id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.690 Rolnummer: A. 65160/XII-2354 Zaak: Arrest 145690 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:29 Fiche Arrest nr 145.690 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.690 van 9 juni 2005 in de zaak A. 65.160/XII-
- In zake : Frederik VAN MALDEREN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Vande Moortel, kantoor houdende te Gent, Groot-Brittanniëlaan 12 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken,
- de GEMEENTE MAARKEDAL. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frederik Van Malderen op 16 augustus 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing [van 30 mei 1995 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken] waarbij de ambtshalve schrapping van verzoeker uit het bevolkingsregister van de gemeente Maarkedal dd. 02.05.1994 wordt bevestigd” en van “de beslissing van de gemeente Maarkedal dd. 02.05.1994”; Gelet op de beschikking van 22 november 1995 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging niet wordt toegekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; XII-2354-1/12 Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien verzoekers laatste memorie; Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. De Backer, die loco advocaat J. Vande Moortel verschijnt voor verzoeker, en van adviseur I. Bens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker en diens zoon op 16 februari 1993 ambtshalve worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Maarkedal op het adres Elsstraat 9; dat het college van burgemeester en schepenen van Maarkedal op 2 mei 1994 beslist verzoeker en zijn zoon ambtshalve af te voeren uit het bevolkingsregister van Maarkedal; dit is de tweede aangevochten beslissing; Overwegende dat verzoeker in een schrijven van 26 mei 1994 aan de minister van Binnenlandse Zaken uiteenzet dat hij samen met zijn zoon ten onrechte uit zijn huurwoning werd verdreven, hetgeen tot gevolg had dat hij uit het bevolkingsregister van Maarkedal werd geschrapt; dat verzoeker de minister XII-2354-2/12 van Binnenlandse Zaken in voornoemde brief verzoekt een onderzoek ter plaatse uit te voeren; dat verzoeker bij brief van 13 juli 1994 bij de directie van de verkiezingen en van de bevolking beroep aantekent tegen de beslissing van 2 mei 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Maarkedal; Overwegende dat verzoekers verblijfstoestand op 3, 5, 8 en 10 augustus 1994 wordt onderzocht, waarna de bevolkingsinspecteur in zijn verslag van 8 september 1994 de toelating vraagt om aanvullende onderzoeken uit te voeren; dat deze onderzoeken op 28 oktober 1994 en 18 november 1994, alsook op 8, 12, 14 en 21 december 1994 worden verricht, op grond waarvan de bevolkingsinspecteur in zijn verslag van 12 januari 1995 besluit dat verzoekers hoofdverblijfplaats niet gekend is en dat zijn ambtshalve afschrijving uit het bevolkingsregister van Maarkedal moet worden behouden, alsook dat verzoekers minderjarige zoon op 3 augustus 1994 bij zijn moeder dient te worden ingeschreven op het adres Diependale 12 te Oudenaarde; Overwegende dat verzoeker bij brief van 20 januari 1995 op de hoogte wordt gebracht van het voornemen aan de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen “uw ambtshalve afschrijvingen dd. 2 mei 1994 te Maarkedal te behouden maar uw zoon Philip vervolgens op 3 augustus 1994 op het adres van zijn moeder te Oudenaarde in het bevolkingsregister te doen inschrijven”, alsook van de mogelijkheid om gegevens die invloed kunnen hebben op deze zienswijze uiterlijk binnen vijftien dagen schriftelijk te bezorgen; dat verzoeker in een schrijven van 1 februari 1995 verzoekt voornoemd advies te herzien; Overwegende dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 30 mei 1995 de eerste bestreden beslissing neemt, die als volgt is gemotiveerd : “Gelet op de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot XII-2354-3/12 regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid op de artikelen 3 en 8; Gelet op het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, inzonderheid op artikel 21; Gelet op het ministerieel besluit van 26 februari 1986 houdende machtiging aan de Directeur-generaal der Algemene Directie van de Wetgeving en van de Nationale Instellingen om moeilijkheden en betwistingen in verband met het bepalen van de verblijfplaats te beslechten; Gelet op de beslissing dd. 21 september 1993 van de Directeur-generaal der Algemene Directie van de Wetgeving en van de Nationale Instellingen, waarbij de ambtshalve inschrijving van Frederik Van Malderen en zijn zoon Philip Van Malderen dd. 16 februari 1993 in het bevolkingsregister van Maarkedal, Elsstraat 9, diende te worden behouden; Gelet op het verzoek dd. 26 mei 1994 van advocaat Jan Vande Moortel tot beslechting van de betwisting betreffende de hoofdverblijfplaats van de heer Frederik Van Malderen, geboren te Oudenaarde op 11 januari 1950 en van zijn minderjarige zoon Philip Van Malderen, geboren te Gent op 30 april 1978; Overwegende dat uit het onderzoek dd. 3 en 10 augustus, 28 oktober en 8 december 1994 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) is gebleken dat : i. de betrokkenen, die sedert 16 februari 1993 ingeschreven waren in het bevolkingsregister van Maarkedal, Elsstraat 9, op 28 april 1994 door een gerechtsdeurwaarder uit deze woning werden gedreven wegens niet-betaling van de huur; ii. de betrokkenen bij Collegebeslissing dd. 2 mei 1994 op deze datum ambtshalve werden afgevoerd uit het bevolkingsregister van Maarkedal; iii. advocaat Jan Vande Moortel, raadsman van de betrokkenen, bij brief dd. 26 mei 1994 de afvoering van betrokkenen uit het bevolkingsregister van Maarkedal betwist, en verklaart dat de betrokkenen verblijven in een mobiele woning gestationeerd aan de Elsstraat 9 te Maarkedal/Nukerke; iv. de betrokkene inderdaad 7 à 8 dagen na zijn uitdrijving zijn trekcaravan, met toestemming van de eigenaars, op de oprit naast de woning aan de Elsstraat 9 te Maarkedal/Nukerke heeft geplaatst, waar, volgens zijn verklaringen, nog steeds het centrum van zijn gezinsbelangen is gevestigd; v. deze caravan niet uitgerust is met de nodige nutsvoorzieningen voor een permanent verblijf; vi. de bevoegde inspecteur op 3 augustus 1994 de kleine trekcaravan aldaar heeft aangetroffen waarvan de deur open stond en waarin niemand aanwezig was; vii. betrokkene vervolgens meermaals aangifte deed van adreswijzigingen, o.m. voor de Ohiostraat 142 te Oudenaarde, de Trekweg, Sectie A, perceel nr. 95/PA te Oudenaarde, de Nederstraat 74/bus 5 te Oudenaarde en de J.B. Eeckhoutskaai XII-2354-4/12 te Oudenaarde/Leupegem, maar deze steeds resulteerden in een niet-inschrijving; viii. op 2 mei 1994 aangifte van adresverandering werd gedaan voor de minderjarige zoon Philip Van Malderen naar het adres Diependale 12 te Oudenaarde, bij zijn moeder Christine Van Daele; ix. Philip Van Malderen school loopt te Oudenaarde; x. een politieverslag dd. 2 december 1994 van de stad Oudenaarde het verblijf van Philip Van Malderen in het gezin van zijn moeder bevestigt; xi. de heer Frederik Van Malderen op 8 augustus 1994 telefonisch aan de bevoegde ambtenaar verklaart her en der te hebben verbleven, en nu opnieuw in zijn caravan aan de Elsstraat 9 te Maarkedal/Nukerke te verblijven; xii. de bevoegde inspecteur de betrokkene op 28 oktober 1994 heeft aangetroffen in zijn caravan aan de Elsstraat 9 te Maarkedal/Nukerke, waarbij hij verklaart er daadwerkelijk te verblijven, maar de bevoegde inspecteur heeft kunnen vaststellen dat er geen nutsaansluitingen zijn en weinig of geen voedsel voorradig is; xiii. de bevoegde inspecteur de betrokkene op 8 december 1994 alleen heeft aangetroffen in de woning van zijn echtgenote Christine Van Daele aan het adres Diependale 12 te Oudenaarde, waarbij hij verklaart niet langer meer in de caravan te verblijven wegens de kou; xiv. een buurvrouw bevestigt dat betrokkene bij zijn echtgenote en zoon woont; xv. betrokkene aan de bevoegde inspecteur verklaart her en der te overnachten : eenmaal per week aan bovenstaand adres (waar hij geen persoonlijke goederen heeft), driemaal per week bij zijn schoonouders, eenmaal per week bij vrienden,...; xvi. de politiecommissaris van Oudenaarde op 21 december 1994 telefonisch aan de bevoegde inspecteur verklaart dat betrokkene her en der zou overnachten; xvii. dienvolgens de bevoegde inspecteur voorstelt : * de ambtshalve afvoering van Frederik Van Malderen dd. 2 mei 1994 uit het bevolkingsregister van Maarkedal te behouden aangezien zijn hoofdverblijf niet kan vastgesteld worden; * Philip Van Malderen op datum van 3 augustus 1994, zijnde de aanvangsdatum van het bevolkingsonderzoek, in te schrijven in het bevolkingsregister van Oudenaarde, Diependale 12, in het gezin van zijn moeder Christine Van Daele. [...] Overwegende dat mevrouw Christine Van Daele, het stadsbestuur van Oudenaarde en het gemeentebestuur van Maarkedal, die bij brieven dd. 20 januari 1995 hieromtrent door het departement werden XII-2354-5/12 aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen hebben medegedeeld; Overwegende dat de brief aan betrokkene dd. 20 januari 1995 op 1 februari 1995 beantwoord wordt door zijn raadsman Jan Vande Moortel, die mededeelt niet akkoord te gaan met de voorgestelde beslissing omdat betrokkene overdag telkens bereikbaar was in zijn caravan en hij daar nog steeds zijn burgerrechtelijke woonplaats heeft in de zin van art. 102 B.W., maar hij sedert eind september 1994 de nacht in diverse woningen heeft doorgebracht, en dat betrokkene aan het gemeentebestuur van Maarkedal meerdere aanvragen heeft gedaan om over een ander onderkomen te kunnen beschikken, maar hij verder echter geen nieuwe gegevens aanhaalt die de voorgestelde beslissing zouden kunnen beïnvloeden”;
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat verzoeker uitdrukkelijk de nietigverklaring vraagt van zowel de beslissing van 30 mei 1995 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken als van de beslissing van 2 mei 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Maarkedal; dat de Raad van State enkel kennis kan nemen van beroepen die zijn gericht tegen in laatste aanleg genomen beslissingen; dat indien tegen een beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat, dit beroep dient te worden uitgeput vooraleer een ontvankelijk annulatieberoep bij de Raad van State kan worden ingediend; Overwegende dat artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: de wet van 19 juli 1991) bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken of de ambtenaar aan wie hij zijn bevoegdheid heeft overgedragen in geval van moeilijkheden of betwistingen de plaats van iemands hoofdverblijf vaststelt; dat voormelde bepaling een georganiseerd administratief beroep instelt dat aan elkeen die de juistheid van zijn inschrijving in of schrapping uit het bevolkingsregister van een gemeente betwist de mogelijkheid biedt aan de minister te vragen aan die betwisting een einde te maken; XII-2354-6/12 Overwegende dat ook te dezen dat beroep is ingesteld; dat ten gevolge van het beroep de bevoegdheid om verzoekers hoofdverblijf te bepalen naar de minister is overgegaan; dat ten onrechte verzoeker de mening blijkt toegedaan dat die bevoegdheid ertoe beperkt is om na te gaan of de beslissing van het college al dan niet “gerechtvaardigd” is en om de beslissing, indien dat niet het geval is, ongedaan te maken, zonder meer; dat immers, in het kader van het bij hem ingediende administratief beroep, de minister kennis neemt van de gerezen betwistingen op zich en ze beslecht en oplost door, zo nodig na een eigen onderzoek, zelf het hoofdverblijf vast te stellen; dat de minister daarmee zijn beslissing in de plaats stelt van die van het college; dat tegen die nieuwe beslissing niet nuttig nog kunnen worden aangevoerd de onwettigheden die alleen het besluit van het college van burgemeester en schepenen betreffen; dat het immers uit het rechtsverkeer is verdwenen; dat uitsluitend de eindbeslissing voor eventuele vernietiging door de Raad van State in aanmerking komt; dat de besproken vordering slechts ontvankelijk is wat het eerste voorwerp betreft;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een schending aanvoert van de wet van 19 juli 1991 en van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 1992); dat hij uiteenzet dat de gemeente Maarkedal in strijd met artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 te snel is overgegaan tot zijn ambtshalve schrapping en dat haar “vroegtijdige en overhaaste” beslissing dient te worden nietigverklaard “alsook mutatis mutandis de beslissing dd. 30.05.1994”; dat hij voorts doet gelden dat de gemeente Maarkedal ten onrechte geen rekening hield met het feit dat hij zich reeds na enkele dagen opnieuw in de gemeente vestigde en dit in een mobiele wagen die dienst deed als woonplaats in de zin van artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek; dat hij ondergeschikt betoogt dat de beslissing om de inschrijving te schrappen in strijd is met artikel 20, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 dat onder meer bepaalt dat personen die in een mobiele woning verblijven worden XII-2354-7/12 ingeschreven in de registers van de gemeente waar zij tenminste zes maanden per jaar verblijven; Overwegende dat het middel er toe strekt de onwettigheid van de collegebeslissing van 2 mei 1994 aan te tonen; dat het niet ter zake doet; dat als gezien het beroep tegen de collegebeslissing niet ontvankelijk is; dat voorts de eventuele onwettigheid van de collegebeslissing niet ipso facto de beslissing van 30 mei 1995 van de gemachtigde van de minister aantast; dat die beslissing op een eigen onderzoek en een nieuwe beoordeling van de zaak steunt; dat verzoeker dat overigens uitdrukkelijk toegeeft; dat het middel niet wordt aangenomen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de rechten van verdediging en van het redelijkheidsbeginsel; dat hij argumenteert dat bij het nemen van de beslissing van 2 mei 1994 zijn rechten van verdediging niet werden gerespecteerd aangezien hij uit het bevolkingsregister werd geschrapt, maatregel die hem nadeel berokkende, terwijl hem vooraf niet de kans werd geboden zijn mening te uiten omtrent de voorgenomen beslissing, dat bijgevolg de geldigheid van deze beslissing “op de helling staat” en ook de beslissing van 30 mei 1995 als nietig dient te worden beschouwd; dat verzoeker voorts betoogt dat een overheidsbeslissing niet van willekeur mag doen blijken, dat de overheid te dezen niet tot een ernstige belangenafweging in concreto is gekomen, dat hij niet de gemeente heeft verlaten, maar vrijwel onmiddellijk een mobiele woning ter beschikking kreeg op hetzelfde adres, dat de maatregel hem grote schade toebracht daar hij in de betrokken gemeente geen recht op bestaansminimum meer kon doen gelden, dat zijn afvoering uit het bevolkings-register van Maarkedal een onjuist overheidsoptreden is dat overhaast en zonder ernstige belangenafweging in concreto geschiedde, zodat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken bezwaarlijk kan stellen dat zijn ambtshalve afvoering wordt behouden; Overwegende dat verzoeker daar in de memorie van wederantwoord aan toevoegt, in de eerste plaats, “dat eerste verweerder XII-2354-8/12 uiteindelijk geen antwoord geeft op de vraag of tweede verweerster haar beslissing dd. 02.05.1994 wel voldoende naar recht en in feite heeft gemotiveerd” en, in de tweede plaats, dat het “weinig zin [heeft] procedures correct toe te passen als men niet een inhoudelijke bescherming van de rechten van verdediging nastreeft”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot het redelijkheidsbeginsel nog betoogt dat eerste verwerende partij de resultaten van het bevolkingsonderzoek niet correct en “zonder ernstige belangenafweging in concreto” interpreteerde, dat uit het feit dat hij in een caravan woont waar de nodige nutsvoorzieningen ontbreken en dat hij daarom vaak elders dient te overnachten, niet blijkt dat dit zijn hoofdverblijfplaats niet is, maar integendeel dat hij zich door zijn armoede geen beter uitgeruste hoofdverblijfplaats kan veroorloven, dat hij zijn hoofdverblijfplaats te allen tijde op het adres Elsstraat 9 te Maarkedal had zodat zij nergens anders kon worden vastgesteld, dat eerste verwerende partij een kennelijk onjuist gebruik heeft gemaakt van haar beleidsvrijheid; Overwegende dat verzoeker de beweerde schending van zijn rechten van verdediging niet betrekt op de procedure voor de minister van Binnenlandse Zaken, bij wie hij overigens, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 19 juli 1991, een echt recht op tegenspraak genoten heeft; dat verzoekers kritiek kennelijk alleen de collegebeslissing van 2 mei 1994 geldt; dat zij daarom irrelevant is; Overwegende, aangaande de beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel, dat verzoeker niet de bevindingen van het bevolkings- onderzoek en de feiten die de beslissing van 30 mei 1995 daaruit put, betwist; dat hij wel meent dat de feiten “totaal anders [moeten] worden geïnterpreteerd”; dat verzoeker die overtuiging mag hebben; dat daar evenwel geenszins uit volgt dat de eerste verwerende partij, door er een andere mening te hebben op nagehouden het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden; dat de eerste verwerende partij bij de beoordeling van de resultaten van het gevoerde bevolkingsonderzoek, voor de XII-2354-9/12 uitoefening van een discretionaire bevoegdheid stond; dat aan de uitoefening van dergelijke bevoegdheid inherent is dat uiteenlopende standpunten denkbaar zijn, die elk op zich geacht kunnen worden binnen de grenzen van de redelijkheid te blijven; dat, daargelaten of eerste verwerende partij binnen de grenzen van de redelijkheid zou zijn gebleven indien ze de zienswijze van verzoeker had aangenomen, zij alleszins niet geacht kan worden die grenzen te buiten te zijn gegaan door op grond van de gegevens van de onderzoeken te hebben geoordeeld dat verzoeker niet meer zijn hoofdverblijf te Maarkedal heeft en dan ook uit het bevolkingsregister aldaar moet worden afgevoerd; Overwegende dat het tweede middel verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel, eerste onderdeel, doet gelden dat de beslissing hem uit het bevolkingsregister van Maarkedal te schrappen een bestuurshandeling is die uitdrukkelijk en afdoende diende te worden gemotiveerd, dat bijgevolg de overheid de plicht had de redenen voor zijn schrapping uit het bevolkingsregister van Maarkedal expliciet weer te geven in haar beslissing, dat deze redenen hem daarenboven dienden te worden meegedeeld bij de kennisgeving van voormelde beslissing; dat verzoeker in een tweede onderdeel stelt dat er sprake is van machtsafwending daar “alles achter zijn rug om gebeurde, als gevolg van een samenspel tussen het gemeentebestuur en het O.C.M.W. van de gemeente Maarkedal”, dat immers het OCMW van Maarkedal, dat door de arbeidsrechtbank te Oudenaarde werd veroordeeld tot het betalen van een bestaansminimum aan verzoeker, “via drukking bij de gemeente” poogde te ontsnappen aan haar betalingsplicht; XII-2354-10/12 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat moeilijk kan worden aangetoond dat instanties “samenwerken” om een bepaald resultaat te bereiken, dat hij wel vaststelt dat na het vonnis van de arbeidsrechtbank en zijn schrapping uit het bevolkingsregister van Maarkedal werd beslist hem geen werkloosheidsuitkering toe te kennen, dat tweede verwerende partij uiterst snel en op grond van een uiterst oppervlakkig politieverslag een verregaande beslissing nam, hetgeen de indruk wekt dat zij hem liever kwijt dan rijk was, dat tweede verwerende partij hierin blijkbaar wordt gesteund door eerste verwerende partij die ondanks een grondig onderzoek voorbijgaat aan de vraag of tweede verwerende partij op 2 mei 1994 terecht kon beslissen hem ambtshalve uit het bevolkingsregister van Maarkedal te schrappen; Overwegende dat de beslissing van 30 mei 1995 een uitvoerige formele motivering bevat; dat die motivering ook aan verzoeker ter kennis is gebracht, bij brief van 16 juni 1995; dat het eerste middelonderdeel niet gegrond is; Overwegende, voorts, dat verzoeker ter staving van machtsafwending alleen verwijst naar “een samenspel tussen het gemeentebestuur en het O.C.M.W. van de gemeente Maarkedal”; dat niet duidelijk is, noch duidelijk wordt gemaakt hoe dit beweerde samenspel de wettigheid in het gedrang kan brengen van de beslissing van de gemachtigde; dat de gemachtigde aan zowel het gemeentebestuur als het O.C.M.W. vreemd is; dat, voorts, verzoeker niet beweert en nergens uit blijkt dat de gemachtigde van de minister op enigerlei wijze betrokken was in enig vermeend samenspel tussen beide; dat, overigens, eensdeels verzoeker in het middel zelf verklaart dat de beslissing van de gemachtigde berust op “een grondig feitenonderzoek” en anderdeels bij de bespreking van het tweede middel is vastgesteld dat de gevolgtrekking die de eerste verwerende partij uit het onderzoek heeft gehaald, niet tegen het redelijkheidsbeginsel ingaat; dat ook het tweede middelonderdeel niet gegrond is; Overwegende dat ook het derde middel verworpen wordt, XII-2354-11/12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2354-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.690 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.