id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.686 Rolnummer: A. 74949/XII-164 Zaak: Arrest 145686 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 17:28 Fiche Arrest nr 145.686 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.686 van 9 juni 2005 in de zaak A. 74.949/XII-
- In zake : Xavier BASTIAENSE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Delporte, kantoor houdende te Kortrijk, Groenestraat 1A tegen :
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS,
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Xavier Bastiaense op 13 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juni 1997 van de centrale raad van de Argo, waarbij hij ambtshalve wordt ontslagen wegens een dubbele evaluatie “onvoldoende” en, “voor zoveel als nodig”, van “de beslissing genomen door de Raad van Beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij het door [hem] ingestelde beroep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de toegekende evaluaties ‘onvoldoende’ dd. 17 maart 1994 en 12 juni 199[6] (deze laatste bevestigd op 25 juni 199[6]) worden bevestigd”; Gelet op het arrest nr. 68.941 van 21 oktober 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; XII-164-1/12 Gelet op de beschikking van 22 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Delporte, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is vast benoemd als psycho-pedagogisch consulent en als zodanig aangesteld aan het PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs te Halle. 1.
- Op 17 maart 1994 kent de directeur van het P.M.S.-centrum Halle, P. Bossaert, verzoeker een eerste evaluatie “onvoldoende” toe. Hij besluit in zijn verslag : “Wij ervaarden het functioneren van het personeelslid op het PMS-centrum te Halle, mede ten gevolge van zijn negatieve instelling ten aanzien van het PMS-werk in zijn huidige context, en vooral ten gevolge van zijn eigenzinnig en probleemscheppend gedrag, dat uiteraard niet passend is in een XII-164-2/12 groepswerksituatie met hiërarchische structuur als dermate storend, dat een negatieve evaluatie zich opdringt.”. 1.
- Het vast bureau van de Argo verleent verzoeker bij besluit van 10 februari 1994 verlof wegens bijzondere opdracht bij het navormingsproject “Toepassingssoftware” voor de periode van 14 februari 1994 tot en met 31 augustus 1995; hij wordt voor die periode gedetacheerd naar de centrale diensten van de Argo. 1.
- Op 23 januari 1996 wordt verzoeker gehoord door de adjunct- administrateur-generaal van de Argo in het kader van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. 1.
- Op 12 juni 1996 -bevestigd, na gemotiveerd antwoord van verzoeker, op 25 juni 1996- wordt verzoeker nogmaals de evaluatie “onvoldoende” gegeven door de directeur van het P.M.S.-centrum. De samenvatting van het verslag van 12 juni 1996 luidt : “-Sinds de hoorzitting van 23.01.96 op Argo dient gesteld dat er een wezenlijke verbetering is opgetreden in het gedrag en de houding van de heer X. Bastiaense. -Manifeste incidenten zijn sindsdien uitgebleven en de betrokkene poogt aan zijn plichten te voldoen. -Toch is over het verloop van het ganse dienstjaar ’95-’96 gezien, de wijze van functioneren van het personeelslid tot op heden -ook na de voorgaande evaluatie ‘onvoldoende’- door zoveel incidenten en moeilijkheden op het PMS-centrum te Halle gekenmerkt geweest, dat bij het afwegen van de pro’s en de contra’s een evaluatie ‘voldoende’, na rijp beraad niet kan toegekend worden.”. Met een verzoekschrift van 29 juni 1996 gericht aan de raad van beroep van het personeel van het gemeenschapsonderwijs vraagt verzoeker de vernietiging van deze evaluatie. 1.
- Op 5 juli 1996 stelt C. Deman, pedagogisch adviseur, op basis van verschillende voorafgaande “begeleidingsgesprekken” met verzoeker en gesprekken met collega’s een eindverslag op over zijn begeleiding, waarin hij komt tot volgend “Algemeen besluit” : “1.Werkinhoudelijk zijn er geen directe problemen, voor zoverre het verzamelen en verwerken van gegevens betreft.
- Er is een zeer diepgaande problematiek t.o.v. zijn directie, die onverminderd voortduurt.
- Hij is extreem kritisch (ook met zichzelf) zodat alles zonder uitzondering zeer problematisch kan worden. XII-164-3/12
- Er is moeilijke samenwerking mogelijk, met latente spanningen en potentiële problemen, vooral vanwege zijn eisende houding. Hij gaat ervan uit dat hij in alles gelijk heeft en dat toegepast wil zien.
- Bij besprekingen komt hij zeer moeilijk tot het formuleren van de kern van het probleem, vooral wegens eindeloze uitweidingen of uitvergroten van details, en meer-gelaagde complexe verbanden. Hij blijft soms moeilijk om volgen door het voortdurend mengen van maatschappijvisies, eigen leven, militaire en andere ervaringen en diverse aspecten van PMS-werk.
- Op diep gemeende persoonlijke pogingen tot maximaal begrijpen van betrokkene -soms door hem verbaal geappreciëerd- wordt soms gereageerd met schriftelijke nota’s, of mondelinge klachten en kritieken, zodat een blijvende vertrouwensrelatie meteen onmogelijk werd gemaakt.
- Tijdens de begeleiding zijn op zich twee kenmerkende gegevens merkbaar : * een plotse verandering vanuit obstructie naar een voldoend functioneren na de hoorzitting. * een onveranderde houding waar moeilijk mee samen te werken valt, vertrekkende vanuit het eigen gelijk als de maat van alles. Werkinhoudelijk is dit voldoende, maar in samenwerkingsverbanden en teamwerking is dit alles erg problematisch en zeer belastend voor de hele organisatie.”. 1.
- Op 12 juli 1996 meldt de Argo aan C. Deman dat het evaluatieverslag niet wordt afgesloten met duidelijke conclusie “voldoende” of “onvoldoende” en verzoekt de Argo hem “dringend een eindevaluatie te formuleren inzake het functioneren van betrokken personeelslid”. Op 17 juli 1996 deelt C. Deman als “gevraagde aanvulling van mijn besluiten betreffende het functioneren van de heer Bastiaense” mede : “De evaluatie is onvoldoende. Het is evident dat deze evaluatie dient gelezen samen met alle andere gegevens van de besluitvorming omtrent bovenvermeld personeelslid”. Verzoeker stelt op 31 juli 1996 bij gemotiveerd bezwaarschrift beroep in tegen deze evaluatie. 1.
- Op 30 april 1997 beslist de raad van beroep met eenparigheid van stemmen “de door [verzoeker] ingestelde beroepen ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de toegekende evaluaties ‘onvoldoende’ te bevestigen”, zulks op grond van volgende overwegingen : “Overwegende dat de verschillende evaluaties ‘onvoldoende’ behoorlijk zijn gemotiveerd en gesteund zijn op talrijke concrete gegevens en vaststellingen die door de heer Bastiaense niet worden weerlegd in zijn verweerschrift en in de argumentatie aangehaald in zijn bezwaarschriften waarbij hij beroep instelde bij de Raad van Beroep en in zijn verweerschrift neergelegd ter zitting. XII-164-4/12 Overwegende dat het vaststaat dat de heer Bastiaense niet in staat is te werken in teamverband. Overwegende zoals blijkt uit de verklaringen van de pedagogisch adviseur ter zitting dat omtrent het functioneren van de heer Bossaert als directeur van het PMS-centrum Halle, geen negatieve opmerkingen kunnen worden geformuleerd. Overwegende dat het vaststaat dat de onmogelijkheid om in teamverband te werken zijn oorzaak vindt in de houding van de heer Bastiaense. Overwegende dat het behoorlijk functioneren van een PMS-centrum voor een belangrijk deel, gelet op de finaliteit van de opdrachten van deze centra, wordt gekenmerkt door samenwerkingsverbanden en teamwerking. Overwegende dat, los van alle andere vaststellingen en feiten t.o.v. de heer Bastiaense, hogervermelde vaststellingen de evaluatie ‘onvoldoende’ verantwoorden. Overwegende dat de heer Bastiaense ter zitting de regelmatigheid van de terzake toegekende evaluaties 1.
- De centrale raad van de Argo besluit op 26 juni 1997 de beslissing van de raad van beroep “uit te voeren en de definitieve ambtsneerlegging uit te spreken”, op grond van artikel 88, eerste lid, 5/, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschaps- onderwijs (verder : het rechtspositiedecreet). Verzoeker wordt voor de duur van de opzeggingstermijn, die geraamd wordt op 18 maanden, tijdelijk tewerkgesteld als administratieve hulp aan het KTA 1 Gent; De ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de Argo, thans het Gemeenschapsonderwijs, vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; dat hij ter terechtzitting aan dit verzoek verzaakt; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij vervolgens opwerpt dat de eerste bestreden beslissing, genomen door de centrale raad op 26 juni 1997, geen voor vernietiging vatbare handeling is, minstens niet zinvol bestreden kan worden; dat zij van oordeel is dat de centrale raad geen andere beslissing kon nemen gezien de twee evaluaties “onvoldoende”; Overwegende dat artikel 88, eerste lid, 5/, van het rechtspositiedecreet luidt : “Voor de vast benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging : [...] 5/ indien zij gedurende twee opeenvolgende schooljaren XII-164-5/12 betrekking heeft. Die periode wordt opgeschort wanneer het personeelslid geen diensten presteert in het ambt waarvoor de Overwegende dat de evaluaties van het personeelslid definitief worden indien de raad van beroep het ertegen ingestelde beroep verwerpt; dat evenwel de eerste bestreden beslissing een van de Argo uitgaande constitutieve rechtshandeling is die met het oog op het vaststellen van verzoekers rechtstoestand vereist is om uitvoering te geven aan de beslissing van de raad van beroep en die voor hem griefhoudend is; dat het een afzonderlijke, voor vernietiging vatbare rechtshandeling is bij wiens vernietiging verzoeker niet zonder belang kan worden geacht; dat de exceptie niet wordt aangenomen; De gegrondheid van het beroep. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending van artikel 88, eerste lid, 5/, van het rechtspositiedecreet aanvoert “doordat de bestreden beslissing het ambtshalve ontslag uitspreekt omdat [hij] gedurende twee opeenvolgende schooljaren ‘onvoldoende’ heeft gekregen, terwijl de betrokken evaluaties respectievelijk het schooljaar 1993/4 en 1995/6 betreffen en dus niet kunnen worden aanzien als ‘twee opeenvolgende schooljaren’, te meer daar ook tijdens het schooljaar 1994/5 diensten werden gepresteerd in het ambt”; dat hij nader betoogt een verlof voor bijzondere opdracht te hebben gekregen hetgeen luidens artikel 77 van het rechtspositiedecreet met dienstactiviteit wordt gelijkgesteld; dat hij tenslotte argumenteert dat van rechtsmisbruik sprake is omdat hij niet is geëvalueerd gedurende het dienstjaar 1994/1995; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat de detachering, die niet wordt betwist, gebeurde naar de centrale diensten van de Argo en “duidelijk niet hetzelfde ambt [is] waarin hij de eerste onvoldoende kreeg. Dit was immers PPC’er aan het PMS-centrum te Halle”; dat de tweede verwerende partij nog refereert aan het door verzoeker voor de raad van beroep neergelegd verweerschrift waarin hij zelf de inhoud van zijn opdracht bij Argo-centraal beschrijft als diensten gepresteerd in andere ambten; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord preciseert dat hij tijdens zijn bijzondere opdracht “computerprogramma’s diende te XII-164-6/12 ontwikkelen bestemd voor P.M.S. centra en aldus zijn ambt verder uitoefende, zij het op een andere plaats”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie oppert dat wie prestaties verricht in een ander ambt geen kans krijgt om een evaluatie “voldoende” te verkrijgen, wat volgens hem haaks staat op de geest van de wetgeving; dat verwerende partij volgens hem onredelijk en met miskenning van de fair-play tewerk gaat door hem in die periode geen evaluatie toe te kennen; dat hij nog betoogt dat de uitzondering bedoeld in artikel 88 van strikte interpretatie is ter bescherming van het personeelslid, bijvoorbeeld wanneer dit geen diensten zou presteren in het ambt wegens ziekte; 3.1.
- Overwegende dat het eerste middel enkel betrokken kan worden op de eerste bestreden beslissing, uitgaande van de centrale raad van de Argo; Overwegende dat artikel 77 van het rechtspositiedecreet door verzoeker niet dienstig wordt aangevoerd; dat die bepaling slechts verduidelijkt wie een verlof geniet “gelijkgesteld met dienstactiviteit”, om hem te onderscheiden van degenen die zich in de administratieve standen “non-activiteit” en “terbeschikkingstelling” bevinden; dat artikel 88, eerste lid, 5/, van het rechtspositiedecreet niet van de administratieve standen gewaagt maar een andere betekenis heeft, waar het de evaluatieperiode opschort “wanneer het personeelslid geen diensten presteert in het ambt waarvoor de ‘onvoldoende’ is toegekend”; dat die opschorting het niet meer feitelijk en werkelijk “presteren” in het bedoelde ambt betreft; dat dergelijke opschorting dan ook toepasselijk kan zijn, zelfs indien het betrokken personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit is; dat zulks bijvoorbeeld zo is, inderdaad, in het door verzoeker aangehaalde geval van het personeelslid dat geen diensten kan presteren in het ambt wegens ziekte, aangezien het personeelslid dat door ziekte of gebrekkigheid verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen in eerste instantie een ziekteverlof geniet; dat verzoeker vergeet dat dit ziekteverlof niettemin óók gelijkgesteld is met dienstactiviteit; dat verzoeker precies ook in zo een situatie is, omdat hij een verlof heeft gekregen voor een bijzondere opdracht bij de centrale diensten voor een navormingsproject, en gedurende die tijd geen feitelijke diensten heeft gepresteerd in zijn ambt; dat hieruit ook volgt dat zelfs indien hem in die periode 1994-1995 een evaluatie ware toegekend, deze hem niet ten goede kon komen en, omgekeerd, het ontbreken van zulke evaluatie hem geen nadeel oplevert; dat, rekening houdende met de opschorting, terecht is vastgesteld XII-164-7/12 dat de evaluaties “gedurende twee opeenvolgende schooljaren” zijn gekregen; dat het middel faalt; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van artikel 41, §1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet aanvoert “alsmede van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel”, doordat “elke beslissing van een administratieve overheid dient te steunen op relevante, kenbare en in rechte aanvaardbare motieven” en “de evaluatie de waarde, de geschiktheid, de prestaties, de verdiensten van het personeelslid en zijn inzet voor het Gemeenschapsonderwijs betreft”, terwijl “de bestreden beslissing als enige motivering bevat dat [hij] ‘niet in staat zou zijn in team te werken’, hetgeen, eerste onderdeel, als criterium niet relevant is volgens artikel 80 [lees: 41] van het [rechtspositiedecreet], zodat de bestreden beslissing niet op wettelijke gronden werd genomen; tweede onderdeel, geen enkele steun vindt in het evaluatiedossier, zodat dient te worden aangenomen dat de evaluatie niet op de vereiste feitelijke gronden is geschied; derde onderdeel, als motivering tegenstrijdig is met de motivering gegeven in de evaluatie door de hiërarchische meerdere, hetgeen gelijkstaat met een afwezigheid van motivering; vierde [onderdeel], betekent dat de motivering steunt op feitelijke motieven die niet dateren van tijdens de te evalueren periode, hetgeen maakt dat de beslissing niet op relevante motieven gesteund is”; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel de motivering van de raad van beroep citeert en daaruit afleidt dat zijn beroepsprestaties, zijn geschiktheid voor het werk, zijn prestaties en verdiensten en zijn inzet voor het gemeenschapsonderwijs niet worden beoordeeld maar dat de evaluatie wordt toegekend aan de hand van een criterium dat vreemd is aan het decreet, terwijl de pedagogisch adviseur schrijft dat zijn prestaties “werkinhoudelijk voldoende” zijn; dat verzoeker met betrekking tot het tweede middelonderdeel betoogt dat de tijdens het betrokken dienstjaar overgemaakte persoonlijke nota’s niet spreken over de inzet in teamverband, over zijn verhouding tegenover andere leden van het team of over zijn geschiktheid voor de taakvervulling, doch enkel over zijn verhouding tot de directeur, die niet als “teamlid” kan worden beschouwd gezien zijn hiërarchische functie; dat verzoeker voor wat het derde middelonderdeel betreft tegenstrijdigheid ontwaart tussen de beslissing van de raad van beroep en de beoordeling van zijn directeur die zijn handelwijze duidelijk verbeterd noemt, wat haaks staat op het oordeel dat hij manifest niet in staat zou zijn in team te werken; dat hij tenslotte voor het vierde middelonderdeel toelicht dat de oorsprong van de XII-164-8/12 motivering terug te vinden is in het verslag van C. Deman dat werd opgemaakt in 1993; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat zijn beslissing “enkel aan[duidt] dat de beslissing van de Raad van Beroep wordt uitgevoerd en de decretale gevolgen die eraan gekoppeld worden uit te spreken”; Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat het niet in team kunnen werken niet de enige motivering was van de beslissing van de raad van beroep, die eveneens naar de verschillende evaluaties “onvoldoende” verwijst welke gesteund zijn op concrete gegevens die door verzoeker niet worden weerlegd, dat werken in team een element is dat vanzelfsprekend bij de beoordeling van het geschiktheidscriterium aan bod kan komen en rekening houdend met de opdrachten van de P.M.S.-centra zelfs essentieel lijkt, dat de motivering van de directeur ook op die tekortkoming wijst, dat de raad van beroep niet naar een verslag van 1993, maar naar het verslag van 26 juni 1996 en de evaluatie van 17 juli 1996 verwijst, dat bijgevolg alle middelonderdelen feitelijke grondslag missen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de raad van beroep “niet [is] ingegaan op de vele argumenten die [hij] naar voren bracht en waaruit bleek dat hij met zijn collega’s wel degelijk op een professionele manier samenwerkte” en herhaalt dat de pedagogisch adviseur schrijft dat zijn prestaties “werkinhoudelijk voldoende” zijn; dat hij opmerkt dat het verslag van C. Deman wel “dateert uit 1996 doch werd opgemaakt om punten uit de evaluatie van 1993 te volgen”; dat hij voorts zijn middelonderdelen handhaaft; dat hij dit insgelijks doet in de laatste memorie; 3.2.
- Overwegende dat het tweede middel, in acht genomen de door verzoeker gegeven toelichting van de vier onderdelen, gericht is tegen de beslissing van de raad van beroep; Overwegende dat “in teamverband kunnen werken” voor de beoordeling van de beroepsgeschiktheid van een psycho-pedagogisch consulent in een P.M.S.-centrum kan worden ingepast in “de waarde, de geschiktheid, de prestaties, de verdiensten van het personeelslid en zijn inzet voor het Gemeenschapsonderwijs of de instelling” die de decreetgever als algemene criteria XII-164-9/12 voor die evaluatie heeft voorgeschreven bij het aangevoerde artikel 41, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet; Overwegende dat de bestreden beslissing vooral, maar niet uitsluitend naar dit element verwijst, doch eveneens naar de aan verzoeker gegeven evaluaties en de “talrijke concrete gegevens en vaststellingen” waarop die evaluaties zijn gesteund; dat die concrete gegevens en vaststellingen inderdaad talrijk zijn en hun beslag krijgen in meerdere rapporten van C. Deman en nota’s van de directeur; dat zij onder meer betrekking hebben op de klachten van verzoeker, weliswaar vooral tegen de directeur gericht maar die tevens “negatieve bedenkingen” bevatten over collega’s en aanklachten aan de Argo-hiërarchie, aan pedagogisch adviseurs en over het Argo-beleid in zijn geheel; dat, bij wijze van illustratie, C. Deman op 11 december 1995 over verzoeker onder meer rapporteert dat een overplaatsing “zeer ernstige gevaren” zou opleveren voor een verschuiving van de problemen; dat ook wordt verweten aan verzoeker de moeilijkheden aan buitenstaanders te hebben meegedeeld en alzo de goede naam van het centrum in opspraak te brengen; Overwegende dat verzoeker uit het evaluatieverslag van C. Deman isoleert dat hij op een welbepaald aspect “voldoende” presteert; dat een positief benaderen van een onderdeel van verzoekers presteren niet tegenspreekt dat het globale eindoordeel negatief uitvalt, zoals te dezen het geval is; dat evenzo de directeur noteert dat verzoeker weliswaar vooruitgegaan is, maar globaal blijft bij zijn evaluatie “onvoldoende”; dat de eenstemmige beslissing van de raad van beroep hiermee dan ook niet tegenstrijdig is; Overwegende dat de raad van beroep verwijst naar de evaluatie van de directeur van 17 maart 1994, een tweede evaluatie van de directeur van 12 juni 1994 gehandhaafd op 25 juni 1996 en een evaluatie van de pedagogisch adviseur van 17 juli 1996; dat die laatste evaluaties wel degelijk betrekking hebben op het schooljaar 1995-1996; dat de evaluatie van C. Deman gesteund is op meerdere begeleidingsgesprekken met verzoeker en gesprekken met zijn collega’s in de loop van dat schooljaar; dat overigens verzoeker zich zelf beroept op hun vaststellingen dat gedurende dat schooljaar toch enige verbetering was vast te stellen; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat het tweede middel ongegrond is; XII-164-10/12 3.3.
- Overwegende dat verzoeker een derde middel put uit de schending van artikel 41 van het rechtspositiedecreet en van artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie van vast benoemde personeelsleden, de maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs (verder : het evaluatiebesluit), doordat voornoemd artikel van het evaluatiebesluit stipuleert dat het vastbenoemd personeelslid aan wie een beoordeling “onvoldoende” wordt toegekend, het daarop volgend schooljaar en ten vroegste acht maanden nadat de vorige evaluatie werd gegeven opnieuw geëvalueerd dient te worden door de instellingshoofden alsmede door het terzake aangeduide lid van de diensten van de Argo afzonderlijk, “terwijl eerste onderdeel, de evaluatie van de heer C. Deman steunt op ‘begeleidingsgesprekken’ die werden gedaan tijdens het jaar 1993, zodat van een nieuwe evaluatie geen sprake is doch slechts van een bevestiging van de eerste beslissing aan verzoekende partij de beoordeling ‘onvoldoende’ toe te kennen; tweede onderdeel, deze evaluatie -die slechts na aandringen van de directie werd gegeven als ‘onvoldoende’ - gesteund is op motieven die integendeel zeggen dat het functioneren van verzoekende partij ‘voldoende’ is zodat wegens tegenstrijdigheid tussen motivering en dispositief dient te worden besloten tot een nietige rechtshandeling; derde onderdeel, daar waar de besluiten van de heer Deman worden bevestigd door de heer De Wispelaere, dit niet geschiedt met de evaluatie ‘onvoldoende’ toegekend per schrijven van 17 juli 1996”; Overwegende dat verzoeker zijn middel handhaaft in de memorie van wederantwoord en volhardt in de laatste memorie; 3.3.
- Overwegende dat ook het derde middel is gericht tegen de beslissing van de raad van beroep; dat de beweerde schending van artikel 41 van het rechtspositiedecreet grotendeels samenvalt met en is weerlegd bij het onderzoek van het tweede middel; dat, voorts, de pedagogisch adviseur een evaluatie heeft gegeven op het einde van het schooljaar 1995-1996 aan de hand van meerdere begeleidingsgesprekken die hij voerde in de loop van datzelfde schooljaar; dat hem daarbij niet is verboden rekening te houden met de situatie zoals die zich in het verleden heeft voorgedaan, precies om te kunnen nagaan of veranderingen in goede of slechte zin zijn vast te stellen; dat de aan verzoeker gegeven evaluaties niet geschiedden voordat acht maanden sedert de vorige evaluatie waren verstreken; dat verzoeker niet aangeeft welke rechtsregel is geschonden doordat ook De Wispelaere een stuk niet zou hebben ondertekend; dat luidens het door verzoeker ingeroepen artikel 8 van het evaluatiebesluit de bijkomende evaluatie moet uitgaan van “het XII-164-11/12 terzake aangeduide lid van de diensten van de Argo”, en niet wordt betwist dat terzake pedagogisch adviseur C. Deman was aangeduid voor het formuleren van bedoelde evaluatie; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-164-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.686 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.68.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.