id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.685 Rolnummer: A. 69557/XII-1311 Zaak: Arrest 145685 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:27 Fiche Arrest nr 145.685 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.685 van 9 juni 2005 in de zaak A. 69.557/XII-
- In zake : Rosette CASTELEIN, die woonplaats kiest bij advocaat I. Coppens, kantoor houdende te Brugge, Hoogstraat 28 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rosette Castelein op 26 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 oktober 1995 van de centrale raad van de Argo, waarbij zij met ingang van 1 oktober 1986 “ambtshalve ontslagen [wordt] met het oog op [haar] toelating tot het vroegtijdig definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; Gelet op de beschikking van 20 mei 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-1311-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Coppens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster “wordt onder voorbehoud in vast verband benoemd in het ambt van onderhoudswerkvrouw met ingang van 1 oktober 1980”, bij ministerieel besluit van 15 juni
- Op basis van een 20 augustus 1986 gedateerd onderzoek door de pensioencommissie, beslist de hoofdgeneesheer van de administratieve gezondheidsdienst dat verzoekster op medisch vlak, wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid, voor elke functie de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief voortijdig pensioen. Dit wordt haar ter kennis gebracht met een 18 september 1986 gedateerd aangetekend schrijven. Bij ministerieel besluit van 14 april 1987 wordt verzoekster “definitief op pensioen gesteld wegens gezondheidsredenen, met ingang van 1 oktober 1986”. Bij nota van 30 november 1987 meldt de administratie der pensioenen aan het ministerie van onderwijs dat verzoekster als onder voorbehoud vastbenoemde geen aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de Staat. Het ministerie van onderwijs verwittigt vervolgens op 6 januari 1988 de directie van het KTA Diksmuide, dat het ministerieel besluit van 14 april 1987 zal worden ingetrokken en dat verzoekster verzocht moet worden “schriftelijk mede te delen of zij, gezien de nieuwe situatie met ingang van 1.10.1986 wenst XII-1311-2/7 eervol ontslag te nemen of verder in dienst te blijven”. Op 11 januari 1988 meldt verzoekster schriftelijk “dat ik verder in dienst wens te blijven”. Bij ministerieel besluit van 11 februari 1988 wordt dan het ministerieel besluit van 14 april 1987 ingetrokken. De aanhef van het intrekkingsbesluit vermeldt onder meer de nota van 30 november 1987 en de brief van verzoekster van 11 januari
- Bij artikel 49 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI (B.S. 16 maart 1995) worden de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die uiterlijk op 1 oktober 1984 tot de stage toegelaten waren of onder voorbehoud vast benoemd waren met terugwerkende kracht vast benoemd. Op 16 januari 1996 wordt verzoekster namens de centrale raad van de Argo meegedeeld wat volgt : “[...] Beslissing van de Centrale Raad van 12 oktober 1995 [...] Ik deel u mee dat u op grond van artikel 49 van het Onderwijsdecreet VI met ingang van 1 oktober 1980 met terugwerkende kracht vast benoemd wordt in het ambt van onderhoudswerkvrouw met een opdracht van 24 uren per week aan het Koninklijk Technisch Atheneum te Diksmuide. Gelet op de beslissing van de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst van [versta: u ter kennis gebracht op] 18 september 1986 wordt u met ingang van 1 oktober 1986 met terugwerkende kracht op grond van artikel 86, 5/ van het Decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschaps- onderwijs ambtshalve ontslagen met het oog op uw toelating tot het vroegtijdig definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid [...]”. Op 7 februari 1996 zendt verzoekster formulieren voor pensioenaanvraag terug. Als reden geeft zij op : “want ik wens ze niet te tekenen”. Op 15 februari 1996 wordt verzoekster meegedeeld dat zij “ambtshalve definitief op pensioen wordt gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid, met ingang van 1 oktober 1986”, en dat dit gebeurt “ingevolge de beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst en van de wet van 14 februari 1961, inzonderheid artikel 117, zoals later gewijzigd”; verzoekster “wordt gemachtigd om [haar] rechten op een rijkspensioen te doen gelden”; XII-1311-3/7 De aanwijzing van de verwerende partij en de rechtsmacht van de Raad van State.
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat verzoekster zich ten onrechte richt tegen de Argo en dat zij het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap in de zaak moest betrekken, terwijl daarenboven het werkelijke voorwerp van de vordering de teruggevorderde wedde na haar oppensioenstelling betreft; dat in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het beroep wel degelijk tegen een beslissing van de centrale raad van de Argo is gericht waarbij verzoekster ambtshalve ontslagen wordt; dat verwerende partij in de laatste memorie enkel schrijft zich aan te sluiten bij het auditoraatsverslag; dat de Raad dit insgelijks doet; dat de exceptie over de rechtsmacht wordt verworpen en dat de Argo -thans het Gemeenschapsonderwijs- niet buiten de zaak wordt gesteld noch de Vlaamse Gemeenschap er bij wordt geroepen; De ontvankelijkheid van het beroep.
- Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat het beroep laattijdig is, maar van die exceptie ter terechtzitting afstand doet; 4.
- Overwegende dat verwerende partij ook nog opwerpt dat verzoekster “geen belang [heeft] bij de vernietiging van het bestreden besluit”, dat een “regularisatiebeslissing” is teneinde “de pensioenrechten van betrokkene ten laste van de staat veilig te stellen”: bij nietigverklaring ervan “komt verzoekster opnieuw terecht in het administratieve vacuüm waarin zij als ‘onder voorbehoud vastbenoemde’ en bij gebreke aan een definitieve geschiktheidsverklaring, beschouwd wordt als ambtshalve ontsla[ge]n”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert dat uit artikel 49 van het onderwijsdecreet-VI haar vaste benoeming volgt en dat de vernietiging van de bestreden beslissing dan tot gevolg heeft dat zij aanzien moet worden als een vast benoemd personeelslid dat nog niet geldig werd ontslagen; 4.
- Overwegende dat het verweer van verzoekster tegen de exceptie zoals zij door verzoekende partij is aangebracht moet worden bijgevallen; dat immers met de hiervoor geciteerde brief van 16 januari 1996 aan verzoekster twee beslissingen van de Argo worden meegedeeld; dat de “regularisatie” door de Argo enkel de beslissing tot vaste benoeming van verzoekster betreft, op grond van XII-1311-4/7 artikel 49 van het onderwijsdecreet-VI; dat verzoeksters repliek aantoont dat zij niet betwist dat bedoelde decreetsbepaling op haar toepassing moet krijgen, wel integendeel; dat de door haar bestreden beslissing van de centrale raad die is waarbij zij “met ingang van 1 oktober 1986 met terugwerkende kracht [...] ambtshalve ontslagen [wordt] met het oog op [haar] toelating tot het vroegtijdig definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid”, welke verwerende partij heeft genomen op grond van artikel 86, 5/, van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991, waarbij het vast benoemde personeelslid “ambtshalve en zonder opzegging ontslagen [wordt]”, “indien is vastgesteld dat zij wegens een overeenkomstig de wet, het decreet of een reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat [is haar] ambt naar behoren te vervullen”; dat een dergelijke beslissing over de definitieve ambtsneerlegging constitutief van aard is; dat het getroffen personeelslid er in beginsel belang bij heeft, dergelijk ontslagbesluit aan te vechten; 4.
- Overwegende evenwel, ambtshalve, dat het personeelslid dit belang toch niet heeft indien zou blijken dat het bestuur tot het treffen van het ontslagbesluit met dergelijke uitwerking gebonden is en, met andere woorden, de bestreden maatregel niet anders kon luiden; 4.3.
- Overwegende dat door de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst, welker beslissing niet door verzoekster werd aangevochten, de definitieve blijvende arbeidsongeschiktheid van verzoekster is erkend voor elke functie en is vastgesteld dat zij de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen; dat, anders dan verzoekster meent, die medische beslissing van de administratieve gezondheidsdienst niet is “herroepen” bij het ministerieel besluit van 11 februari1988; dat ingevolge die beslissing verzoekster de voorwaarden vervult voor toekenning van een pensioen ten laste van de Schatkist; dat zij alsdan blijkens het aangehaalde artikel 86, 5/, door verwerende partij niet langer in de stand terbeschikkingstelling kan worden gehouden maar “ambtshalve en zonder opzegging ontslagen” moet worden; XII-1311-5/7 4.3.
- Overwegende dat artikel 86, 5/, van het rechtspositiedecreet volgens verzoekster evenwel niet in de mogelijkheid van terugwerking van het ontslag voorziet en zij minstens daarom de nietigverklaring van het ontslagbesluit kan nastreven; Overwegende dat het rechtspositiedecreet over de inwerkingtreding van zo’n ontslagbesluit inderdaad niet uitdrukkelijk stelling neemt; dat het met andere woorden dergelijke retroactiviteit ook niet uitdrukkelijk uitsluit; Overwegende evenwel dat de op 12 oktober 1995 getroffen beslissing van de “administratieve [...] overheid bevoegd tot het benoemen tot een ambt” -in casu de centrale raad van de Argo- die “tot het pensioen wegens ongeschiktheid toelaat”, luidens artikel 117, § 3, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (de zogenaamde eenheidswet) “uitwerking [heeft] op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de in eerste aanleg gewezen beslissing van het bevoegd medisch overheidsorgaan aan de betrokkene bekend werd gemaakt wanneer het een beslissing betreft waartegen geen hoger beroep is ingesteld”; dat dergelijke administratieve beslissing die “tot het pensioen toelaat” een eenheid vormt met het bij artikel 86, 5/, bedoelde ontslagbesluit; 4.3.
- Overwegende dat verzoekster zich in de laatste memorie nog beroept, tegen de terugwerkende kracht van het bestreden besluit, op artikel 117, § 3, tweede lid, van de eenheidswet, omdat zij “niettegenstaande het feit dat zij door ziekte niet werkelijk kon presteren, haar ambt verder [is] blijven uitoefenen, nu zij zich periodiek heeft aangeboden bij de AGD voor verdere controle, en zij ook van 1986 tot 1996 verder een wedde heeft genoten”; dat volgens haar het “feitelijk ophouden van de uitoefening van haar ambt” ten vroegste op 16 januari 1996 kan worden gesitueerd; Overwegende dat de beperking op de terugwerking in de tijd waaraan verzoekster refereert, luidens artikel 117, § 3, tweede lid, slechts geldt voor de “datum vóór die waarop de betrokkene in feite opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen”; dat verzoekster nog wel titularis was van een ambt, maar het wegens ononderbroken afwezigheid wegens ziekte sinds 18 september 1985 niet meer “in feite” heeft uitgeoefend; dat zij overigens daarom, blijkens de aan de Raad XII-1311-6/7 voorgelegde stukken van het administratief dossier, niet een wedde, maar een wachtgeld genoot; dat het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing is; 4.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden maatregel niet anders kon luiden, zodat verzoekster geen belang heeft bij het beroep; dat het niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1311-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.