concrete toelichting te geven, zoals het geëxposeerde werk, de eventuele opname ervan in catalogi, de ontvangst ervan in de pers of bij het publiek; dat verzoeker evenmin duidelijk maakt welke realisaties hij heeft willen doen gelden voor welk criterium; dat de Raad dat niet voor hem kan doen; dat nochtans “tentoonstellingen” geen realisaties voor “instellingen of bedrijven” zijn; dat, als “Antwerpen 93” een manifestatie met grote uitstraling kan worden genoemd, daarom niet is bewezen dat dit ook geldt voor verzoekers bijdrage tot dit initiatief, waarover hij geen specifieke toelichting geeft; dat verzoeker hoe dan ook geen concreet gegeven aanvoert dat kan overtuigen dat verwerende partij van deze items onterecht concludeert dat zij weinig of geringe uitstraling hebben en “zeer plaatselijk” te situeren zijn of “in een lokaal circuit”; Overwegende, wat het criterium “bijdragen aan belangrijke producties” betreft, dat verzoeker zich er toe beperkt in zijn aanvraag op de overzichtslijst voor dit criterium te noteren “Nihil”; dat verzoeker niet de mogelijkheid te baat heeft genomen om in zijn aanvraag de relevantie van dit XII-2215-13/15 decretale criterium te bekritiseren; dat de bewering van verzoeker als zouden enkel “theater of musicale optredens” zijn bedoeld slechts een veronderstelling vormt; dat zijn kritiek in zijn algemeenheid door de Raad ook niet wordt bijgetreden, aangezien ook in verzoekers kunsttak bijdragen kunnen worden geleverd aan producties; dat hoe dan ook de vaststelling in de motivering van het bestreden besluit, dat door verzoeker geen elementen werden opgegeven, met de werkelijkheid strookt zodat de Raad niet ziet hoe verzoeker voor dit criterium een andere beoordeling had moeten of kunnen krijgen; Overwegende dat wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat verzoeker het algemeen besluit om hem geen ruime artistieke faam toe te kennen niet ontkracht; dat hij er niet in slaagt aan te tonen waar en waarom dit besluit in strijd is met de door hem in zijn aanvraag voorgelegde feitelijke gegevens; dat dienvolgens het middelonderdeel ongegrond is, 3.
  12. Overwegende dat een uitspraak over het tweede middel niet volstaat om het geschil op te lossen; dat het auditoraatsverslag tot het onderzoek van dit middel was beperkt, BESLUIT: Artikel
  13. De debatten worden heropend. Artikel
  14. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. XII-2215-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2215-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.679 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.430 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.