id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.681 Rolnummer: A. 86557/XII-2218 Zaak: Arrest 145681 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 17:26 Fiche Arrest nr 145.681 van 9 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.681 van 9 juni 2005 in de zaak A. 86.557/XII-
(4). de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” van werkdocument I worden vervolgens overgebracht naar een formulier “AF - Werkdocument II” en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. Naast die totaalscore is op het document volgende tekst voorgedrukt : “Samenvattende schriftelijke motivatie: G gezien betrokkene een totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, artistieke faam toegekend. G gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend.”; XII-2218-4/17 De gegevens van de zaak. 2. Overwegende dat de bestreden beslissing van 21 juni 1999 van de raad van bestuur wordt genomen op “het gemotiveerd advies van de bevoegde commissie, in vergadering d.d. 21.05.1999” en “op basis van de motivering aan deze beslissing toegevoegd”; dat deze aan de beslissing toegevoegde motivering de woordelijke weergave is van het proces-verbaal van de bevoegde commissie, van hetgeen deze laatste heeft genotuleerd met betrekking tot de aanvraag van verzoekster : “A m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er veelal beperkte publicaties zonder grote uitstraling; A m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk van betrokkene, vindt men er een beperkt in aantal en zonder grote uitstraling terug; A m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, is dit slechts in een beperkt plaatselijk circuit; A m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, is er een deelname aan manifestaties met geringe uitstraling; A m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, zijn er een beperkt aantal realisaties met lokale betekenis; A m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, zijn er geen referenties; A m.b.t. tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea, zijn er een aantal regionale realisaties met weinig uitstraling; zodat er onvoldoende elementen aanwezig zijn om aan betrokkene een ruime artistieke faam toe te kennen”; Overwegende dat de verwerende partij behalve voornoemd proces-verbaal in het administratief dossier als stukken uitgaande van de adviescommissie audiovisuele en beeldende kunst voorts de “technische fiche” voor verzoekster, de individuele beoordelingen van de zes commissieleden, de formulieren “AF - Werkdocument I”, “AF - Werkdocument II” en een met de hand uitgeschreven motivering voorlegt; dat verzoekster blijkens die stukken overeenkomstig de hiervoor geschetste procedure een totaalscore bereikt van 30; dat de technische fiche over verzoekster stelt: “Na grondige kennisname van het dossier van betrokkene kwam de bevoegde commissie dd. 10.05.1999 tot onderstaand advies: [...] gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40, luidt het advies hem/haar, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de RvB d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toe te kennen”; dat de fiche met de handgeschreven motivering, naast de deels onleesbare vermeldingen “maar geen uitstraling erg lokaal dossier van louter lokale, regionale betekenis” en “in een algemeen zwak dossier met”, ook per criterium de motivering bevat welke in het XII-2218-5/17 proces-verbaal van de bevoegde commissie is opgenomen en vervolgens later door de raad van bestuur aan zijn beslissing is gehecht; De gegrondheid van het beroep. 3.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel schending van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat zij de hiervoor aangehaalde motivering bij de bestreden beslissing citeert en erop wijst dat zij “een zeer omvangrijk dossier [heeft] ingediend met opgave, criterium per criterium, van feitelijke argumenten die de aanwezigheid van artistieke faam verantwoorden”; dat zij betoogt dat “[d]eze feitelijke elementen [...] in de motivering niet [werden] beantwoord”; dat volgens verzoekster de verwerende partij in de bestreden beslissing niet duidelijk maakt, gelet “op de overvloed van feitelijke elementen”, hoe zij tot de geciteerde conclusie is gekomen; dat het feit dat de beslissing “voorbereid werd door een puntenscore, opgesteld door de zogenaamde Commissie Artistieke Faam” volgens verzoekster aan dit alles geen afbreuk doet, vermits volgens de rechtspraak van de Raad van State zelfs bij een geheime stemming een uitdrukkelijke en afdoende motivering moet worden gegeven; dat verzoekster tot slot van haar betoog “[t]er weerlegging van de stijlclausules in de motivering” verwijst “naar het overvloedig feitenmateriaal, aangehaald in het aanvraagdossier”; Overwegende dat de verwerende partij hiertegen inbrengt dat uit de door haar neergelegde stukken blijkt dat alle aanvragen individueel en uitgebreid werden onderzocht, dat bij dit onderzoek de decretaal bepaalde criteria werden gehanteerd, welke werden beoordeeld op basis van de ingediende dossiers, dat de raad van bestuur op 21 juni 1999 het dossier van verzoeker heeft besproken en collegiaal heeft besloten geen ruime artistieke faam toe te kennen, dat bij deze beslissing “als motivatie afschrift werd gevoegd van het [...] advies van de commissie van het departement audio, visuele en beeldende kunst”, dat “het uiteindelijk advies, zoals door de commissie werd verleend aan de Raad van Bestuur, gebaseerd is op de verschillende onafhankelijke beoordelingen van de zes commissieleden en een samenvatting is van deze standpunten”, dat ter voldoening aan de motiveringsplicht zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991, het volstaat dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden doet kennen waarop ze is gesteund en die haar kunnen verantwoorden, dat men “niet anders kan stellen dan dat het voor verzoekende partij duidelijk is waarom er een voor hem ongunstige beslissing werd genomen” en dat XII-2218-6/17 “het feit dat verzoekende partij met bepaalde delen desaangaande niet akkoord is, evenwel los staat van de motiveringsplicht”, dat geen stereotiepe motivering werd gegeven maar, zoals mag blijken uit vergelijking van de verschillende gelijkaardige voor de Raad hangende procedures, voor elk personeelslid een aangepaste en aparte motivering werd gegeven; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de bestreden beslissing weliswaar de decretale criteria vermeldt, “maar deze criteria worden telkens gevolgd door een stereotiepe stijlformule, zodat de verzoekende partij uit de beslissing niet kan afleiden waarom deze ongunstig is”; dat zij voorts opmerkt dat het middel “niet concreter [kon] zijn dan een herhaling van de feitelijke elementen van de oorspronkelijke aanvraag, die in het middel werden aangeduid, doch die door de verwerende partij niet werden beantwoord omwille van het gebruik van stijlformules”; dat verzoekster vergelijkt met een beoordeling door een examencommissie, “waarbij men enerzijds niet te streng kan zijn, doch anderzijds omwille van de discretionaire bevoegdheid alleszins de motieven dient aan te geven waarop men feitelijk en rechtens steunt”; dat volgens verzoekster het ontbreken van motivering “des te duidelijker” is, “nu twee juryleden enkel en alleen met punten beoordeeld hebben en de eindbeoordeling door de Raad van Bestuur hierop gebaseerd is”; dat dan verzoekster een meer uitvoerige uiteenzetting geeft, per beoordelingscriterium, om aan te tonen waarom verwerende partij onterecht aan haar ruime artistieke faam is voorbij gegaan : “1. Publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten: Men begrijpt niet waarom in de motivering gesteld wordt dat deze beperkt in aantal zijn en zonder grote uitstraling. Nochtans heeft verzoekster een ganse reeks binnen- en buitenlandse kranten- en tijdschriftuittreksels gekopieerd. Wat de publicaties in boeken betreft, werd de voorpagina en de betreffende bladzijde gekopieerd. Verzoekster vraagt dat de verwerende partij haar dossier zou voorbrengen, zodat kan vastgesteld worden dat de motivering niet afdoende is. Immers de lijst van publicaties in vakbladen en pers is zo omvangrijk dat niet alle artikelen konden vermeld worden op de voorgedrukte formulieren AMBF53a (zie stuk 5 verwerende partij). De lijst is dus alleszins niet 'beperkt'. Uit de technische fiche (stuk 4 verwerende partij) volgt dat 'het dossier (...) bewaard (blijft) door de inrichtende macht'. Dit dossier dient dan ook te worden meegedeeld om te oordelen of kan volstaan worden met een stijlclausule in de zin van 'beperkte publicaties zonder grote uitstraling'. 2. Eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste praktijk: Men begrijpt niet waarom in de motivering gesteld wordt dat deze beperkt in aantal zijn en zonder grote uitstraling. Immers, verzoekende partij geeft jaarlijks sedert 1960 een tentoonstelling op diverse locaties in Vlaanderen, Nederland (Leiden, Bergen-op-Zoom, Tilburg, XII-2218-7/17 Alkmaar) of Duitsland (Andernach). (zie punt 1 aangehaald bij AMBF53b - stuk 5 verwerende partij) Tevens heeft verzoekster herhaaldelijk meegedaan aan groepstentoonstellingen, o.m. in het buitenland (Den Haag en Bergen op Zoom) en werd haar werk aangekocht door het Goldmuntz Museum in Natania (Israel), door de LIGA- fabrieken in Roosendaal, door gemeentes, de Provincie Antwerpen en de Belgische Staat. Verzoekster voegde bij haar dossier een fraai boek met fotomateriaal over haar werk, met een inleidend woord door de vermaarde kunstcriticus Marcel Van Jole. De motivering als zou het dus beperkt in aantal zijn en zonder grote uitstraling, is dan ook onjuist en laat op geen enkele manier toe de ongunstige beslissing te verantwoorden. 3. Regionale, federale of internationale prijzen: Ook hier wordt ten onrechte voorgehouden dat de behaalde prijzen slechts in een beperkt plaatselijk circuit zouden gesitueerd zijn. Nochtans heeft verzoekster in haar curriculum vitae verwezen naar: - 1954 Prijs L. Posenaer - 1956 Prijs Antoon Oppenheimer - 1957 Prijs Piet Van Engelen - 1957 Prijs Valerius - 1958 Prijs Laurent Meeus - 1959 Prijs Philip Oppenheimer - in 1961 was zij laureaat aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen 4. Deelname aan belangrijke manifestaties: Ook hier wordt met een typeformulering gesteld dat deze slechts geringe uitstraling zouden hebben. Verzoekster maakte melding van volgende manifestaties: - 1956 Haagse Kunstmaand - expositie studenten N.H.LS.K. in Den Haag - 1962 oprichting Kunstkring Etcetera, Bergen op Zoom, Nederland - 1974 tentoonstelling initiatiefnemers n.a.v. 10-jarig bestaan galerij Etcetera - 1977 medewerking aan 25ste Muziekfestival voor de Jeugd, Neerpelt - 1978 A.W.W. - thematentoonstelling 'De arbeid in de kunst' - 1979 medewerking aan 30-jarig bestaan van Jeugd en Muziek, Antwerpen - 1982 tentoonstelling bij opening nieuwe galerij Paolo Cruciti - 1982 Kunstcentrum Hof de Bist, Ekeren, tentoonstelling n.a.v. 10-jarig bestaan - 1988 tentoonstelling Vrouwenatelier Sint-Jozefkapel, Brasschaat - 1989 expositie professoren K.A.S.K.A. in galerij Campo t.g.v. 325 jaar Academie - 1994 deelname thematentoonstelling 'Stilleven en Interieur' in Tielt - 1995 deelname grote tentoonstelling 'Kunst ook een taal' in de Hallen, Brugge Verweerster schijnt volledig over het hoofd te zien dat verzoekster in haar werk juist een band heeft willen leggen met een andere kunstvorm, met name de muziek, en alzo gesolliciteerd werd door het 25ste Europees Muziekfestival voor de Jeugd te Neerpelt, om een beeldende ondersteuning te geven, waarvoor zij veel aandacht kreeg in pers en TV. In 1979 participeerde verzoekster op eenzelfde wijze aan het 30-jarig bestaan van Jeugd en Muziek, met een grote tentoonstelling in de zaal Harmonie te Antwerpen. Wanneer verzoekster nog in 1995 uitgenodigd wordt voor een grote tentoonstelling met kunstenaars als Slabbinck, Macken, Gaudaen, ... dan kan XII-2218-8/17 verweerster niet zonder meer poneren dat haar werk 'geringe uitstraling' zou hebben. 5. Realisaties voor binnen- of buitenlandse instellingen: Ook hier wordt ten onrechte gesteld dat het slechts om een beperkt aantal realisaties zou gaan met locale betekenis, terwijl: - in 1958 een zelfportret van verzoekster werd aangekocht voor het Goldmuntz Museum in Natania, Israel. - in 1961 een kinderportret werd aangekocht door de LIGA-fabrieken in Roosendaal, Nederland, - in 1977 een pasteltekening werd aangekocht door het gemeentebestuur van Ekeren, - in 1979 een pasteltekening werd aangekocht door de Muziekacademie te Ekeren, - in 1980 een portret van Aram Katsjatoerian werd aangekocht door de Belgische Staat en tevens een pasteltekening met een landschap uit Zuid- Frankrijk, eveneens door de Belgische Staat, - in 1981 een pasteltekening landschap Zuid-Spanje werd aangekocht door de Provincie Antwerpen, - in 1982 verzoekster meewerkte aan de publicatie voor de opening van de nieuwe muziekacademie te Ekeren (voorpagina en illustraties binnenpagina’
- s)Verzoekster verwees ook naar wat vermeld werd onder criterium B. De motivering van verweerster is dan ook nietszeggend en zelfs onjuist wat betreft de verwijzing naar zogenaamde lokale betekenis (zie Israel, Nederland en diverse overheidsinstellingen). Verzoekster werd in 1978 uitgenodigd in het Jacob Smitsmuseum in Mol voor een grote overzichtstentoonstelling van haar werk. Slechts één keer per jaar wordt het museum gedeeltelijk ontruimd voor een individuele tentoonstelling van een hedendaags kunstenaar. Zo een uitnodiging krijgt men niet als men niets betekent. 6. Relevante bijdragen aan belangrijke producties: Volgens de verwerende partij zijn er geen referenties. Inderdaad voor beeldende kunstenaars is het moeilijk om aan producties deel te nemen, zodat dit criterium vooral verwijst naar kunstenaars in de sector van het theater of de muziek. Niettemin werd hierboven aangeduid dat verzoekster deel nam aan talrijke muziekproducties en deze beeldend ondersteunde. 7. Tentoonstellingen in vooraanstaande binnen- of buitenlandse galerijen of musea: Andermaal beperkt verweerster zich door dit af te doen als regionale realisaties, met weinig uitstraling, terwijl de lijst juist aantoont dat verzoekster internationaal tentoon-stelt en de aard van de tentoonstellingsplaatsen aantoont dat zij wel degelijk een grote uitstraling heeft; in de lijst wordt verwezen naar tentoonstellingen in Bergen op Zoom, Leiden, Tilburg en Alkmaar. Ten gevolge hiervan bevinden zich diverse werken in privébezit in het buitenland, o.a. Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Spanje, Portugal en de V.S.A. (New-York en Michigan). De motivering van de verwerende partij kan dan ook niet verantwoorden waarom een ongunstige beslissing werd genomen en de verwerende partij maakt geenszins duidelijk waarom zij in verband met de diverse criteria geen rekening houdt met de aangebrachte elementen”; Overwegende dat verzoekster bij wijze van laatste memorie enkel meedeelt zich te kunnen aansluiten bij het auditoraatsverslag; XII-2218-9/17 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de commissieleden het dossier van verzoekster criterium per criterium hebben onderzocht en unaniem van oordeel waren dat de publicaties weinig uitstraling hadden, de manifestaties talrijk waren maar veelal secundair beperkt en te lokaal, dat die motivering tot uiting komt in de score die aan verzoekster per criterium werd toegekend en die overeen komt met een puntenschaal die aan elk cijfer een bepaalde beoordeling geeft; dat volgens verwerende partij niet uit het oog mag worden verloren dat het een beoordeling betreft van het artistiek karakter van verzoeksters realisaties en de faam die zij hiermee in de buitenwereld zou hebben verkregen zodat de motivering dat er bijvoorbeeld een gebrek aan uitstraling is of de faam niet artistiek is als afdoende moet worden beschouwd; dat volgens haar een dergelijke beoordeling door een commissie van deskundigen in het vakgebied van verzoekster voorts niet te vergelijken is met de examenuitslagen in het kader van normale onderwijsactiviteiten; 3.2. Overwegende dat de ruime artistieke faam die in vergelijking met het andere onderwijzend personeel bijkomend vereist wordt van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, los staat van de andere, algemene, pedagogische of organisatorische vereisten; dat de decreetgever een autonome beoordeling heeft gewenst van de ruime artistieke faam, zoals blijkt uit het in herinnering gebrachte artikel 317bis, § 3, in samenhang met artikel 2, 28ter/, van het hogescholendecreet; dat verzoeksters middel gebaseerd is op de schending van de motiveringsplicht die bij de uitoefening van deze beoordeling door het bestuur dient nageleefd; 3.3. Overwegende, in zoverre schending van de uitdrukkelijke- motiveringswet wordt aangevoerd, dat aan de aan verzoekster ter kennis gebrachte beslissing van de raad van bestuur een motivering, voor elk van de decretale criteria, is toegevoegd; dat de verwerende partij, hoe summier zij haar beslissing volgens verzoekster ook gemotiveerd moge hebben, de erkenning van de ruime artistieke faam blijkens die motivering wezenlijk heeft geweigerd, op grond van het haar voorgelegde dossier en van de bij decreet voorgeschreven criteria, wegens het ontbreken van grote uitstraling van verzoeksters realisaties of het plaatselijk, hoogstens regionaal karakter ervan; Overwegende dat de decreetgever voor de concordantie tot docent van het personeel belast met artistiekgebonden onderwijs, niet enkel oog heeft voor XII-2218-10/17 de intrinsieke artistieke kwaliteiten van de betrokkene in de beoefende kunsttak; dat het door de decreetgever gehanteerde begrip “faam” op zich reeds refereert aan bezit van reputatie en prestige in de ogen van het publiek of, anders gesteld, van de “uitstraling” die het werk van de kunstenaar heeft; dat het bestuur voorts geen onwettige invulling geeft aan het bij decreet opgelegde vereiste van “ruime artistieke faam”, door het “ruime” en de “faam” -of de “erkenning van de vermaardheid”- van de ruime artistieke faam minstens ook te begrijpen als de uitgestrektheid ervan gesteld tegenover het louter plaatselijke en als de ruime renommee bij derden gesteld tegenover de reputatie in eigen kring of in het kader van de opleiding; dat immers, door het onderscheiden in artikel 317bis, § 3, van het decreet van regionale, federale of internationale prijzen en van realisaties, manifestaties of tentoonstellingen in binnen- en buitenland, de decreetgever het artistieke ook door een kwantitatief element bewezen heeft willen zien; Overwegende dat, los van de concrete gegevens van het dossier, de door het bestuur veruitwendigde redenen als zodanig grondslag kunnen geven aan een afwijzende beslissing; dat daaruit moet worden besloten dat verzoekster door de kennisgeving van de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven, aldus in grote lijnen weet waarom een voor haar ongunstige beslissing is genomen; dat de door verwerende partij gegeven beknopte toelichting eventueel niet als motivering zou volstaan wanneer de concrete gegevens van het dossier kunnen doen twijfelen aan de ernst van de bij ieder criterium neergeschreven beoordeling; dat zulks dan echter geen probleem meer is van formele, maar van materiële motivering; dat de verduidelijking die verzoekster geeft in de memorie van wederantwoord, na kennis te hebben genomen van het administratief dossier en dus van de sub 2. opgesomde fiches en formulieren, er overigens van doet blijken dat zij niet de formele, maar de materiële motivering ter discussie stelt; dat bij het onderzoek van het tweede middelonderdeel zal worden nagegaan of de door verzoekster aangebrachte gegevens en argumenten van die aard zijn dat zij aan de ernst van de puntentoekenning doen twijfelen; dat het middelonderdeel gesteund op de schending van de wet van 29 juli 1991 niet gegrond is; 3.4. Overwegende, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dat reeds op grond van wat voorafgaat is gebleken dat de afwijzing van verzoeksters aanvraag tot erkenning van ruime artistieke faam wegens de bij de bestreden beslissing gevoegde motieven, mits die verantwoording ook steun vindt in feite, rechtens de XII-2218-11/17 beslissing van het bestuur kan schragen; dat verzoekster evenwel ten gronde betwist of die motieven ook feitelijk juist zijn; Overwegende dat verzoekster, wil zij dergelijk rechtsmiddel op ontvankelijke wijze aanvoeren, niet er mee mag volstaan de motiveringsplicht als rechtsbeginsel geschonden te noemen; dat zij ook een voldoende duidelijke omschrijving moet geven van de wijze waarop dat beginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoeksters artistieke faam aan de hand van haar dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat de Raad aldus binnen het raam van de aangevoerde onwettigheid wel mag nagaan of de bestreden beslissing steunt op rechtens aanvaardbare en op werkelijke feiten berustende motieven, die door het discretionair oordelend bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld; dat het echter op de eerste plaats aan de verzoekende partij toekomt om haar grieven ter zake voor de Raad van State op concrete, precieze en nauwkeurige wijze te ontwikkelen en aan te tonen dat de raad van bestuur bij zijn besluitvorming de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid is te buiten gegaan, hetzij dat enige onzorgvuldigheid in de werkzaamheden van de commissie op de bestreden beslissing kan inwerken; dat wanneer de verzoekende partij dit nalaat, niet van de Raad van State mag worden verwacht dat hij het door haar ingediende dossier, en meer bepaald de overzichtslijsten die door verzoekende partij voor elk van de decretale criteria zijn opgesteld, minutieus zou gaan ontleden; dat immers dan in werkelijkheid zou worden verwacht dat de Raad van State in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift zou opstellen; dat bijgevolg enkel rekening wordt gehouden met de elementen die met de nodige precisie worden aangebracht; 3.5. Overwegende dat de door de commissie te volgen werkwijze aan verzoekster niet onbekend is, aangezien zij in het inleidend verzoekschrift zelf naar de “puntenscore, opgesteld door de zogenaamde Commissie Artistieke Faam” verwijst en het door haar ingediende aanvraagdossier haar instemming vermeldt -zij het onder voorbehoud- met bedoeld procedurereglement; dat het middel niet de wettigheid in twijfel trekt van dit procedurereglement; XII-2218-12/17 Overwegende dat uit de hiervoor geschetste procedureregeling blijkt dat de door de leden van de commissie toe te kennen scores geen eigendunkelijke quotering in een schaal van nul tot twintig punten is, wat in dat geval inderdaad als motief niet zou kunnen volstaan, maar een verkorte vorm die staat - moet staan- voor een waardering niet/wel relevant en weinig/grote/uitzonderlijke uitstraling; dat elke score reeds als equivalent staat -hoe beknopt ook- voor een onder woorden gebrachte waardering van ieder jurylid van de hem voorgelegde gegevens in de overzichtslijst; Overwegende dat uit het administratief dossier bovendien blijkt dat elk lid van de zes leden tellende commissie niet enkel de door hem of haar toegekende scores heeft genoteerd, maar ook met eigen hand een aanvullende verantwoording -hoe summier ook- onder woorden heeft gebracht; dat het middel dan ook feitelijke grondslag mist wat betreft de bewering dat twee leden van de commissie “enkel en alleen met punten beoordeeld hebben”; Overwegende, wat het criterium “publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten” betreft, dat dit betrekking heeft op de wijze waarop het werk van de kunstenaar in de buitenwereld bekendheid krijgt en besproken wordt; dat verwerende partij niet onwettig handelt door als bewijs van de “ruime” artistieke faam voor dit criterium méér te eisen dan enkel aandacht in de plaatselijke pers; dat het zo is dat het motief “veelal beperkte publicaties zonder grote uitstraling” ook te lezen is; dat verzoekster zich vergist door er ook een kritiek in te lezen op een beweerd beperkt aantal publicaties; dat niet het aantal beperkt wordt genoemd, maar wel de publicaties beperkt worden genoemd, en “zonder grote uitstraling”; dat die lezing strookt met de opmerkingen die de leden van de commissie afzonderlijk op hun fiche hebben genoteerd: “regionaal beperkt”, “publicaties, zonder grote uitstraling”, “erg lokaal”, “een zekere veelheid[,] maar geen uitstraling”, “beperkt” en “weinig internationaal”; dat verzoekster dan ook vergeefs argumenteert wél een ganse reeks publicaties vermeld te hebben; dat de Raad van State op zicht van die lijst vaststelt dat het grotendeels om krantenartikels gaat, en dan nog in kranten als de Gazet van Antwerpen of het Brabants Nieuwsblad; dat de grote uitstraling van dergelijke artikels niet dadelijk duidelijk is; dat er gewis ook aandacht voor verzoekster is in buitenlandse artikels en in tijdschriften, maar minder in aantal; dat verzoekster niet concretiseert welke van de meerdere door haar opgesomde publicaties onterecht “zonder grote uitstraling” zijn gekwalificeerd en om welke reden; dat de Raad dat onderzoek niet in haar plaats te doen heeft; XII-2218-13/17 Overwegende, wat het criterium “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene” betreft, dat verzoekster acht items genoteerd heeft op de overzichtslijst, waarvan het oudste van 1958 en het jongste van 1981: “eigen kleine brochure samengesteld met voorwoord door Marcel van Jole 1981”, “dossier staatsaankopen 1981”, “dossier aankopen provincie Antwerpen 1981”, “dossier gemeentebestuur Ekeren 1977”, “aankoop zelfportret voor het Goldmunz museum in Natania Israël 1958”, “Aankoop kinderportretje (olieverf) Roosendaal 1961”, “Aankoop pasteltekening (cellist) 1979” en “medewerking aan publicatie voor de opening van de nieuwe muziekacademie Ekeren”; dat de jaarlijkse tentoonstelling en de groepstentoonstellingen waarover zij in de memorie van wederantwoord schrijft, daargelaten hun relevantie voor dit criterium, niet bij die acht items is te lezen; dat verzoekster voorts niet aantoont dat de verwerende partij de “eigen kleine brochure”, de publicatie over de opening van de muziekacademie te Ekeren en de verkoop van zes kunstwerken -aangenomen dat dit laatste nuttig ressorteert onder dit criterium- niet kon beoordelen als “beperkt in aantal” en dat verzoekster evenmin enig concreet gegeven verschaft over de desbetreffende kunstwerken, om aan te tonen dat zij niet “zonder grote uitstraling” zijn; Overwegende, wat het criterium “regionale, federale of internationale prijzen” betreft, dat verzoekster in het aanvraagdossier zes prijzen heeft vermeld, behaald tussen 1954 en 1959; dat zij de Raad van State geen enkele informatie verschaft over deze prijzen; dat zulks, zo de beoordeling door verwerende partij over die prijzen “slechts in een beperkt plaatselijk circuit” foutief ware, haar te doen stond; dat die beoordeling door verzoekster evenwel op geen enkele wijze wordt weerlegd; Overwegende, wat het criterium “deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland” betreft, dat verzoeksters aanvraagdossier de manifestaties vermeldt die zij herhaalt in de memorie van wederantwoord; dat andermaal niet het aantal, maar wel de “geringe uitstraling” ervan door verwerende partij als motief wordt gegeven; dat verzoekster onvoldoende concreet is over de door haar extra onderstreepte manifestaties om de Raad te overtuigen dat haar eenmalige uitnodiging, in 1995, voor een “grote tentoonstelling”, en haar deelname, in 1977, aan een Europees muziekfestival voor de Jeugd te Neerpelt en, in 1979, aan een “grote tentoonstelling” voor Jeugd en Muziek, verwerende partij tot een XII-2218-14/17 gunstiger beoordeling moest hebben gebracht over de uitstraling van de opgesomde manifestaties; Overwegende, wat het criterium “realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven” betreft, dat verzoekster zes items vermeldt die zij ook reeds heeft opgesomd in de overzichtslijst bij het criterium “eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene”, namelijk de verkoop van de zes kunstwerken; dat zij over een tentoonstelling in Mol niets heeft opgenomen in de lijst; dat de aankoop van kunstwerken door overheidsinstellingen niet uitsluit dat die kunstwerken enkel lokale betekenis kunnen hebben; dat verzoekster dit had kunnen tegenspreken door de Raad van State te informeren, bijvoorbeeld, over de plaats waar die kunstwerken zich thans bevinden en de wijze waarop ze worden tentoongesteld of over de opname ervan in catalogi, of hun bespreking door kunstcritici; dat verwerende partij niet kan worden verweten te zijn voorbijgegaan aan de aankoop van een kunstwerk door een museum in Israël nu, eensdeels, het wat internationale museale aankopen betreft bij die ene aankoop van 1958 blijkt te zijn gebleven en, anderdeels, verzoekster nergens nader toelichting geeft over dit museum en het aangekochte werk; dat voor het overige wordt verwezen naar hetgeen is overwogen bij het tweede criterium; Overwegende, wat het criterium “bijdragen aan belangrijke producties” betreft, dat tegenover de kritiek van verzoekster dat dit criterium vooral verwijst naar de sector van theater en muziek, de vaststelling staat dat ook in verzoeksters kunsttak bijdragen kunnen worden geleverd aan producties, zoals zij het in de memorie van wederantwoord zelf erkent; dat verzoekster de rubriek in haar aanvraag evenwel blanco liet; dat verzoekster ook niet de mogelijkheid te baat heeft genomen om in haar aanvraag de relevantie van dit decretale criterium te bekritiseren; dat hoe dan ook de vaststelling in de motivering van het bestreden besluit, dat er geen referenties zijn, met de werkelijkheid strookt zodat de Raad niet ziet hoe verzoekster voor dit criterium een andere beoordeling had moeten of kunnen krijgen; Overwegende, wat het criterium “tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea” betreft, dat verzoekster 25 individuele en acht groepstentoonstellingen tussen 1960 en 1995 in de overzichtslijst heeft opgenomen; dat die lijst aantoont dat verzoekster niet enkel tentoonstelt in eigen land, onder meer in Antwerpen, Ekeren, Neerpelt, Mol, Berchem, Tielt, Brugge, Brasschaat, maar ook in Nederland, zoals in Bergen-op- XII-2218-15/17 Zoom, Leiden of Alkmaar; dat verzoekster echter niet meer doet dan naar deze lijst verwijzen; dat zij ter beoordeling van de uitstraling van haar kunstwerken geen verduidelijking verschaft over de aard van het geëxposeerde werk, de eventuele opname ervan in de catalogi, de ontvangst ervan in pers of bij het publiek; dat uit de opsomming zonder meer voor de Raad niet als vanzelfsprekend de vereiste blijkt dat het om “vooraanstaande” kunstgalerijen of musea gaat; dat hoe dan ook, gesteld dat de kritiek van verzoekster bij dit criterium terecht zou zijn, moet worden vastgesteld dat een meer gunstige beoordeling voor alleen dit criterium haar niet kan brengen bij de score van 40 die volgens het procedurereglement, waarvan de wettigheid niet is betwist, is vereist om te resulteren in een gunstig advies van de commissie en, uiteindelijk, in de erkenning van de artistieke faam door de raad van bestuur; Overwegende dat wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat verzoekster het algemeen besluit om haar geen ruime artistieke faam toe te kennen niet ontkracht; dat zij er niet voldoende in slaagt aan te tonen waar en waarom dit besluit in strijd is met de door haar in zijn aanvraag voorgelegde feitelijke gegevens; dat dienvolgens het middelonderdeel ongegrond is, 3.6. Overwegende dat een uitspraak over het tweede middel niet volstaat om het geschil op te lossen; dat het auditoraatsverslag tot het onderzoek van dit middel was beperkt, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. XII-2218-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2218-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.681 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.432 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.761 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div