id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.680 Rolnummer: A. 86556/XII-2217 Zaak: Arrest 145680 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:25 Fiche Arrest nr 145.680 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.680 van 9 juni 2005 in de zaak A. 86.556/XII-
- In zake : Jan CRAB, die woonplaats kiest bij advocaat L. Lenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Crab op 6 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen van 21 juni 1999 waarbij hij niet als docent is geconcordeerd; Gelet op het arrest nr. 87.431 van 23 mei 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van verzoeker tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2217-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is vast benoemd als leraar artistieke vakken (specialiteit : beeldhouwen, boetseren) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Kask) te Antwerpen. Door het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna : hogescholendecreet) wordt het hoger onderwijs gereorganiseerd; de instellingen voor hoger kunstonderwijs worden in de hogescholen geïntegreerd : de Kask wordt opgenomen in de Hogeschool Antwerpen. Ten gevolge van die reorganisatie moet ook het personeel worden geconcordeerd. Op 9 juni 1997 besluit de raad van bestuur van de hogeschool verzoeker als assistent te concorderen, niet als docent. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing wordt door de Raad van State verworpen (arrest nr. 70.214 van 16 december 1997); bij arrest nr. 74.923 van 2 juli 1998 wordt de afstand van het geding vastgesteld. Verzoeker dient op 26 november 1998 een nieuwe aanvraag voor artistieke faam in op grond van artikel 317bis van het hogescholendecreet, ingevoegd XII-2217-2/9 bij decreet van 14 juli
- Op het aanvraagformulier schrapt hij de zin “Ik verklaar mij akkoord met de procedure zoals beslist bij de Raad van Bestuur” en per criterium voegt hij een overzichtslijst met referenties bij die zijn aanvraag moeten staven. Hij weigert echter bewijsstukken voor te leggen en verantwoordt dit in een eveneens 26 november 1998 gedateerd schrijven als volgt : “Uiteraard kan ik niet akkoord gaan met de gevolgde procedure, en ik heb de bewuste zin geschrapt. De redenen daarvoor zijn: [...]
- De ingeleverde dossiers worden niet teruggegeven. Dit maakt het bijvoegen van onvervangbaar of kostbaar bewijsmateriaal onmogelijk. [...] Vermits een kopie geen bewijsstuk is, en Kask ons uitdrukkelijk meldt dat niets wordt teruggegeven dien ik geen ‘bewijsstukken’ (catalogi, persartikels, video's, etc...) in. Ik houd die op eenvoudig verzoek ter Uwer beschikking, op voorwaarde dat ik ze terugkrijg”. De administratie personeel van de hogeschool bevestigt op 17 december 1998 de ontvangst van het aanvraagdossier. Daarbij wordt over de schrapping door verzoeker het volgende opgemerkt : “Wij betreuren dit : - enerzijds brengt u wijzigingen aan een voorgedrukt formulier aan; - anderzijds is het niet de bedoeling om u hoe dan ook (want onmogelijk) afstand te laten doen van uw basisrechten. Wij kunnen u echter verzekeren dat wij uw dossier, weliswaar met hoger vermelde opmerkingen maar met de vereiste zorg, aan de bevoegde commissie en later aan de Raad van Bestuur zullen voorleggen”. Op 21 mei 1999 adviseert de commissie artistieke faam van het departement audiovisuele en beeldende kunst : “De commissie adviseert om de dossiers die niet conform de vastgestelde procedure werden ingediend als niet ontvankelijk te verklaren. Het betreft: CRAB, Jan [...] Diende alleen administratief dossier in”. Op 21 juni 1999 treft dan de raad van bestuur de thans bestreden beslissing om : “Gelet op [...] het gemotiveerde advies van de bevoegde commissie in vergadering d.d. 21.05.99 Gezien betrokkene een dossier heeft ingediend dat niet conform is aan de door de Raad van Bestuur uitgeschreven procedure aan [verzoeker] geen artistieke faam toe te kennen”. XII-2217-3/9 Met een brief van 8 juli 1999 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hem geen ruime artistieke faam kan worden toegekend omdat de raad van bestuur zijn dossier niet ontvankelijk heeft verklaard “conform de voorziene regelgeving, waaruit blijkt dat uw dossier niet conform de door de Raad van Bestuur uitgeschre- ven procedure werd ingediend”; De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt “ernstige vragen” te hebben bij het rechtstreeks en persoonlijk belang van verzoeker omdat hij “de voorziene, doch niet aangevochten en dus aanvaarde procedure, niet [heeft] gevolgd” door een onvolledig dossier in te dienen; Overwegende dat de exceptie -zo “ernstige vragen” als exceptie te begrijpen is- feitelijke grond mist nu zij uitgaat van de premisse dat verzoeker de te volgen procedure heeft aanvaard; dat immers verzoeker duidelijk met de te volgen procedure geen vrede nam, aangezien hij bij het indienen van zijn dossier op het voorgedrukte formulier de zin heeft geschrapt volgens welke hij zich akkoord zou verklaren met de te volgen procedure en bovendien in een begeleidende brief zijn motieven hiervoor kenbaar heeft gemaakt; dat een andere vraag is of hij dit heeft gedaan op goede grond; dat verzoeker de Raad van State daarvan moet overtuigen; dat hij dit enkel kan -en moet- door het aanvoeren voor de Raad van middelen die de vermeende onwettigheid van de procedure aantonen, of ten minste de ondeugdelijkheid van het aan die procedure ontleende motief om zijn aanvraag onontvankelijk te verklaren; dat bijgevolg een -eventueel ambtshalve- onderzoek van verzoekers belang ook een onderzoek vereist van de door hem aangevoerde middelen; De gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel geschonden is “wegens een discriminatie in het overgangsstelsel tussen de vóór 29/08/98 (datum publicatie onderwijsdecreet IX) tot docent geconcordeerden, waarvan de concordantie bekrachtigd werd door art. 80, onderwijsdecreet IX, en de na 29/08/98 op grond van art. 45, 79 en 83, onderwijsdecreet IX, te concorderen artistieke personeelsleden”; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord opmerkt dat het Arbitragehof bij XII-2217-4/9 het arrest nr. 89/2000 het artikel 80 van het onderwijsdecreet IX vernietigd heeft zodat hij zich thans kan gedragen naar de wijsheid van de Raad; dat verzoeker bijgevolg niet meer aandringt op het middel en er ook in de laatste memorie niet meer op terugkomt; dat dit als een afstand van het eerste middel wordt begrepen zodat het geen nader onderzoek behoeft; Overwegende dat verzoeker in het tweede middel schending aanvoert van “de regels, vastgelegd in art. 6 E.V.R.M. en in art. 13 van de Grondwet en de art. 146 en 160 van de Grondwet, in de mate dat de verwerende partij de aanvraag van verzoekende partij tot het bekomen van de artistieke faam onontvankelijk verklaart, omdat de verzoekende partij niet akkoord kon gaan met de procedure, vastgelegd in de voorbereidende beslissing van de Raad van Bestuur van 26/10/98, en schending van art. 317bis van het Hogescholendecreet, in de mate rekening gehouden wordt met andere criteria dan deze bedoeld in §3, en schending van de art. 10 en 11 van de Grondwet, in de mate ook andere personeelsleden bij hun aanvraag te kennen geven niet akkoord te kunnen gaan met de voorbereidende beslissing van 26/10/98 en de vastgelegde procedure, wat het onderzoek van hun aanvraag niet belemmerde”; Overwegende dat dit tweede middel in het schorsingsarrest “alleen al niet als ernstig beoordeeld kan worden omdat verzoekers uitgangspunt verkeerd is, namelijk zijn stelling dat de aanvraag zou zijn afgewezen omdat hij zich niet akkoord had verklaard met de procedure” waartoe de Raad besluit na het maken van de volgende overweging : “Overwegende dat uit de keuze van de geschonden bepalingen en uit de verdere uitwerking van het middel blijkt dat verzoeker uitgaat van de premisse dat zijn aanvraag onontvankelijk werd verklaard omdat hij in het aanvraag- formulier de zin heeft geschrapt waarmee hij zich akkoord diende te verklaren met de procedure; dat zoals verzoeker terecht stelt ook andere aanvragers die zin hebben geschrapt en hun aanvraag daardoor niet onontvankelijk is geworden; dat echter uit het dossier kan worden afgeleid dat verzoekers aanvraag niet om die, maar om een andere reden is afgewezen, namelijk omdat hij geen bewijsstukken heeft bijgevoegd; dat dit inzonderheid kan worden afgeleid uit de vermelding door de commissie artistieke faam bij verzoekers naam van de opmerking : ‘Diende alleen administratief dossier in’”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord opmerkt dat hij bij het formuleren van zijn middelen in het inleidend verzoekschrift diende uit te gaan van de hem op dat ogenblik bekend zijnde stukken, “waaronder niet het verslag van de Commissie Artistieke Faam” en diende “uit te gaan van de XII-2217-5/9 motivering, zoals ze door de verwerende partij wordt aangegeven”, waarbij hij verwijst naar de brief die hij ontving van de personeelsdienst en de kennisgeving van de bestreden beslissing; dat verzoeker aldus de in het schorsingsarrest voorlopig gemaakte vaststelling van de Raad, dat hij is uitgegaan van een verkeerde premisse bij het formuleren van zijn middel, niet tegenspreekt, laat staan het tegendeel ervan bewijst; dat de Raad zijn eerder gemaakte vaststelling bevestigt, wat volstaat om het middel thans ook ongegrond te verklaren in de mate zoals het is geformuleerd in het inleidend verzoekschrift; dat evenwel verzoeker in de memorie van wederantwoord ook kritiek uit op de hem thans, maar niet eerder bekend zijnde stukken van het administratief dossier en in het bijzonder op het advies van de commissie; dat, in de veronderstelling dat verzoeker door de brief van de personeelsdienst van 17 december 1998 en door de kennisgeving op 8 juli 1999 van de bestreden beslissing door de raad van bestuur onvolledig was voorgelicht over de motieven van de afwijzing, deze bijkomende invulling van het middel in principe ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord handhaaft dat hij een zin op het formulier heeft geschrapt met het oog op de vrijwaring van zijn belangen bij een eventuele procedure voor de Raad van State en in dat verband opnieuw aanvoert dat hij ter zake anders zou zijn behandeld dan sommige collega’s die een gelijkaardige schrapping deden; Overwegende dat deze argumentatie voortbouwt op de reeds als verkeerd uitgangspunt bestempelde veronderstelling dat zijn aanvraag is afgewezen omwille van de bewuste geschrapte zin; dat die argumentatie bijgevolg rechtens niet dienend is; dat de aanvraag van verzoeker onontvankelijk is verklaard door de raad van bestuur, op gelijkluidend advies van de commissie, omdat zij niet overeen- komstig de te volgen procedure ingediend was; dat het dossier niet ontvankelijk ingediend was wegens het ontbreken van de gevraagde bewijsstukken; dat rechtens enkel relevant is de kritiek die verzoeker eventueel op dit motief doet gelden; Overwegende dat verzoeker, “in zoverre toch zou aanvaard worden dat de onontvankelijkheid voortvloeit uit het ontbreken van bewijsstukken”, er op wijst dat hij in zijn begeleidende brief de motieven heeft uiteengezet waarom hij aanvankelijk geen bewijsstukken heeft bijgevoegd en hoe hij deze ter beschikking hield van de commissie en de raad van bestuur, dat hij alzo heeft aangetoond waarom het hem niet mogelijk was kopieën voor te leggen: “immers deze stukken zijn enerzijds zo omvangrijk dat het nemen van kopies een onredelijke opdracht is, doch XII-2217-6/9 anderzijds is het ook zo dat deze stukken niet enkel als bewijsstukken kunnen worden beschouwd, maar voor verzoeker ook een gebruikswaarde bezitten”; dat hij ook argumenteert dat de samenwerking die van beide partijen verwacht mag worden ook inhoudt dat van de commissie in redelijkheid mocht verwacht worden dat zij hem om verduidelijking zou vragen; Overwegende dat het argument van de omvang van de stukken en de gebruikswaarde ervan, slechts voor het eerst te vinden is in de memorie van wederantwoord van verzoeker; dat de Raad van State enkel zou moeten onderzoeken of die argumenten steek houden, indien verzoeker ze ook had aangevoerd ten tijde van zijn aanvraag; dat hij dat niet heeft gedaan; dat hij de commissie dan ook niet kan verwijten er geen rekening mee te hebben gehouden; dat hetgeen de commissie in rekening moest brengen, de argumentatie was die verzoeker toentertijd had neergeschreven in zijn begeleidende brief; dat die argumentatie om zelfs niet het minste bewijsstuk, al is het maar onder de vorm van kopieën, duplicata of foto's, te moeten neerleggen ten bewijze van zijn artistieke faam, er op neerkomt dat hij oordeelt dat een “kopie geen bewijsstuk is” en dat “niets wordt teruggegeven”; dat daaromtrent de Raad blijft bij hetgeen reeds in het schorsingsarrest is overwogen : “dat het feit dat hij zich niet akkoord heeft verklaard met de procedure verzoeker niet het recht verleent om zomaar af te wijken van de vooropgestelde procedure; dat uit het model opgesteld door de verwerende partij en door verzoeker gebruikt voor zijn aanvraag, blijkt dat van de kandidaten ook bewijsstukken werden gevraagd; dat de verantwoording die verzoeker in zijn aanvraag geeft voor het ontbreken van enig bewijsstuk, niet steekhoudend is; dat verzoeker met name niet aantoont waarom het hem niet mogelijk zou zijn geweest [kopieën] voor te leggen aan de commissie artistieke faam van bewijsstukken zoals catalogi, persartikels en video's; dat niet hij diende te oordelen over de bewijswaarde ervan, maar de commissie artistieke faam; dat indien de commissie van oordeel zou geweest zijn dat [kopieën] niet volstonden, zij verzoeker om verduidelijking of om inzage kon vragen”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord aanvoert, in fine van zijn uiteenzetting omtrent het tweede middel, dat zijn aanvraag niet op een eerlijke wijze beoordeeld zou zijn door een onafhankelijke en onpartijdige instantie; dat deze grief alleen reeds wegens het gebrek aan enige concretisering onontvankelijk is; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de bijkomende uitwerking die verzoeker aan het tweede middel geeft in de memorie van weder- antwoord, deels onontvankelijk en deels ongegrond is; XII-2217-7/9 Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht; dat hij, zich baserend op een brief van een vakbondsafgevaardigde die als waarnemer de zittingen van de commissie heeft bijgewoond, stelt dat de procedure gevolgd door de commissie artistieke faam onvoldoende ernstig werd gevoerd, omdat “niet vanuit de inhoud van het dossier werd geoordeeld, doch wel vanuit een eerdere bekendheid, zodat uiteindelijk voortgegaan werd op subjectieve gegevens die geen verband houden met het ingediende dossier”, omdat verschillende leden vragen hebben gesteld over het element ‘artistieke faam’ die niet zijn beantwoord wat duidt op een gebrek aan objectiviteit en omdat “de commissieleden al naargelang de snelheid waarmee men zijn beoordelingsfiche invulde, op verschillende tijdstippen de vergadering hebben verlaten, zodat de facto geen collegiale beoordeling in de commissie heeft plaats- gevonden”; dat hij in de memorie van wederantwoord daar nog aan toevoegt dat de raad van bestuur enkel de afweging door de commissie bevestigt, zodat het beslissend orgaan zich baseert op onzorgvuldige besluitvorming; Overwegende dat de aanvraag van verzoeker onontvankelijk is verklaard; dat er bijgevolg geen onderzoek naar de inhoud van zijn dossier - beschikt verzoeker al dan niet over ruime artistieke faam - heeft plaatsgevonden; dat verzoeker ook niet aanvoert dat over zijn dossier - de vraag of een volledig dossier is ingediend - geen collegiale beraadslaging plaatsvond; dat het middel niet wordt aangenomen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-2217-8/9 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2217-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.680 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.431 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.