← België

Arrest 145693 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.693 Rolnummer: A. 77825/XII-1138 Zaak: Arrest 145693 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:30 Fiche Arrest nr 145.693 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.693 van 9 juni 2005 in de zaak A. 77.825/XII-

  1. In zake : Christian VAN DE VOORDE, wonende te Heusden, Meerstraat 29 tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP, die woonplaats kiest bij advocaat C. Ronse, kantoor houdende te Brussel, Havenlaan
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christian Vande Voorde op 12 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit, op 09.01.1998 genomen door Rufin Grijp, Minister voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, [...], waarbij werd beslist de wedde van verzoeker opnieuw te laten berekenen en deze vast te stellen met ingang van 1 januari 1998”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 6 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1138-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Conruyt, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Timmermans, die loco advocaat C. Ronse verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker, die het diploma van burgerlijk ingenieur behaalde, van 1 juli 1981 tot 30 september 1989 kapitein-polytechnieker is bij het Belgisch leger; dat hij, nadat hij bij het leger zijn ontslag heeft ingediend, op 1 oktober 1989 in dienst treedt van de Brusselse brandweer die op dat ogenblik onder de Brusselse agglomeratie ressorteert; dat hij aanvankelijk is aangesteld als stagiair waarna hij op 26 oktober 1990 wordt benoemd tot onderluitenant en op 1 mei 1992 tot luitenant; Overwegende dat bij het vaststellen van verzoekers wedde, met toepassing van de artikelen 8 en 9 van het geldelijk statuut van het personeel van de Brusselse agglomeratie, de diensten in aanmerking worden genomen die hij bij het leger presteerde; dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij ordonnantie van 19 juli 1990 gebruik maakt van de mogelijkheid geboden door artikel 5, eerste lid, XII-1138-2/13 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, om voor de Brusselse brandweerdienst een instelling van openbaar nut op te richten, Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp genaamd; dat krachtens artikel 5, vierde en vijfde lid, van voornoemde bijzondere wet de betrokken personeelsleden van de Brusselse brandweer, waaronder verzoeker, naar de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp worden overgedragen met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid en dat zij ten minste de bezoldiging en de anciënniteit behouden die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in hun dienst van herkomst het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overdracht bekleedden; dat de overdracht van het personeel plaatsvindt op 1 april 1993; Overwegende dat op 26 maart 1991 tussen de Brusselse hoofdstedelijke regering en de representatieve vakorganisaties van het personeel van de Brusselse agglomeratie een protocol tot stand is gekomen met betrekking tot “de herschikking van het geldelijk statuut van sommige officieren bij de Brusselse Brandweer”, protocol waarin volgende weddeschalen zijn opgenomen : “ Index Groepen Kapitein (niet burgerlijk 3.1.93/94* B/24 ingenieur) Kapitein (industrieel 3.1.96 B/24 ingenieur + 12 jaar dienst- anciënniteit) Luitenant (niet burgerlijk 3.1.91 B/24 ingenieur) Luitenant (niet burgerlijk 3.1.93/94* B/24 ingenieur + 9 jaar dienst- anciënniteit als officier) Luitenant (burgerlijk 3.1.96 B/24 ingenieur + 9 jaar dienst- anciënniteit) Luitenant (industrieel 3.1.96 B/24 ingenieur + 12 jaar dienst- anciënniteit) XII-1138-3/13 * De hoogste weddeschaal tussen 3.1.93 en 3.1.94 volgens de weddeanciënniteit van de begunstigden”; dat het besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp onder meer deze weddeschalen vaststelt; Overwegende dat op 30 maart 1995 tussen de Brusselse hoofdstedelijke regering en de representatieve vakorganisaties van het personeel in het onderhandelingscomité van sector XV van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een protocol tot stand komt dat vier correcties aanbrengt aan de wedderegeling van de officieren : “
  4. Elke luitenant-burgerlijk ingenieur bekomt de weddeschaal E.1 na 12 jaar dienstanciënniteit als officier.
  5. Elke luitenant-burgerlijk ingenieur bekomt de weddeschaal E.2 na 18 jaar dienstanciënniteit als officier.
  6. Elke luitenant-industrieel ingenieur bekomt de weddeschaal E.1 na 18 jaar dienstanciënniteit als officier.
  7. Elke kapitein-commandant in dienst op de ingangsdatum van dit geldelijk statuut bekomt de weddeschaal E
  8. Deze correcties worden enkel toegekend mits gunstige evaluatie van de directieraad”; dat de overeengekomen correcties worden doorgevoerd bij besluit van 9 mei 1995 van de Brusselse hoofdstedelijke regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering van 19 mei 1994 houdende vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp; Overwegende dat de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp de verantwoordelijke voor de wedden van het personeel met een schrijven van 20 november 1995 verzoeken om verzoekers wedde en die van zijn collega Alain Damit overeenkomstig de regeling van voormeld protocol van 30 XII-1138-4/13 maart 1995 aan te passen; dat het standpunt van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar als volgt kan worden samengevat : - het protocol van 30 maart 1995 bepaalt dat de luitenant-burgerlijk ingenieur de weddeschaal E.1 bekomt na 12 jaar “dienstanciënniteit als officier”; - artikel 34, §3, van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse Agglomeratie, dat krachtens artikel 5, vijfde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen op verzoeker en diens collega Alain Damit nog van toepassing is, bepaalt dat “voor de berekening van de dienstanciënniteit [...] in aanmerking [komen] de diensten welke het personeelslid in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een openbare dienst en als titularis van een ambt met volledige prestaties”; artikel 35, derde lid, van hetzelfde statuut bepaalt dat niet als een vrijwillige onderbreking wordt beschouwd “de dienstonderbreking die wordt veroorzaakt door het ontslag van het personeelslid bij een van de diensten bedoeld bij het artikel 34, § 3 met het oog op zijn onmiddellijke indiensttreding bij de Agglomeratie Brussel, zonder verbreking van de continuïteit”; - vermits de diensten die verzoeker en Alain Damit bij het leger hebben gepresteerd op grond van voormelde statutaire bepalingen in aanmerking mogen worden genomen bij het bepalen van hun dienstanciënniteit, voldoen zij aan de voorwaarden die door voormeld protocol worden gesteld voor het bekomen van de weddeschaal E.l; Overwegende dat de toekenning van de weddeschaal E.1 aan verzoeker en Alain Damit op het verzet van de A.C.O.D. stuit; dat de nationale secretaris van de A.C.O.D. voor de regio Brussel, sector lokale en regionale besturen, in een brief van 5 februari 1996 aan de bevoegde minister van de Brusselse hoofdstedelijke regering uiteenzet dat onder “dienstanciënniteit als officier” zoals bedoeld in het protocol van 30 maart 1995 dient te worden verstaan de anciënniteit verworven als officier bij de Brusselse brandweerdienst; dat de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar niettemin bij hun standpunt blijven; dat de minister daarentegen in brieven van 28 februari 1996 aan de leidend XII-1138-5/13 ambtenaar en de A.C.O.D.-secretaris uiteenzet dat voor de “schaalovergangen” bedoeld in het besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd bij het besluit van 9 mei 1995, de vereiste “dienstanciënniteit als officier” moet worden geïnterpreteerd als “een anciënniteit als officier in de brandweerdienst”; Overwegende dat de A.C.O.D.-secretaris met een brief van 3 april 1996 aan de minister meedeelt dat hij heeft vernomen dat aan verzoeker en twee van diens collega’s, mee op grond van prestaties die zij hebben verricht vóór hun indiensttreding bij de Brusselse brandweer, met terugwerkende kracht een preferente weddeschaal is toegekend, wat aanleiding heeft gegeven tot het uitkeren van aanzienlijke achterstallen; dat hij erop aandringt dat de minister onverwijld het nodige zou doen om deze situatie recht te zetten; dat de leidend ambtenaar bij zijn standpunt blijft en aan de minister vraagt “deze wedde te mogen handhaven bij de betrokken personen en geen terugbetalingsplan te voorzien”; Overwegende dat de minister vervolgens het advies vraagt van de inspecteur-generaal van de dienst ambtenarenzaken van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat hij uit diens adviezen van 7 juni en 24 juli 1996 afleidt dat onder “dienstanciënniteit als officier” moet worden verstaan “dienstanciënniteit als officier bij de Brusselse brandweerdienst” zodat de “preferentiële weddeschalen” aan de betrokkenen ten onrechte werden toegekend; dat hij in brieven van 19 september en 26 november 1996 aan de leidend ambtenaar stelt dat “deze zaak moet worden rechtgezet” en dat hem “binnen de kortste keren een plan van terugbetaling van de ten onrechte ontvangen sommen [moet worden] voorgelegd”; XII-1138-6/13 Overwegende dat de minister, nadat de leidend ambtenaar in brieven van 18 november 1996, 6 en 28 mei 1997 en de betrokken officieren in een brief van 5 juni 1997 nogmaals hun standpunt hebben uiteengezet, het advies van het Rekenhof vraagt; dat in het advies van 17 september 1997 met betrekking tot de brandweerofficieren die op 1 april 1993 van de Brusselse agglomeratie zijn overgedragen aan de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp wordt besloten dat “op basis van het BBHRe van 9 mei 1995 niet eenduidig kan worden opgemaakt of de als officier verworven dienstanciënniteit al dan niet uitsluitend bij de Brandweerdienst en bij de Brusselse Agglomeratie kan worden opgebouwd” en dat de Brusselse hoofdstedelijke regering vrij is “de voorwaarden tot toekenning van sommige weddenschalen zo te wijzigen dat er geen twijfel over kan bestaan dat de vereiste dienstanciënniteit als officier enkel als officier van de Brandweerdienst of van de Brusselse Agglomeratie kan worden verworven en aldus de gevolgen weg te werken van een mogelijk onbedoeld neveneffect van een voor interpretatie vatbare regel, ingevolge de samenlezing ervan met een andere statutaire regeling”; Overwegende dat de kwestieuze problematiek op 16 december 1997 op de agenda staat van de vergadering van het onderhandelingscomité van sector XV van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat het comité adviseert dat de ingeroepen bepalingen van het statuut van het personeel van de Brusselse agglomeratie niet van toepassing zijn, zodat “de toekenning van een hogere weddeschaal [aan de betrokken officieren] [...] verkeerd [is]”; Overwegende dat de minister met een brief van 9 januari 1998 aan de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp meedeelt dat hij zich aansluit bij het advies van het sectorcomité, tevens vraagt hij “de wedden van beide officieren opnieuw te laten berekenen en deze vast te stellen met ingang van 1 januari 1998”, wat de in het verleden teveel betaalde wedden betreft, beslist hij dat “er niet moet worden gerecupereerd”; XII-1138-7/13
  9. Het verzoek tot verwijzing van de zaak naar de tweetalige kamer. Overwegende dat verzoeker stelt dat hij tot de Nederlandse taalrol behoort, dat Alain Damit, die tot de Franse taalrol behoort, een gelijkaardig beroep heeft ingesteld zodat het “verkieslijk” is beide zaken samen te behandelen voor een tweetalige kamer van de Raad van State; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag geen grond ziet tot een verwijzing van de zaak naar de tweetalige kamer van de afdeling administratie van de Raad van State; dat verzoeker in de laatste memorie enkel nog met betrekking tot de ontvankelijkheid argumenteert; dat hij ook ter terechtzitting niet meer de behandeling voor een tweetalige kamer ter sprake brengt; dat er in die omstandigheden van uitgegaan wordt dat hij niet meer volhardt in zijn opmerking ter zake;
  10. De rechtsmacht van de Raad van State. Overwegende dat verwerende partij een exceptie opwerpt inzake de bevoegdheid van de Raad van State om van het geschil kennis te nemen; dat zij betoogt dat verzoekers beroep ertoe strekt zijn subjectief recht op de weddeschaal E.l te doen erkennen terwijl een dergelijk beroep krachtens artikel 144 van de Grondwet tot de exclusieve bevoegdheid van de hoven en de rechtbanken van de rechterlijke macht behoort en de Raad van State dienaangaande geen enkele bevoegdheid kan laten gelden; Overwegende dat verwerende partij uiteenzet dat verzoeker zijn aanspraken op de weddeschaal E.l steunt op het administratief statuut van het personeel van de Brusselse agglomeratie, de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en het besluit van 9 mei 1995 van de Brusselse hoofdstedelijke regering tot wijziging van het besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst XII-1138-8/13 voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; dat zij aanvoert dat zij “volledig gebonden” is door voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen en dienaangaande niet over enige appreciatiebevoegdheid beschikt, dat zij niet anders zou kunnen dan aan verzoeker de hogere weddeschaal E.l toekennen indien hij de wettelijke en reglementaire voorwaarden zou vervullen, dat verzoeker haar verwijt dat zij de vereiste “dienstanciënniteit als officier” verkeerd interpreteert, dat verzoeker aldus beoogt zijn subjectief recht op de weddeschaal E.1 af te dwingen, dat verzoeker zich, indien hij niet kan instemmen met haar interpretatie, tot de burgerlijke rechtbank dient te wenden teneinde te laten vaststellen dat hij de voorwaarden voor het bekomen van de weddeschaal E.1 wel vervult, dat de Raad van State ter zake onbevoegd is; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat de bevoegdheid van de Raad van State op gebied van geschillen inzake vernietiging wordt geregeld door artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat, ook al beschikt de burger over andere middelen om te verkrijgen dat de overheid de wet eerbiedigt, het beroep wegens machts- overschrijding het meest geschikte middel is om het wettigheidsbeginsel te doen eerbiedigen omdat het tegen alle administratieve beslissingen kan worden gericht, dat het beroep wegens machtsoverschrijding een objectief beroep is waardoor het grondig verschilt van de beroepen van volle rechtsmacht waarover de burger beschikt die weliswaar ook op een schending van een rechtsregel berusten, maar alleen in zoverre deze schending een inbreuk inhoudt op het subjectief recht waarvan de verzoeker de erkenning vraagt, dat wanneer de Raad van State, afdeling administratie, de gegrondheid van een beroep wegens machtsoverschrijding erkent, hij de bestreden bestuurshandeling nietig verklaart en de geschonden nietigheid herstelt, maar geen uitspraak doet over het subjectief recht van de verzoeker, dat hij het proces van de bestuurshandeling maakt, proces dat verder reikt dan de persoon van verzoeker of van diegene waarop de bestreden maatregel rechtstreeks van toepassing is, dat de gevolgen van de nietigverklaring niet beperkt blijven tot de betrokken partijen, maar met terugwerkende kracht erga omnes gelden en bijgevolg ook ten aanzien van de rechter die zich zal moeten XII-1138-9/13 uitspreken over de gevolgen van de nietigverklaring voor de subjectieve rechten van de betrokken partijen, dat noch de beslissing van de leidend ambtenaar van 20 november 1995, noch de beslissing van de bevoegde minister van 24 juni 1996 binnen de wettelijke termijn werden bestreden, zodat deze als vaststaand dienen te worden beschouwd, dat het duidelijk is dat de overheid zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding wanneer zij hierop later eenzijdig terugkomt of dat de beoordeling van een dergelijke administratieve beslissing minstens tot de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State behoort, temeer daar er op dat ogenblik geen sprake meer is van een discretionaire maar van een gebonden bevoegdheid van een bestuur; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie argumenteert dat uit de totstandkoming van de bestreden beslissing blijkt dat de bevoegde minister een beslissing met algemene draagwijdte heeft genomen die zijn subjectief belang met betrekking tot het berekenen van zijn loon overstijgt, dat de beslissing verder reikt dan zijn persoon aangezien zij een vaststaande interpretatie en toepassing van een rechtsregel vaststelt, dat niet enkel hijzelf maar iedereen die zich in dezelfde situatie bevindt het slachtoffer is van het vastgestelde principe; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog opmerkt dat verzoekers argument dat de bestreden beslissing een normatieve handeling zou zijn die een algemene regel zou uitvaardigen, in eerdere memories niet werd ingeroepen terwijl dit “perfect mogelijk was [...]”, zodat het niet ontvankelijk is, dat uit de bestreden beslissing en uit de voorbereiding ervan blijkt dat zij betrekking heeft op welbepaalde officieren die steeds identificeerbaar zijn, dat er bijgevolg geen sprake kan zijn van een algemene norm, dat het geschil betrekking heeft op de interpretatie van een wetsartikel in een individuele zaak, dat aan de minister niet kwalijk kan worden genomen dat hij zich uitgebreid informeert vooraleer een individuele beslissing te nemen, dat dit er enkel op wijst dat de bestreden beslissing met kennis van zaken werd genomen; Overwegende dat het standpunt van verwerende partij, namelijk XII-1138-10/13 dat het werkelijke voorwerp van het beroep een geschil betreft over de omvang van verzoekers subjectief recht op wedde, wordt bijgevallen; dat verzoeker meent krachtens het besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering houdende vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd bij het besluit van 9 mei 1995 van de Brusselse hoofdstedelijke regering, aanspraak te kunnen maken op een wedde die wordt vastgesteld in de weddeschaal E.l; dat die wedde hem aanvankelijk op initiatief van de leidend ambtenaar van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp ook effectief is toegekend; dat de bestreden beslissing hem die wedde met ingang van 1 januari 1998 ontneemt omdat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden die door voornoemd besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering worden gesteld voor het bekomen van de weddeschaal E.l; dat die voorwaarden luiden: “luitenant burgerlijk ingenieur + 12 jaar dienstanciënniteit als officier”; Overwegende dat verzoeker in elk van de drie middelen die hij aanvoert in wezen doet gelden dat de bestreden beslissing er ten onrechte van uitgaat dat onder “dienstanciënniteit als officier” dient te worden verstaan “dienstanciënniteit als officier van de Brusselse brandweerdienst”; dat hij meent dat op grond van artikel 5, vijfde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de artikelen 34, §3, en 35, derde lid, van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse agglomeratie, ook de diensten die hij als officier bij het leger heeft gepresteerd in aanmerking dienen te worden genomen; dat verzoeker in zijn eerste en tweede middel dan ook de schending van voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen aanvoert; dat hij in zijn derde middel laat gelden dat de bestreden beslissing, die steunt op een “enge interpretatie” van de vereiste “dienstanciënniteit als officier”, is aangetast door machtsoverschrijding; Overwegende dat uit de bepalingen van voornoemd besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering echter niet blijkt dat XII-1138-11/13 verwerende partij over een discretionaire appreciatiebevoegdheid beschikt bij het toekennen van de weddeschaal E.l; dat immers wie “luitenant burgerlijk ingenieur” is en “12 jaar dienstanciënniteit als officier” heeft verworven, alleszins recht heeft op een wedde die is vastgesteld in die weddeschaal; Overwegende dat met betrekking tot de vereiste “dienstanciënniteit als officier”, zoals te dezen het geval is, wel een interpretatieprobleem kan ontstaan; dat men zich immers kan afvragen of daaronder, voor de overgedragen personeelsleden van de Brusselse agglomeratie, de “dienstanciënniteit als officier bij de Brusselse brandweerdienst” dient te worden verstaan, dan wel - gelet op artikel 5, vijfde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de artikelen 34, §3, en 35, derde lid, van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse agglomeratie - “de diensten welke het personeelslid in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een openbare dienst en als titularis van een ambt met volledige prestaties”; dat wanneer verwerende partij met de bestreden beslissing aan dat interpretatieprobleem een oplossing heeft gegeven, zij geen discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend; dat een dergelijke bevoegdheid voor de overheid een appreciatiebevoegdheid inhoudt en haar in principe de keuze laat tussen verschillende oplossingen, terwijl te dezen slechts één interpretatie de juiste kan zijn; dat verzoeker de interpretatie van verwerende partij betwist; dat dit interpretatieprobleem echter geen afbreuk doet aan het feit dat de wedde die verwerende partij aan verzoeker verschuldigd is, rechtstreeks door het besluit van 19 mei 1994 van de Brusselse hoofdstedelijke regering wordt bepaald en dat het geschil daaromtrent een geschil betreft inzake verzoekers subjectief recht op wedde; dat de beslechting van dat geschil, overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en bij ontstentenis van een de Raad van State bevoegd makende wetsbepaling, tot de rechtsmacht van de gewone rechter behoort; dat, volledigheidshalve, de bestreden beslissing als zodanig geen algemene draagwijdte heeft; dat de door verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond is, XII-1138-12/13 BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1138-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.693 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.