← België

Arrest 145684 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.684 Rolnummer: A. 105206/XII-3121 Zaak: Arrest 145684 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:27 Fiche Arrest nr 145.684 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.684 van 9 juni 2005 in de zaak A. 105.206/XII-

  1. In zake : Jaak OCKELEY, wonende te Asse, Kapellestraat 36 tegen : de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4 bus
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jaak Ockeley op 28 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing waarbij [hij] met ingang van 28 april 2001 is ontheven van zijn taak als departements-hoofd van het departement Lerarenopleiding van de Erasmushogeschool Brussel”; Gezien de memorie van antwoord en de “toelichtende memorie”; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3121-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker vast benoemd lector is aan het departement lerarenopleiding van de Erasmushogeschool Brussel; dat hij bij beslissing van 6 juni 1997 van de departementsraad voor een termijn van vier academiejaren wordt verkozen tot departementshoofd lerarenopleiding; dat het bestuurscollege op 19 juni 2000 en vervolgens de raad van bestuur op 5 juli 2000 beslissen de fusie door te voeren van de departementen gezondheidszorg en lerarenopleiding; dat de raad van bestuur op 27 maart 2001 beslist dat “[...] de leden van de departementsraden van de departementen Gezondheidszorg en Lerarenopleiding ontheven worden van hun decretale bevoegdheden vanaf het ogenblik dat de nieuwe departementraad GEZ-LER, campus Jette, samengesteld is [...]”; dat aan verzoeker bij schrijven van 30 maart 2001 wordt meegedeeld dat hij “na het paasverlof [zijn] opdracht als lector terug dient op te nemen” en dat hij “vanaf 28 april 2001 [wordt] ontheven van [zijn] taak als departementshoofd” en dit “[d]oordat de nieuwe departementsraad GEZ-LER [...] geïnstalleerd werd”; XII-3121-2/7 dat Gerda De Cock, die zich als enige kandidaat stelde, op 8 mei 2001 door de departementsraad GEZ-LER tot departementshoofd wordt verkozen; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift betoogt dat hij belang heeft bij de gevorderde nietigverklaring van de bestreden beslissing “vermits die beslissing een einde stelt aan zijn prerogatieven die hij kon/mocht/moest uitoefenen als departementshoofd van het afgeschafte departement Lerarenopleiding”; dat hij in de memorie van wederantwoord nog doet gelden dat administratieve rechtshandelingen met een beperkte duur niet zijn uitgesloten van de annulatiebevoegdheid van de Raad van State, dat het rechtens vereiste belang niet teloorgaat door het enkele feit dat de bestreden beslissing werd uitgevoerd en aldus haar effect heeft gehad aangezien de wijze van uitvoering haar zin en rechtskracht verliest doordat het uit te voeren besluit nietig wordt verklaard, dat het enkele feit dat een bestreden beslissing haar uitwerking in de tijd een einde ziet nemen niet met zich meebrengt dat de verzoeker zijn belang bij de toewijzing van het beroep verliest doch wel twijfel wekt omtrent het voortbestaan van dat belang, zodat het aan de verzoeker toekomt die twijfel weg te nemen, dat laatstgenoemd beginsel wellicht ook van toepassing is op een rechtsonderhorige die, vooraleer de periode waarvoor de verkiezing geldt is afgelopen, wordt ontheven van zijn verkozen mandaat; Overwegende dat het belang van verzoeker bij de gevorderde nietigverklaring volgens het auditoraatsverslag problematisch is en dat, nog steeds volgens dit verslag, niet valt in te zien welk persoonlijk voordeel die nietigverklaring aan verzoeker kan opleveren; Overwegende dat de Raad zowel verzoeker als het auditoraat in zoverre bijvalt, dat het aan de verzoekende partij toekomt om twijfels die rijzen omtrent haar belang bij het beroep weg te nemen, door meer bepaald aan te tonen welk het concrete voordeel is dat zij nastreeft bij de verwijdering van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer; dat, wanneer zulke vragen rijzen op grond van het onderzoek door het auditoraat en wanneer het auditoraatsverslag besluit tot de XII-3121-3/7 verwerping van het beroep wegens gemis aan belang, een verzoekende partij dit in het kader van de schriftelijke procedure te doen staat in de laatste memorie; dat verzoeker te dezen in de laatste memorie betoogt dat zijn belang “ondubbelzinnig gekoppeld [wordt] aan het gegeven dat zijn functie een democratisch verkozen administratief mandaat inhoudt”; dat hij voorts de Raad van State “uit[nodigt] om zich te bezinnen over de relevantie van de bestaande rechtspraak” en stelt van mening te zijn “dat vragen over zijn huidige administratieve toestand op geen enkele wijze enige rol mogen spelen bij de bepaling of hij een belang heeft bij de vernietiging van de door hem bestreden beslissing”, dat de bestreden beslissing immers betrekking heeft op zijn administratieve toestand op het ogenblik dat deze beslissing werd genomen, dat hij het recht heeft een uitspraak te verkrijgen over de onwettigheid van de door hem bestreden beslissing, dat het ex tunc verdwijnen van de bestreden beslissing, waardoor iedereen gehouden zal zijn te handelen alsof deze beslissing nooit heeft bestaan, “een voldoende argument” vormt voor het behoud van zijn belang, dat zijn eventueel verlies van belang het gevolg is van het trage verloop van de procedure voor de Raad van State zodat het passend is de kosten ten laste van de Belgische Staat te leggen; Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de vernietiging hem nog steeds een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel in principe meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; XII-3121-4/7 Overwegende dat verzoeker, die in het inleidend verzoekschrift zijn belang situeert -uitsluitend situeert- bij “zijn prerogatieven die hij kon/mocht/moest uitoefenen als departementshoofd”, niet de beslissing tot fusie van de departementen lerarenopleiding en gezondheidszorg in vraag stelt; dat hij daarenboven geen kandidaat was om hoofd te worden van de nieuwe departementsraad noch de verkiezing van het nieuwe departementshoofd in rechte heeft bestreden; dat met die gegevens voor ogen de vraag rijst naar het concrete voordeel dat verzoeker zou kunnen hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing die voortijdig een einde stelde aan zijn mandaat van departementshoofd, van een departement dat als dusdanig niet meer bestaat; dat het aan verzoeker toekomt om de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak een voldoende belang kan doen gelden, dat onder meer actueel en rechtstreeks moet zijn; dat verzoeker nalaat dit te doen ; Overwegende, in zoverre verzoeker doet gelden dat hij “recht” heeft op een uitspraak “over de onwettigheid”, dat de Raad van State uitspraak doet over annulatieberoepen en hij niet vermag die uitspraak te beperken tot een loutere vaststelling, in voorkomend geval, van het bestaan van een onwettigheid zonder aan die vaststelling de nietigverklaring te koppelen; dat in dat licht moet worden bedacht dat niet elke onregelmatigheid per definitie geacht kan worden de betrokkene zodanig te benadelen dat hij geacht kan worden er een blijvend belang bij de nietigverklaring van de onwettige beslissing aan te ontlenen; dat voorts verzoeker niet aantoont, noch zelfs maar beweert, dat hij door een zodanig zwaar grievende onwettigheid is getroffen dat hij daaraan een gekwalificeerd moreel belang zou kunnen ontlenen; dat, ten slotte, de eventuele retroactieve verwijdering van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer niet ipso facto zijn belang aannemelijk maakt; dat een vernietiging inderdaad de bestreden beslissing ex tunc zou doen verdwijnen; dat daarmee nog niet geweten is welk voordeel die verdwijning te dezen aan verzoeker zou opleveren; XII-3121-5/7 Overwegende, samenvattend, dat uit de door verzoeker gegeven toelichting in de laatste memorie niet blijkt dat wat hij nastreeft uit méér bestaat dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk of om op grond daarvan een eis tot schadevergoeding in te stellen bij de burgerlijke rechter; dat een dergelijk belang slechts een onrechtstreeks karakter heeft dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat immers dat beoogde voordeel niet verbonden is aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer maar enkel aan het horen gegrond verklaren van een middel; Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat hij een voldoende en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het beroep om die reden niet ontvankelijk is; dat niet wordt ingegaan op zijn vraag over de kosten, aangezien de feitelijke vaststellingen die de Raad tot de voorgaande conclusie brengen aan verzoeker hoe dan ook reeds bekend waren op het ogenblik van indienen van zijn beroep, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3121-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3121-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.