← België

Arrest 145691 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.691 Rolnummer: A. 79929/XII-1560 Zaak: Arrest 145691 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 17:29 Fiche Arrest nr 145.691 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.691 van 9 juni 2005 in de zaak A. 79.929/XII-

  1. In zake : Christina VAN DOMMELEN, wonende te Brecht, Vaartlaan 34 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christina van Dommelen op 22 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 mei 1998 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken die luidt dat “de inschrijving dd. 6 augustus 1997 van mevrouw Christina van Dommelen in het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34 en haar ambtshalve afvoering dd. 13 oktober 1997 uit het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34 dienen te worden geschrapt, zodat mevrouw Christina van Dommelen sedert 30 september 1996 onafgebroken ambtshalve uit het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34 afgevoerd blijft”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 7 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1560-1/26 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Popelier, die verschijnt voor verzoekster, en van adviseur I. Bens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoekster, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is sinds 12 januari 1993 ingeschreven in het bevolkingsregister van Brecht op het adres Vaartlaan 34, als alleenstaande. Op 30 september 1996 wordt zij bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Brecht van ambtswege afgevoerd uit het bevolkingsregister van de gemeente. 1.
  4. Bij brief van 15 april 1997 bezorgt de ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap aan de directie van de verkiezingen en van de bevolking van het ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: de directie) de klacht die verzoekster bij schrijven van 26 maart 1997 indiende. Verzoekster betwist haar XII-1560-2/26 afvoering uit het bevolkingsregister van de gemeente Brecht, stellende dat zij gedurende anderhalf jaar in Nederland werkte zodat zij haar woning tijdelijk verhuurde en zelf de “achterbouw” betrok. Verder doet zij gelden dat de gemeente Brecht na politiecontroles onterecht heeft besloten dat zij niet op het adres Vaartlaan 34 verblijft. Ten slotte argumenteert zij dat de gemeente Brecht weigert haar in het bevolkingsregister in te schrijven zodat zij thans geen woon- of verblijfplaats meer heeft aangezien zij zich ook in Nederland niet kan laten inschrijven. 1.
  5. Bij brief van 29 april 1997 verzoekt de directie de burgemeester van Brecht een politieonderzoek in te stellen naar verzoeksters verblijfstoestand en hiervan binnen vijftien dagen verslag uit te brengen. Daarnaast worden ook de verslagen inzake haar ambtshalve afvoering opgevraagd alsmede de elementen op grond waarvan deze afvoering gebeurde. Ook de ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap en verzoekster worden bij schrijven van dezelfde datum op de hoogte gebracht van het feit dat de situatie wordt onderzocht. Het gemeentebestuur van Brecht antwoordt dat de gemeente op 3 september 1996 een “nieuwe aangifte voor vestiging” op het adres Vaartlaan 34 ontving en dat uit onderzoek bleek dat verzoekster het betrokken pand had verhuurd terwijl zij zelf naar Nederland terugkeerde. Bijgevolg werd op 30 september 1996 beslist verzoekster ambtshalve uit het bevolkingsregister te schrappen. Op 5 maart 1997 vraagt verzoekster om opnieuw te worden ingeschreven op het adres Vaartlaan 34 te Brecht. Na een omstandig onderzoek wordt deze inschrijving geweigerd. 1.
  6. Tijdens haar onderzoek bezoekt de bevolkingsinspectrice de bevolkingsdienst van Brecht, het adres Vaartlaan 34 en wint zij inlichtingen in bij verzoekster, de huurders van verzoeksters woning en bij de buren. In haar verslag van 23 juni 1997 besluit zij dat verzoeksters hoofdverblijfplaats niet is gevestigd op het adres Vaartlaan 34 te Brecht. Bijgevolg stelt zij voor om verzoeksters XII-1560-3/26 ambtshalve afvoering uit het bevolkingsregister van Brecht op 30 september 1996 te behouden. 1.
  7. Bij brieven van 10 juli 1997 brengt de directie verzoekster en de burgemeester van Brecht op de hoogte van haar voornemen de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen verzoeksters ambtshalve afvoering uit het bevolkingsregister van Brecht op 30 september 1996 te behouden. Daarnaast worden de geadresseerden erop gewezen dat zij eventuele opmerkingen of nieuwe gegevens binnen vijftien dagen schriftelijk kunnen bezorgen, dat zij het recht hebben om het administratief dossier in zien en dat zij kunnen worden gehoord door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. Met een schrijven van 25 juli 1997 vraagt verzoeksters raadsman hem inzage te verlenen in het administratief dossier, verzoek waaraan gunstig gevolg wordt gegeven. 1.
  8. Bij brief van 18 augustus 1997 deelt verzoeksters raadsman aan de directie mee dat verzoekster op 6 augustus 1997 in het bevolkingsregister van Brecht werd ingeschreven op het adres Vaartlaan 34 zodat hij van oordeel is dat het “dossier zonder gevolg [kan] worden gesloten” aangezien verzoekster “geen belang meer heeft”. Desondanks verzoekt de directie de bevolkingsinspectrice met een nota van 26 augustus 1997 een aanvullend onderzoek in te stellen. Op 13 oktober 1997 beslist het college van burgemeester en schepenen van Brecht verzoekster alweer van ambtswege van het bevolkingsregister van de gemeente af te voeren. 1.
  9. Tijdens haar bijkomend onderzoek raadpleegt de bevolkings- inspectrice de bevolkingsdienst van de gemeente Brecht, wint zij inlichtingen in bij de buren en bezoekt zij het adres Vaartlaan 34, er wordt eveneens een “bijkomend nachtelijk politieonderzoek” gevoerd. In haar verslag van 21 november 1997 XII-1560-4/26 besluit de bevolkingsinspectrice dat verzoekster haar hoofdverblijfplaats nog steeds niet te Brecht heeft gevestigd zodat zij voorstelt om verzoeksters inschrijving op 6 augustus 1997 op het adres Vaartlaan 34 en haar afvoering van ambtswege op 13 oktober 1997 te vernietigen zodat verzoekster sinds 30 september 1996 onafgebroken van ambtswege afgeschreven blijft op het adres Vaartlaan 34 te Brecht. 1.
  10. Met brieven van 2 december 1997 worden verzoekster, haar raadsman en de burgemeester van Brecht op de hoogte gebracht van het voornemen van de directie om aan de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen verzoeksters inschrijving in het bevolkings- register van Brecht op 6 augustus 1997 en haar ambtshalve afvoering uit datzelfde bevolkingsregister op 13 oktober 1997 te schrappen zodat zij sinds 30 september 1996 onafgebroken ambtshalve afgevoerd blijft uit het bevolkingsregister van Brecht. Aan de geadresseerden wordt voorts meegedeeld dat zij eventuele opmerkingen of nieuwe gegevens binnen vijftien dagen schriftelijk kunnen bezorgen, dat zij het recht hebben het administratief dossier in te kijken en dat zij kunnen worden gehoord door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. Bij brief van 5 december 1997 vraagt verzoeksters raadsman dat hem inzage zou worden verleend in het administratief dossier en dat hij zou worden gehoord door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. De directie antwoordt op 19 december 1997 dat hij zal worden gehoord en dat hem voorafgaand aan het verhoor inzage kan worden verleend in het administratief dossier. 1.
  11. Het verhoor vindt plaats op 20 januari
  12. Verzoeksters raadsman legt schriftelijke besluiten en stavingsstukken neer. Een afschrift van het verslag van het verhoor wordt door de directie met een schrijven van 28 januari 1998 aan verzoeksters raadsman bezorgd. Laatstgenoemde bezorgt de directie bij schrijven van 11 februari 1998 aanvullende besluiten en overtuigingsstukken. XII-1560-5/26 1.
  13. Op 4 mei 1998 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing die, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wetgeving en reglementering, steunt op volgende motieven : “Overwegende dat uit het onderzoek dd. 16 en 22 mei 1997, 12 en 18 juni 1997 en het aanvullend onderzoek dd. 3 en 23 oktober 1997 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) is gebleken dat : S betrokkene, die op 30 september 1996 ambtshalve werd afgevoerd uit het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34, bij brief dd. 26 maart 1997, via de Vlaamse Ombudsman, de heer Jan Goorden, deze ambtshalve afvoering betwist; S betrokkene op datum van 6 augustus 1997 opnieuw werd ingeschreven in het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34 en op datum van 13 oktober 1997 weer ambtshalve uit het bevolkingsregister aldaar werd afgevoerd; S mevrouw De Meyer van de bevolkingsdienst te Brecht dd. 29 april 1997 aan de bevoegde inspecteur mededeelt dat betrokkene op 12 januari 1993 rechtmatig werd ingeschreven in haar eigendom te Brecht, Vaartlaan 34, de heer en mevrouw Van Landeghem-Van Herwegen dd. 3 september 1996 een aanvraag deden om ingeschreven te worden aan vermeld adres, dat uit het onderzoek was gebleken dat betrokkene haar woonst aan de familie Van Landeghem had verhuurd en zijzelf vertrokken was zonder een nieuw adres na te laten, betrokkene dan op 30 september 1996 ambtshalve werd afgevoerd, zij op 5 maart 1997 opnieuw haar inschrijving kwam vragen voor de Vaartlaan 34 te Brecht, dat uit het gevoerde onderzoek echter bleek dat betrokkene er niet verbleef en dat zij de huurders had gevraagd om te vertellen dat ze er wel verbleef, en haar inschrijving dan ook werd geweigerd; S het gemeentebestuur van Brecht bij brief van 12 mei 1997 het bovenstaande met de nodige documenten staaft; S de heer en mevrouw Van Landeghem-Van Herwegen dd. 16 mei 1997 aan de bevoegde inspecteur verklaren dat betrokkene niet meer verblijft aan de Vaartlaan 34 te Brecht sedert zij de woning huren, betrokkene in Nederland zou wonen bij haar echtgenoot Hubertus Van Helvoort, zij mondeling overeengekomen zijn dat het achtergelegen gedeelte ook nog door de eigenaar zou gebruikt worden, betrokkenes echtgenoot deze ruimte gebruikt om er radiators te verkopen, betrokkene in het voorjaar weer wou ingeschreven worden aan vermeld adres, zij hun spullen uit de achterbouw dienden te verwijderen en betrokkene er enkele zaken plaatste om de indruk te geven dat zij daar werkelijk verbleef, zij weigerden om aan de gemeente te verklaren dat betrokkene hier werkelijk verbleef, betrokkene is teruggekomen met de vermelding dat zij hun huuropzeg zouden krijgen, zij betrokkene XII-1560-6/26 sindsdien niet meer hebben gezien, maar haar man nog iedere woensdag komt voor de verkoop van oude radiators en zij een aan hen toegestuurd nieuwjaarskaartje tonen met als afzender : Van Helvoort-van Dommelen, Postbus 110 NL 5480 A.D. Schijndel; S betrokkene dd. 22 mei 1997 telefonisch aan de bevoegde inspecteur verklaart dat ze nog steeds daadwerkelijk verblijft aan de Vaartlaan 34 te Brecht, ze niet begrijpt waarom ze ambtshalve werd geschrapt, zij wegens haar werk in Nederland haar woning tijdelijk heeft verhuurd en haar intrek heeft genomen in het achterste gedeelte van de woning, het grootste gedeelte van haar meubelen in bewaring staan bij een kennis, de heer Remijsen, de huurders het haar moeilijk hebben gemaakt door aan de gemeente te vertellen dat ze niet verbleef aan de Vaartlaan 34 te Brecht, de huurders intussen hun opzeg hebben gekregen en zij vanaf 1 juni 1997 opnieuw de hele woning zal betrekken, ze bij haar echtgenoot niet mag wonen omdat er een echtscheidings- procedure bezig is, zij verklaart niet op de hoogte te zijn van het feit dat haar man regelmatig in de achterbouw van de woning aan vermeld adres komt, haar echtgenoot volgens haar niet over een eigen sleutel beschikt en zij niet weet van wie die radiators zijn die zich daar bevinden; S uit burenverklaringen dd. 12 juni 1997 aan de Vaartlaan 34 te Brecht blijkt dat betrokkene aan vermeld adres heeft gewoond, ze het jaar voordien haar huis heeft verhuurd en terug in Nederland is gaan wonen, ze onlangs de huurders heeft uitgezet, betrokkene hier echter zelf niet opnieuw woont, betrokkenes vermoedelijke echtgenoot nog steeds enkele keren per week langs komt om zaken te doen, betrokkene hier zeker haar hoofdverblijfplaats niet heeft, betrokkene vertelde dat ze hier nu terug woonde en de bevoegde inspecteur kon vaststellen dat aan de betreffende woning een bericht hangt voor de postbode met de vermelding dat de huurders haar eigendom hebben verlaten en zij nu weer alleen op dit adres gedomicilieerd is; S uit een burenverklaring dd. 18 juni 1997 blijkt dat betrokkene sedert een week niet meer is geweest aan de Vaartlaan 34 te Brecht, al zou ze naar eigen zeggen hier dagelijks komen; S betrokkene dd. 18 juni 1997 aan de bevoegde inspecteurs mededeelt dat ze de woning aan de Vaartlaan 34 te Brecht kocht in 1992, ze hier sindsdien altijd heeft gewoond, ze niet wil mededelen of haar man hier ook verbleef of verblijft, zij niet wist dat ze ambtshalve was geschrapt, zij dat volgens haar aan haar huurders heeft te danken en ze tevens ook geen gegevens wil verstrekken over het ziekenhuis in Nederland waar ze werkt; S de bevoegde inspecteurs na afspraak op 18 juni 1997 vaststelden dat de woning aan de Vaartlaan 34 te Brecht een niet bewoonde indruk geeft, verschillende kasten leeg zijn, in de badkamer niets is aan te treffen buiten een stukje zeep, in de grootste kamer enkel XII-1560-7/26 een onbeslapen bed en panelen van een kleerkast staan, in de andere kamer er enkel een opklapbaar bed staat met een matras en deken, ze eveneens weigert de andere plaatsen te tonen; S mevrouw De Meyer van de bevolkingsdienst te Brecht dd. 3 september 1997 telefonisch aan de bevoegde inspecteur mededeelt dat betrokkene op datum van 6 augustus 1997 opnieuw werd ingeschreven aan de Vaartlaan 34 te Brecht omdat ze er toen werd aangetroffen, ze nochtans vermoedt dat betrokkene er haar hoofdverblijfplaats niet gevestigd heeft, ze denkt dat betrokkene, na haar aanvraag dd. 28 juli 1997 om opnieuw ingeschreven te worden, gelet op het onderzoek er af en toe verbleef, betrokkene volgens haar niet meer is aan te treffen aan de Vaartlaan 34 te Brecht sinds het laatste onderzoek en zij dd. 2 oktober 1997 mededeelt dat betrokkenes inschrijving dd. 6 augustus 1997 voorbarig gebeurde; S het gemeentebestuur van Brecht bij brief dd. 18 september 1997 mededeelt dat zij een sterk vermoeden hadden dat de aanwezigheid van betrokkene dd. 6 augustus 1997 aan de Vaartlaan 34 te Brecht in scene gezet was en dat tijdens een intensief onderzoek nadien op verschillende data en uren, nooit iemand werd aangetroffen; S uit burenverklaringen aan de Vaartlaan 34 te Brecht dd. 3 en 23 oktober 1997 blijkt dat betrokkene niet woont aan vermeld adres, zij er slechts sporadisch enkele uren komt en dat betrokkenes man iedere woensdag en/of zaterdag aan dit adres komt en haar post meeneemt; S de bevoegde inspecteurs dd. 3 oktober 1997 de stellige indruk hebben dat de woning aan de Vaartlaan 34 te Brecht verlaten is; S de heer Guy Popelier, raadsman van betrokkene, dd. 6 oktober 1997 telefonisch aan de bevoegde inspecteur mededeelt dat betrokkene effectief verblijft van de Vaartlaan 34 te Brecht en dat betrokkene een alleenstaande vrouw is die werkt en niet veel thuis is; S uit het politieverslag dd. 7 oktober 1997 van de gemeente Brecht blijkt dat betrokkene niet woonachtig is aan de Vaartlaan 34 te Brecht; S de bevoegde inspecteurs dd. 23 oktober 1997 bemerken dat betrokkene alle nodige schikkingen heeft getroffen om de indruk van bewoning te wekken aan de Vaartlaan 34 te Brecht en de betrokkene daarbij tevens mededeelt dat ze per week 3 keer slaapt in Nederland en 4 keer aan vermeld adres; S uit het omstandig politieverslag dd. 18 november 1997 van de heer Joseph De Labey, politiecommissaris te Brecht, blijkt dat de betrokkene bij nachtelijke controles nooit kon aangetroffen worden aan de Vaartlaan 34 te Brecht; S dienvolgens de bevoegde ambtenaar voorstelt om de inschrijving van betrokkene dd. 6 augustus 1997 aan de Vaartlaan 34 te XII-1560-8/26 Brecht en haar daar opvolgende afvoering van ambtswege dd. 13 oktober 1997 te schrappen, zodat zij sedert 30 september 1996 onafgebroken ambtshalve afgevoerd blijft uit het bevolkings- register van Brecht, Vaartlaan 34; [...] Overwegende dat de betrokkene en het gemeentebestuur van Brecht, die bij brieven dd. 10 juli 1997 hieromtrent door het departement werden aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen hebben medegedeeld; Overwegende dat de heer Guy Popelier, raadsman van mevrouw Christina van Dommelen, bij fax van 25 juli 1997 inzage vraagt in het administratief dossier, hetgeen hem bij brief van 30 juli 1997 werd toegestaan; Overwegende dat de heer advocaat Guy Popelier op datum van 30 juli 1997 inzage heeft genomen van het administratief dossier en hij op zijn verzoek tevens een copie van het administratief dossier heeft gekregen; Overwegende dat advocaat Guy Popelier bij brief van 18 augustus 1997 mededeelt dat zijn cliënte Christina van Dommelen dd. 6 augustus 1997 werd ingeschreven in het bevolkingsregister van Brecht, Vaartlaan 34, en het dossier dus zonder gevolg kan gesloten worden gezien betrokkene geen belang meer heeft bij de betwisting; Overwegende dat het departement naar aanleiding van deze mededeling een aanvullend onderzoek heeft ingesteld; Overwegende dat de betrokkene en het gemeentebestuur van Brecht, die na aanvullend onderzoek bij brieven dd. 2 december 1997 hieromtrent nogmaals door het departement werden aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen hebben medegedeeld; Overwegende dat de heer advocaat Guy Popelier, die bij brief dd. 2 december 1997 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, bij brief van 5 december 1997 opnieuw om inzage vraagt en hij tevens verzoekt om gehoord te worden, hetgeen hem bij brief van 19 december 1997 werd toegestaan; Overwegende dat de heer advocaat Guy Popelier op datum van 8 januari 1998 inzage heeft genomen van het administratief dossier en hij daarbij tevens copies van een aantal stukken uit het dossier heeft gekregen; Overwegende dat de horing plaatsvond op datum van 20 januari 1998, de heer Guy Popelier, raadsman van mevrouw C. van Dommelen zijn besluiten neerlegt en uit de horing o.a. blijkt dat betrokkene niet akkoord is met de voorgestelde beslissing, verwijst naar de sociale situatie van betrokkene, de korte tijdspanne van de gevoerde politieonderzoeken, de rechten van betrokkene, en meester Popelier binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verslag van de vergadering bijkomende bewijsstukken zal overmaken; XII-1560-9/26 Overwegende dat het verslag van de vergadering op datum van 28 januari 1998 door het departement werd verzonden aan advocaat Guy Popelier ; Overwegende dat de heer Guy Popelier bij brief van 11 februari 1998 aanvullende besluiten neerlegt waaruit o.a. blijkt dat het voorstel van het departement tot ambtshalve schrapping uit het bevolkings- register raakvlakken heeft met de procedure van de uitschrijving door de gemeente Brecht, de gemeente Brecht geen enkele poging heeft verricht om betrokkene te informeren dat zij van plan is om haar ambtshalve af te voeren, de ambtshalve afvoering dd. 13 oktober 1997 van aard is schade te berokkenen, er nogmaals op wordt gewezen dat de burenverklaringen en de gevoerde politieonderzoeken weinig overtuigend zijn, betrokkene te Schijndel enkel een postadres heeft maar geen verblijfplaats, de bevolkingsinspecteur in haar verslag dd. 23 oktober 1997 elementen aangeeft die er op wijzen dat het huis regelmatig wordt bewoond en haar plaatsbezoeken zich maar spreiden over vier maanden, er als bewijs fakturen van nutsverbruiken en fiscale verplichtingen worden bijgevoegd, het huurcontract slechts van tijdelijke aard was en de garage gemeenschappelijk gebruikt kon worden, betrokkene in België is ingeschreven op de lijst van de Provinciale Raad van Antwerpen van de Orde van de Geneesheren, zij regelmatig een arts te Berlicum kan vervangen maar zij wellicht binnenkort haar opleiding in België zal verder zetten, dat zij wel regelmatig afwezig is met onderbroken periodes, wegens beroepsredenen, maar niet kan worden aangetoond dat zij meer dan een jaar voortdurend afwezig was; Overwegende dat in die aanvullende besluiten echter geen nieuwe gegevens worden medegedeeld die de voorgestelde beslissing zouden kunnen wijzigen en dat uit de bijgevoegde bewijsstukken onvoldoende blijkt dat de betrokkene toch haar hoofdverblijf zou gehad hebben aan de Vaartstraat 34 te Brecht na de ambtshalve afvoering door het gemeentebestuur dd. 30 september 1996, en het departement van oordeel is over voldoende elementen te beschikken om de hoofdverblijfplaats van betrokkene met kennis van zaken te kunnen bepalen, [...]”. 1.
  14. Met een brief van 5 mei 1998 wordt aan de burgemeester van Brecht een afschrift bezorgd van de bestreden beslissing. Hij wordt belast met de onmiddellijke uitvoering ervan, dient verzoekster en haar raadsman op de hoogte te brengen van deze uitvoering en moet hun een integraal afschrift van de bestreden beslissing bezorgen;
  15. De grond van de zaak. XII-1560-10/26 2.1.
  16. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel een schending aanvoert van artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: de wet van 19 juli 1991), van artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 1992) en van de motiveringsplicht; dat verzoekster betoogt dat zij als onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie het recht heeft haar hoofverblijfplaats in België te vestigen, dat zij dit recht put uit “Art. 8 a punt 1 van de wet van 23 december 1994” dat bepaalt dat iedere burger van de Europese Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, dat artikel 48 van het “Verdrag van 7 februari 1993” het recht verleent op het grondgebied van een staat verblijf te houden na een betrekking te hebben verkregen, dat artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat vreemdelingen die gemachtigd zijn zich in het Rijk te vestigen, er een hoofdverblijfplaats kunnen hebben ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, dat artikel 18, eerste lid, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 een persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister de mogelijkheid biedt om wegens diverse redenen, onder meer beroepsredenen, tijdelijk afwezig te zijn voor zover deze afwezigheid de periode van één jaar niet overschrijdt, dat zij omwille van beroepsredenen frequent afwezig is, dat de plaatsbezoeken van de bevolkings- inspectrice werden gespreid over een periode van slechts vier maanden en dat de gemeentepolitie gedurende een tweetal weken een onderzoek voerde, dat uit de burenverklaringen blijkt dat zij niet permanent afwezig is, dat de gedane vaststellingen niet aantonen dat zij reeds langer dan een jaar afwezig is zodat die vaststellingen haar afvoering van ambtswege uit het bevolkingsregister van Brecht niet kunnen verantwoorden, dat de schending van voormelde artikelen werd aangevoerd voor de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken die naliet hierop te antwoorden zodat de motiveringsplicht werd geschonden; Overwegende dat verzoekster in de memorie van weder- antwoord doet gelden dat de motiveringsplicht werd geschonden doordat XII-1560-11/26 verwerende partij zich niet heeft gesteund op een objectief onderzoek maar op subjectieve verslagen van de bevolkingsinspectrice en op oppervlakkige vaststellingen die werden gedaan gedurende een zeer korte periode, met miskenning van de door verzoekster aangevoerde elementen, dat zij op 30 september 1996 van ambtswege werd afgevoerd uit het bevolkingsregister van Brecht zonder te worden gehoord, dat de bevolkingsinspectrice na verzoeksters protest over een periode van slechts zes weken onderzoekingen heeft verricht, dat zij op 6 augustus 1997 opnieuw in het bevolkingsregister van Brecht werd opgenomen zodat de vaststellingen die voordien werden gedaan zonder voorwerp werden, dat de beslissing van 13 oktober 1997 waarbij zij opnieuw ambtshalve wordt afgevoerd uit het bevolkingsregister van Brecht eveneens werd genomen zonder haar te horen en zonder rekening te houden met het gegeven dat haar afwezigheid van tijdelijke aard was, dat tijdens een korte periode nieuwe onderzoeksverrichtingen plaatsvonden waarvan de bevindingen niet objectief werden beoordeeld; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie stelt dat de bewering dat zij sinds 30 september 1996 onafgebroken afwezig zou zijn door geen enkel objectief element wordt bewezen en volkomen willekeurig is, dat de vaststellingen van de bevolkingsinspectrice aantonen dat de betrokken woning niet verlaten is, dat niets haar verbiedt permanent afwezig te zijn voorzover deze afwezigheid een periode van een jaar niet overschrijdt, dat het niet volstaat in de bestreden beslissing te verwijzen naar de juridische context maar dat dient te worden geantwoord op de aangevoerde argumenten; 2.1.
  17. Overwegende dat de bestreden beslissing in geen enkel opzicht afbreuk doet aan het recht om als onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie in België te verblijven; dat immers de bestreden beslissing uit de bevindingen van het onderzoek naar het verblijf van verzoekster aan de Vaartlaan 34 te Brecht slechts afleidt dat haar verblijf aldaar geen hoofdverblijf is zoals bedoeld in artikel 1, §1, eerste lid, 1/, van de wet van 19 juli 1991 maar dat zij geenszins inhoudt dat verzoekster niet op voormeld adres zou mogen verblijven; XII-1560-12/26 Overwegende dat artikel 1, §1, eerste lid, 1/, van de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat in elke gemeente bevolkingsregisters worden gehouden waarin Belgen en vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of er te verblijven worden ingeschreven op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn; dat artikel 3, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 de hoofdverblijfplaats omschrijft als de plaats waar de leden van een huishouden gewoonlijk leven of waar een alleenstaande gewoonlijk leeft; dat artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 bepaalt dat de hoofdverblijfplaats niet wordt gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid; dat artikel 18, eerste lid, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 bepaalt dat als tijdelijk afwezig worden beschouwd respectievelijk “personen die minder dan een jaar afwezig zijn voor studie- of zakenreizen of reizen in verband met hun gezondheid of voor toerisme of een vakantieverblijf buiten de gemeente van inschrijving” en “personen die omwille van beroepsredenen gedurende maximum een jaar een bepaald werk of een bepaalde opdracht uitvoeren in een andere gemeente van het Rijk of in het buitenland”; dat verzoekster in het eerste middel in essentie laat gelden dat de bestreden beslissing artikel 1, §1, eerste lid, 1/, van de wet van 19 juli 1991 en artikel 18, eerste lid, 2/ en 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 schendt doordat zij eraan voorbijgaat dat haar afwezigheid aan de Vaartlaan 34 te Brecht te wijten is aan beroepsbezigheden en het bevolkingsonderzoek gedurende korte periodes werd gevoerd, zodat de bevindingen ervan niet aantonen dat haar afwezigheid om beroepsredenen langer dan een jaar heeft geduurd; Overwegende, echter, dat verzoekster geenszins aannemelijk maakt dat haar afwezigheid aan de Vaartlaan 34 te Brecht dient te worden opgevat als een tijdelijke afwezigheid in de zin van artikel 18, eerste lid, 2/ of 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992; dat de tijdelijke afwezigheid bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 te dezen geenszins van toepassing is aangezien verzoeksters afwezigheid niet wordt verklaard door een reis of een vakantieverblijf buiten de gemeente Brecht; dat de tijdelijke afwezigheid zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3/, van het koninklijk XII-1560-13/26 besluit van 16 juli 1992 de situatie betreft van een persoon die omwille van beroepsactiviteiten in het buitenland of in een andere gemeente van het Rijk, niet op zijn hoofdverblijfplaats kan worden aangetroffen; dat verzoekster ten aanzien van verwerende partij geen duidelijk bewijs heeft geleverd van haar beroepsactiviteit in Nederland; dat de verklaring van dokter Schram (stuk 4 bij het verzoekschrift) niets zegt over de plaats en duur van de vervanging, noch over de precieze omvang van de geleverde prestaties; dat hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat nergens uit blijkt dat verzoeksters beweerde beroepsactiviteit in Nederland een dergelijke omvang heeft dat zij verzoeksters bijna permanente afwezigheid aan de Vaartlaan 34 te Brecht, die door de bevindingen van de bevolkingsinspectrice en van de politie van Brecht aan het licht werd gebracht, kan verklaren; dat de enige aanwijzing die verzoekster aan verwerende partij omtrent de omvang van haar beroepsactiviteit heeft gegeven, terug te vinden is in het verslag van 21 november 1997 van de bevolkingsinspectrice; dat uit voornoemd verslag blijkt dat verzoekster aan de bevolkingsinspectrice zelf verklaarde dat zij per week drie keer van wacht is en dan in Nederland verblijft, dat zij de overige vier nachten te Brecht verblijft en dat zij tijdens de maand september 1997 één weekend heeft gewerkt en de overige drie weekends van vrijdagavond tot maandagmorgen te Brecht heeft verbleven; dat uit voormelde verklaring blijkt dat verzoekster stelt een beroepsactiviteit in Nederland te hebben waarvoor zij vaak afwezig is, maar terzelfder tijd ook dat haar buiten haar beroepsbezigheden nog geruime tijd rest; dat uit de bevindingen van het bevolkingsonderzoek nu net is gebleken dat verzoekster die tijd hoogstens sporadisch, maar zeker niet gewoonlijk, te Brecht doorbrengt; dat de bestreden beslissing hieruit vermocht te besluiten dat verzoeksters hoofdverblijfplaats niet op het adres Vaartlaan 34 te Brecht kan worden gesitueerd; dat, volledigheidshalve, verzoekster zich vergist wanneer zij meent dat zij, op grond van voormeld artikel 18, eerste lid, 3/, hoe dan ook haar verblijfplaats en de daaraan verbonden inschrijving in het bevolkingsregister niet kan verliezen als maar haar beroepsactiviteit in het buitenland niet de periode van een jaar overschrijdt; XII-1560-14/26 Overwegende dat verzoekster voorts doet gelden dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd doordat zij geen antwoord geeft op de door haar voor de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aangevoerde argumenten; dat verzoekster hierin niet kan worden bijgevallen; dat immers de bestreden beslissing uitdrukkelijk de feitelijke en juridische elementen vermeldt waarop zij is gebaseerd, verwijst naar de verschillende stappen van het onderzoek naar verzoeksters verblijfstoestand waaruit zij de voor haar conclusie relevante gegevens overneemt en de juridische context aanhaalt waarbinnen zij werd genomen; dat bovendien verzoeksters raadsman inzage heeft genomen in het administratief dossier dat door verwerende partij werd samengesteld zodat verzoekster afdoende kennis heeft van alle stukken die in de bestreden beslissing worden vermeld; dat de motiveringsplicht niet vereist dat verzoekster in de bestreden beslissing een expliciet antwoord kan terugvinden op de argumenten die zij ten aanzien van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken heeft laten gelden; dat het volstaat dat in de akte op een afdoende wijze de redenen worden uiteengezet die de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken ertoe hebben gebracht de bestreden beslissing te nemen; dat in de bestreden beslissing met betrekking tot de argumenten die verzoekster ten aanzien van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken heeft laten gelden wordt overwogen dat “geen nieuwe gegevens worden medegedeeld die de voorgestelde beslissing zouden kunnen wijzigen en dat uit de bijgevoegde bewijsstukken onvoldoende blijkt dat de betrokkene toch haar hoofdverblijf zou gehad hebben aan de [Vaartlaan] 34 te Brecht na de ambtshalve afvoering door het gemeentebestuur dd. 30 september 1996, en het departement van oordeel is over voldoende elementen te beschikken om de hoofdverblijfplaats van betrokkene met kennis van zaken te kunnen bepalen”; dat aldus uit de bestreden beslissing uitdrukkelijk het standpunt van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken blijkt dat erin bestaat dat de door verzoekster aangevoerde argumenten en neergelegde stavingsstukken geen afbreuk doen aan de bevindingen van het onderzoek en aan de voorgenomen beslissing die daarop was gesteund; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; XII-1560-15/26 2.2.
  18. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel doet gelden dat op de gemeentebesturen een voorzichtigheidsplicht rust wanneer zij personen wensen af te voeren uit bevolkingsregisters, dat deze voorzichtigheidsplicht volgt uit een omzendbrief van 5 juni 1986 betreffende het houden van de bevolkings- registers, de vaststelling van de verblijfsveranderingen en de afgifte van identiteitskaarten en -stukken, waarin wordt gesteld dat al te vlug wordt overgegaan tot het schrappen uit registers van vreemdelingen die het land verlaten met de bedoeling er terug te keren, alsook uit de ministeriële omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister waarin de gemeentebesturen eraan worden herinnerd dat personen die om beroepsredenen gedurende maximaal een jaar een bepaalde opdracht uitvoeren in een andere gemeente in het Rijk of in het buitenland, in het bevolkingsregister ingeschreven blijven en niet kunnen worden geschrapt, dat de gemeente Brecht aan deze zorgvuldigheidsplicht, die daarenboven een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, is tekort gekomen; Overwegende dat verzoekster argumenteert dat het eerste verslag van de bevolkingsinspectrice is opgesteld in subjectieve bewoordingen die blijk geven van een gebrek aan afstand en neutraliteit, dat zij in Nederland slechts beschikt over een postbusadres dat is bestemd voor de Nederlandse administratie en voor contacten ter plaatse, dat het onderzoek van de woning te Brecht “niet met de nodige delicaatheid en voornaamheid [is] verlopen”, dat, hoewel er bij het tweede bezoek van de bevolkingsinspectrice aan de woning te Brecht verschillende aanwijzingen zijn dat het huis “regelmatig bewoond is”, laatstgenoemde toch concludeert dat het huis verlaten is, dat de vaststellingen in het politieverslag van 18 september 1997 oppervlakkig zijn en op een periode van slechts 15 dagen betrekking hebben, dat deze vaststellingen bijgevolg niet toelaten te beslissen dat zij elders een hoofdverblijfplaats heeft vermits “ieder ingezetene” het recht heeft tijdelijk afwezig te zijn, dat de politieverslagen summier zijn en geen inlichtingen verstrekken over de gehanteerde werkwijze, dat nachtelijke opsporingen en vaststellingen, zonder toelating van de politie-rechter, in strijd zijn met artikel 15 van de Grondwet en met de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van XII-1560-16/26 de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, dat zij in ieder geval in de slaapkamer de bel niet kan horen, zij een slaapmiddel neemt en de deur ’s nachts niet opendoet, dat de vaststelling van de politie dat zij haast nooit wordt opgemerkt impliceert dat zij minstens af en toe wel wordt opgemerkt zodat enige voorzichtigheid bij de interpretatie aangewezen is, dat de buren de garage gebruiken aangezien haar wagen er niet in past, dat burenverklaringen “slechts de waarde [hebben] van een orientatie” en dat daarenboven aversies een rol kunnen spelen, dat buren-verklaringen door de bevolkingsinspectrice nu eens als formeel, dan weer als terughoudend worden omschreven, hetgeen subjectieve interpretaties zijn die geen steun vinden in de opgetekende verklaringen, dat een gemeente die zich steunt op dergelijke summiere en op een beperkte periode betrekking hebbende politieverslagen onvoorzichtig handelt, vooral wanneer zij niet kan aantonen dat betrokkene elders een verblijfplaats heeft, dat de gemeente haar niet op de hoogte bracht van het gevoerde onderzoek en haar niet hoorde, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken blijk geeft van een gebrek aan voorzichtigheid wanneer hij geen rekening houdt met verzoeksters argumenten en bewijsstukken, dat hij bovendien de richtlijnen “die zijn eigen ministerie heeft uitgevaardigd” miskent; Overwegende dat verzoekster in de memorie van weder- antwoord nog doet gelden dat de voorzichtigheidsplicht erin bestaat rekening te houden met de inhoud van de onderzoekingen om aldus tot een objectieve beoordeling en tot objectieve besluiten te komen, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken zich niet enkel dient te steunen op de bevindingen van de bevolkingsinspectrice en op de politieonderzoeken, maar ook op de aangevoerde middelen en bewijsstukken, op de tegenstrijdigheid die bestaat tussen de besluiten van de bevolkingsinspectrice en de door haar beschreven feitelijke vaststellingen en op “de wettelijke bepaling die toestaat dat een betrokkene tot een jaar kan afwezig zijn o.m. wegens beroepsredenen”, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken onvoorzichtig is waar hij “zich op een éénzijdige en bestreden beslissing [steunt] zonder de aangevoerde middelen en feiten op gemotiveerde wijze te verwerpen”; XII-1560-17/26 Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie betoogt dat niet kan worden volgehouden dat te dezen de informatie op zorgvuldige wijze werd verzameld en dat de bestreden beslissing op zorgvuldige wijze werd genomen, dat de vaststellingen van de bevolkingsinspectrice doelgericht zijn verlopen en dat in de verslagen een laatdunkend commentaar voorkomt, zodat zij slechts de waarde van een oriëntatie kunnen hebben, dat de aangevoerde argumenten en bewijsstukken, de verklaringen van de buren en de vaststellingen van de politie niet toelaten te besluiten dat verzoekster meer dan een jaar permanent afwezig is, dat een zorgvuldig handelende overheid rekening zou hebben gehouden met artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 en met artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992; 2.2.
  19. Overwegende dat, daargelaten of de omzendbrief van 5 juni 1986 betreffende het houden van de bevolkingsregisters, de vaststelling van de verblijfsveranderingen en de afgifte van identiteitskaarten en -stukken, waaraan verzoekster refereert, niet impliciet werd opgeheven door de omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, hij er hoe dan ook niet aan in de weg staat dat een vreemdeling die het land heeft verlaten, maar die krachtens artikel 19 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een recht op terugkeer kan laten gelden, van het bevolkingsregister van de gemeente waar hij beweert zijn hoofdverblijfplaats te hebben, kan worden afgevoerd indien blijkt dat dit beweerde hoofdverblijf niet met de werkelijkheid overeenstemt; dat de overheid die over een dergelijke afvoering dient te beslissen, haar beslissing krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur op een zorgvuldige wijze dient te nemen, met name na zorgvuldig vergaarde informatie en na een zorgvuldige besluitvorming; dat reeds bij de bespreking van het eerste middel werd uiteengezet dat verzoeksters beroepsactiviteit in Nederland haar bijna permanente afwezigheid te Brecht niet kan verklaren en dat bijgevolg geen schending van artikel 18, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 kan worden aangenomen; dat evenmin kan worden aangenomen dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken XII-1560-18/26 zou zijn tekort gekomen aan de “voorzichtigheidsplicht” die verzoekster meent te mogen afleiden uit de bepalingen van voornoemde omzendbrief van 7 oktober 1992, inzonderheid punt 96, 3/, dat het voorschrift van artikel 18, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 herneemt; dat verzoekster er van uitgaat dat wie een beroepsactiviteit in het buitenland heeft, op grond van artikel 18, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 en punt 96, 3/, van de omzendbrief van 7 oktober 1992, alleszins zijn hoofdverblijfplaats niet kan verliezen en niet van het bevolkingsregister van zijn hoofdverblijfplaats kan worden afgevoerd indien de afwezigheid niet langer dan een jaar duurt; dat, als reeds gezien, deze redenering niet kan worden gevolgd; dat het loutere feit dat verzoekster in het buitenland beroeps-werkzaamheden verricht en dat die beroepsactiviteit enige afwezigheid op haar hoofdverblijfplaats met zich meebrengt niet uitsluit dat zij toch van het bevolkingsregister van de gemeente waar zij haar hoofdverblijfplaats heeft wordt afgevoerd omdat uit de bevindingen van het bevolkingsonderzoek blijkt dat verzoekster bijna permanent afwezig is op haar zogenaamde hoofdverblijfplaats, afwezigheid die niet enkel door haar beroepsactiviteit in het buitenland kan worden verklaard; Overwegende dat in zoverre verzoekster in het tweede middel de gemeente Brecht een gebrek aan zorgvuldigheid verwijt, dient te worden gewezen op het feit dat de bestreden beslissing niet uitgaat van de gemeente Brecht, maar werd genomen door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken; dat voorts de bestreden beslissing in de plaats is gekomen van de eerdere beslissingen van 6 augustus 1997 en van 13 oktober 1997 van het gemeentebestuur van Brecht waarbij verzoekster respectievelijk wordt ingeschreven en afgevoerd uit het bevolkingsregister van Brecht; dat bijgevolg verzoekster niet ontvankelijk kan aanvoeren dat zij niet werd gehoord door de gemeente Brecht aangezien voormelde beslissingen van de gemeente Brecht zijn vervangen door de bestreden beslissing, die het resultaat is van een eigen, tegensprekelijke procedure; Overwegende dat niet wordt ingezien dat de gemachtigde van XII-1560-19/26 de minister van Binnenlandse Zaken onzorgvuldig zou zijn geweest door de bestreden beslissing te steunen op de verslagen van de bevolkingsinspectrice, de verklaringen van de buren en op de politieverslagen van de gemeente Brecht; dat de verslagen van de bevolkingsinspectrice de schriftelijke neerslag zijn van een uitvoerig onderzoek ter plaatse; dat de bevolkingsinspectrice in de periode van 29 april 1997 tot en met 18 juni 1997 een eerste keer ter plaatse is geweest en zij toen de bevolkingsdienst van de gemeente Brecht raadpleegde, buren en huurders ondervroeg en vaststellingen deed in verzoeksters woning; dat een nieuw onderzoek ter plaatse werd uitgevoerd op 3 en 23 oktober 1997; dat alsdan de bevolkingsinspectrice opnieuw buren heeft ondervraagd en vaststellingen heeft gedaan in verzoeksters woning; dat de bevindingen van de bevolkingsinspectrice erop wijzen dat verzoekster niet gewoonlijk op het adres Vaartlaan 34 te Brecht leeft en dat haar bijna permanente afwezigheid aldaar niet wordt verklaard door haar beroepswerkzaamheden in Nederland; dat er geen aanwijzing is om aan te nemen dat het bevolkingsonderzoek niet objectief zou zijn gevoerd of dat de bevindingen ervan niet objectief zouden zijn weergegeven; dat de bevindingen van de bevolkingsinspectrice overeenstemmen met deze van de politie van de gemeente Brecht; dat er bovendien geen sprake is van enige tegenstrijdigheid tussen enerzijds de feitelijke vaststellingen van de bevolkingsinspectrice en anderzijds haar conclusies; dat zij de tekenen van bewoning die zij tijdens haar bezoek op 23 oktober 1997 aan verzoeksters woning kon onderkennen, meteen in hun context heeft geplaatst, stellende dat verzoekster “duidelijk alle nodige schikkingen [had] getroffen om de indruk van bewoning te wekken”; dat uit geen enkel gegeven dat verzoekster aanvoert, blijkt dat de bevolkingsinspectrice niet tot die conclusie vermocht te komen; Overwegende dat de verklaringen van verzoeksters buren die wonen op de adressen Vaartlaan 29, 31, en 35 en van de huurders van haar woning eenduidig zijn; dat al de betrokkenen verklaren dat verzoekster slechts zeer sporadisch aanwezig is maar er zeker niet woont; dat voornoemde verklaringen inderdaad “formeel” zijn, zoals de bevolkingsinspectie stelt; dat de buren die wonen op het adres Vaartlaan 33 dan weer terecht eerder “terug- XII-1560-20/26 houdend” worden genoemd; dat dit overigens lijkt te kunnen worden verklaard door hun goede verstandhouding met verzoekster; Overwegende dat de politieverslagen van de gemeente Brecht duidelijk zijn; dat de politie tussen 24 september 1996 en 13 november 1997 achtereenvolgens vaststelt dat verzoekster de gemeente Brecht sinds augustus 1996 heeft verlaten en dat haar huidige verblijfplaats niet gekend is, dat zij de huurders van haar woning heeft gevraagd tegenover de gemeentediensten te bevestigen dat zij opnieuw in Brecht woont terwijl uit nazicht blijkt dat dit niet het geval is, dat verzoekster ondanks controles op verschillende tijdstippen gedurende vijftien dagen nooit in Brecht kan worden aangetroffen en dat het huis een verlaten indruk geeft, dat er ook bij nachtelijke controles “geen teken van leven” is; dat verzoekster niet in het minst aannemelijk maakt dat er redenen zijn om de duidelijke bevindingen van de politie in twijfel te trekken; dat niet blijkt dat voormelde bevindingen zouden zijn tot stand gekomen met miskenning van de onschendbaarheid van de woning; Overwegende dat de gelijkluidende bevindingen van de gemeentepolitie en van de bevolkingsinspectrice betrekking hebben op een totale periode van meer dan één jaar; dat bijgevolg verzoekster niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat het onderzoek betrekking had op een te korte periode; Overwegende dat de argumenten die verzoeksters raadsman voor de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aanvoerde in zijn besluiten en in zijn aanvullende besluiten, noch de bijgevoegde bewijsstukken afbreuk vermogen te doen aan de duidelijke bevindingen van de gemeentepolitie en van de bevolkingsinspectrice; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voornoemde argumenten en stavingsstukken wel degelijk in overweging heeft genomen, maar dat hij concludeerde dat niet werd aangetoond dat verzoeksters hoofdverblijfplaats zich op het adres Vaartlaan 34 te Brecht zou bevinden; dat de gemachtigde van de XII-1560-21/26 minister van Binnenlandse Zaken geen gebrek aan zorgvuldigheid kan worden verweten; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  20. Overwegende dat verzoekster in een derde en laatste middel aanvoert dat de “redelijkheidsplicht” werd geschonden; dat zij stelt dat vaststaat dat zij regelmatig door de buren werd gezien en dat in het verslag van het tweede bezoek van de bevolkingsinspectrice een groot aantal elementen worden opgesomd die bewijzen dat de betrokken woning bewoond is, dat zij bewijsstukken voorlegde die in acht moeten worden genomen vermits zij wijzen op een effectief verblijf van verzoekster op het betrokken adres, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken niet “naar alle redelijkheid” mag besluiten dat zij haar hoofdverblijfplaats niet te Brecht zou hebben zonder aan te duiden waarom haar stavingsstukken niet worden aanvaard, dat haar argumenten en bewijsstukken in de bestreden beslissing worden aangehaald en “weggewuifd” “zonder enige verantwoording, zonder enige uitleg of verklaring”; dat het redelijk is dat ingeval van twijfel omtrent iemands hoofdverblijfplaats, “de twijfel in het voordeel van de betrokkene moet worden uitgelegd”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van weder- antwoord nog betoogt dat zij als alleenstaande vrouw het recht heeft om gedurende minder dan een jaar tijdelijk afwezig te zijn, dat bij gebrek aan huisgenoten, niemand thuis kan worden aangetroffen als zij afwezig is, dat het niet redelijk is om tot ambtshalve afvoering uit het bevolkingsregister over te gaan wanneer zij nog geen jaar afwezig is en te kennen heeft gegeven haar hoofdverblijfplaats op het adres Vaartlaan 34 te Brecht te willen behouden, dat een inschrijving in het bevolkingsregister enkel de verplichting meebrengt op het betrokken adres bereikbaar te zijn voor de uitoefening van zijn politieke en administratieve rechten en plichten, dat het de overheid niet toekomt te oordelen over de reden van afwezigheid en zij iemand niet uit het bevolkingsregister kan afvoeren wanneer de reden van de tijdelijke afwezigheid bekend is en niet kan XII-1560-22/26 worden betwist en wanneer bewijsstukken in de zin van artikel 16, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 worden voorgelegd, dat te dezen een eng formalisme in acht wordt genomen en de feitelijke toestand buiten beschouwing wordt gelaten, dat de aangevoerde argumenten en materiële vaststellingen niet zonder meer opzij kunnen worden geschoven, maar in alle redelijkheid moeten worden onderzocht en beoordeeld, dat de overheid hierin heeft gefaald; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie stelt dat het schenden van het redelijkheidsbeginsel onverschoonbaar is in hoofde van een administratieve overheid die dient te voorkomen dat de belangen van de onderhorigen worden miskend wanneer het openbaar belang niet in het gedrang komt, dat het openbaar belang te dezen niet in het gedrang komt, dat de gemeente Brecht er belang bij heeft dat verzoekster ingeschreven blijft in het bevolkingsregister aangezien de inschrijving een noodzakelijk “hulpmiddel is voor allerlei administratieve, wettelijke en politieke zaken”, dat de opdracht van de bevolkingsinspectrice er in de eerste plaats in bestaat na te gaan of verzoekster sinds meer dan een jaar “verdwenen was” en of het huis verlaten was of door anderen volledig bewoond, dat de bevolkingsinspectrice dit niet heeft kunnen vaststellen zodat niet in alle redelijkheid werd gehandeld, dat de elementen van de gebruikelijke omschrijving van het begrip “hoofdverblijf” niet van toepassing zijn op en niet kunnen worden geëist van een alleenstaande die tot een jaar afwezig mag zijn, dat zij over een woning beschikt waar zij haar hoofdverblijfplaats heeft, waar zij tussen haar beroepsbezigheden door terugkeert en waar zij kan worden aangetroffen, dat zij als gevolg van het feit niet ingeschreven te zijn “haar politieke en administratieve rechten” niet kan “bekomen”, dat zij elders geen domicilie heeft en ook niet kan krijgen; 2.3.
  21. Overwegende dat reeds bij de bespreking van het tweede middel werd vastgesteld dat verwerende partij de bestreden beslissing mocht steunen op politieverslagen van de gemeente Brecht en op de verslagen van de bevolkingsinspectrice; dat voormelde verslagen voldoende overtuigende feitelijke XII-1560-23/26 gegevens vermelden om er, binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid en bijgevolg “naar alle redelijkheid”, te kunnen uit afleiden dat verzoekster haar hoofdverblijfplaats niet heeft op het adres Vaartlaan 34 te Brecht; dat bovendien uit de bestreden beslissing blijkt dat de argumenten en stavingsstukken die verzoekster tijdens het onderzoek naar haar verblijfssituatie aanvoerde, door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken in overweging werden genomen, maar onvoldoende overtuigend werden bevonden om de duidelijke bevindingen van het bevolkingsonderzoek te weerleggen; dat verzoekster niet aantoont dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken daarmee het redelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden; Overwegende, in zoverre verzoekster er van uitgaat dat zij het recht heeft om gedurende een jaar op haar hoofdverblijfplaats afwezig te zijn zonder haar hoofdverblijfplaats en de daaraan verbonden inschrijving in het bevolkingsregister te kunnen verliezen, zij zich vergist; dat hiervoor reeds werd uiteengezet dat zulks niet opgaat; dat verzoeksters stelling dat inschrijving in het bevolkingsregister enkel de verplichting meebrengt om op het adres waarop men is ingeschreven bereikbaar te zijn voor de uitoefening van zijn politieke en administratieve rechten en plichten evenmin opgaat; dat een inschrijving in het bevolkingsregister krachtens artikel 1, § 1, eerste lid, 1/, van de wet van 19 juli 1991 een hoofdverblijf op het adres van de inschrijving vereist; dat artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 bepaalt dat de plaats van het hoofdverblijf de plaats is waar een alleenstaande gewoonlijk leeft, namelijk de plaats waar de betrokken persoon effectief beschikt over een woning die hij echt blijkt te bewonen en die hij betrekt met de bedoeling er zijn hoofdverblijf te vestigen, er de verblijfplaats van te maken van waaruit hij deelneemt aan het maatschappelijk verkeer, waar hij zich terugtrekt voor zijn privéleven, waar het centrum ligt van zijn gezinsleven en waar hij, zo hij een bedrijvigheid buitenshuis uitoefent, na de dagtaak regelmatig terugkeert en er gewoonlijk verblijft; dat de hoofdverblijfplaats bijgevolg veel meer is dan slechts een plaats waar men bereikbaar is voor het uitoefenen van zijn politieke en administratieve rechten; XII-1560-24/26 Overwegende dat ook het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-1560-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1560-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.