id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.695 Rolnummer: A. 160779/VII-33661 Zaak: Arrest 145695 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 17:31 Fiche Arrest nr 145.695 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.695 van 9 juni 2005 in de zaak A. 160.779/VII-33.661. In zake : Frans BOUCHERIE, die woonplaats kiest bij Advocaat I. LIETAER, kantoor houdende te KORTRIJK, President Rooseveltplein 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de b.v.b.a. DONCK GRONDWERKEN, die woonplaats kiest bij Advocaten A. DECLERCK en K. VRIJGHEM, kantoor houdende te HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frans BOUCHERIE op 14 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 januari 2005 waarbij het beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 29 juli 2004 houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de b.v.b.a. DONCK GRONDWERKEN, Armoedestraat 36 A, 8800 Roeselare, om een nieuw grond-, wegenis- en omgevings- werkenbedrijf, gelegen op hetzelfde adres, te exploiteren, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-33.661-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LIETAER, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat L. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. VRIJGHEM, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 30 maart 2005 de b.v.b.a. DONCK GRONDWERKEN, houder van de bestreden vergunning, heeft gevraagd in de debatten te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De b.v.b.a. DONCK GRONDWERKEN, tussenkomende partij, exploiteert sinds medio 1997 een aannemingsbedrijf gelegen aan de Armoedestraat 36A te Roeselare. Blijkens het dossier werd dit bedrijf gedurende jaren geëxploiteerd zonder de vereiste milieuvergunning en zonder stedenbouwkundige vergunning. 2.2. Op 19 januari 2004 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe inrichting (regularisatie van bestaande toestand) op haar terreinen gelegen aan de Armoedestraat 36 A te Roeselare (kadastrale percelen 7/ Afd., Sectie A/2, nrs. 593n, 593p en 597b, groot ca. 1,5 ha). Het voorwerp van de exploitatie wordt in bijlage 3 bij de aanvraag als volgt omschreven: VII-33.661-2/11 “De BVBA Donck Grondwerken is een aannemersbedrijf dat voornamelijk gespecialiseerd is in grond- en wegeniswerken + omgevingswerken (openbare & private werken). Voor een aantal eigen werken wordt het opgegraven materiaal (grond, steenslag, betonpuin, asfaltpuin, ...) naar het bedrijfsterrein van de BVBA Donck Grondwerken gebracht. Sporadisch wordt een mobiele breekinstallatie en/of zeefinstallatie ingehuurd om de opgeslagen grond en puin te breken en/of te zeven. Dit gebeurt ca. 2 à 3 keer per jaar. Belangrijk: er worden geen afvalstoffen van derden op de eigen bedrijfsterreinen toegelaten. Op het bedrijfsterrein van de BVBA Donck Grondwerken worden daarnaast een aantal diverse bouwmaterialen gestockeerd, zijn er mazouttanks (en -verdeelinstallaties) geïnstalleerd, zijn er parkeerplaatsen voorzien, ...". 2.3. De betrokken percelen zijn volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 17 december 1979 en gewijzigd op 15 december 1998, gelegen in een "regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter". De betrokken percelen zijn volgens het algemeen plan van aanleg (APA) Roeselare, goedgekeurd op 29 april 1991, gesitueerd in een "reservatiegebied voor bedrijven voor KMO en dienstverlening". De betrokken percelen zijn volgens het bijzonder plan van aanleg (BPA) Nieuwe Abele Oost, goedgekeurd op 18 januari 2002, eveneens gesitueerd in een zone "voor regionaal bedrijventerrein met niet-milieubelastend karakter". Luidens de stedenbouwkundige voorschriften van dit bijzonder plan van aanleg zijn in deze zone als hoofdbestemming niet toegelaten : - louter kleinhandel; - bedrijven met een voor de omgeving ernstig storend karakter zoals: schrootbedrijven, recuperatiebedrijven van afval, afvalverwerkende bedrijven en dergelijke. Er wordt nog de volgende afwijking voorzien : "Bestaande bedrijven (op datum van de inwerkingtreding van het BPA) waarvan de activiteiten afwijken van de bestemming voorzien in onderhavig BPA kunnen hun activiteiten verder uitoefenen met een maximum van 100 % volume uitbreiding van de bestaande gebouwen (op datum van de inwerkingtreding van het BPA)". 2.4. Verzoeker woont in een alleenstaande woning met tuin gelegen aan de Kwadeweg, hetzij ten zuidoosten van de weg die paalt aan de achterkant van de percelen waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Zijn woning bevindt zich naar eigen zeggen op hooguit 60 à 70 meter van de perceelsgrens van de betrokken inrichting. VII-33.661-3/11 2.5. Op 29 juli 2004 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning. 2.6. Op 2 september 2004 dient de tussenkomende partij een omstandig gemotiveerd beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. 2.7. Op 4 januari 2005 beslist de verwerende partij het beroep van de tussenkomende partij gegrond te verklaren en haar de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar mits het naleven van een reeks algemene, sectorale en bijzondere vergunningsvoorwaarden; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker volgend betoog houdt : "De tenuitvoerlegging van het bestreden besluit impliceert in hoofde van de verzoekende partij de hieronder vermelde moeilijk te herstellen ernstige nadelen (minstens het risico dat deze nadelen zullen worden ondergaan). Het woongenot van de verzoekende partij zal ernstig in het gedrang (...) komen. Inderdaad, er moet vooreerst rekening worden gehouden met de geluids- en lawaaihinder die gepaard gaat met het veelvuldig laden en lossen van de grote hopen afval, puin, asfaltpuin, zand, aarde en steenslag, ook aan de door de recent aangelegde weg goed ontsloten achterzijde van de bedrijfsterreinen van de B.V.B.A. Grondwerken Donck, en welke weg paalt bijna direct aan de Noordkant van het perceel van de verzoekende partij. Gezien de aard, de behandeling, de enorme omvang (verschillende duizenden tonnen) en de aan- en afvoer van al deze materialen, en gezien de nabijheid, gaat deze exploitatie ook met grote stofhinder gepaard. Het is dan onmogelijk om nog van de tuin te genieten, om wasgoed buiten te drogen te hangen, om ramen open te zetten en dergelijke meer. Men moet zich daarbij goed realiseren dat de maximale tonnages die zijn vergund enkel slaat op de hoeveelheden die zich op elk ogenblik ten hoogste tegelijkertijd op de bedrijfsterreinen mogen bevinden. Er is niets voorzien van beperkingen wat de rotatiesnelheid betreft, zodat de jaarlijkse aan- en afvoer en verwerking en behandeling van al deze afvalstoffen en materialen een veelvoud van deze hoeveelheden bedraagt of minstens zonder beperking kan bedragen. De exploitatie van de breekinstallatie - die tot duizend ton per dag kan breken - impliceert ook sterke geluidshinder, temeer daar het geen continue geluid is, doch een geluid met pieken en dalen, hetgeen veel meer irriterend is. Het zal ook VII-33.661-4/11 nooit op voorhand geweten zijn op welke tijdstippen de breker in werking zal zijn. Zowel het breken als het zeven gebeurt steeds in open lucht, en in het bestreden besluit is inderdaad niet voorzien in het uitvoeren van deze activiteiten, ook niet het breken, in een afgesloten ruimte of loods, zodat de geluids- en stofoverdracht van het breken en de stofhinder door het zeven naar ondermeer het perceel waarop zich de tuin en de woning van de verzoekende partij bevindt in het geheel niet wordt beperkt. Dat het aantal exploitatiedagen per jaar van de breker beperkt is tot 12 dagen, impliceert dat er zeer veel te breken materiaal (puin) op voorhand zal gestockeerd worden. Er is geen enkele beperking qua stapelhoogte voorzien, noch wat de inplanting van deze hopen betreft. Hoe hoger de hopen, hoe meer stofhinder. Bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoekende partij moet ook rekening worden gehouden met het grote visueel impact van de grote hopen op de terreinen van de B.V.B.A. Grondwerken Donck : Zie inzonderheid de foto's 1, met name de foto's A l, B l, D l, E l en G l (stukken 9). Gezien de verzoekende partij de woning bewoont in hoofdverblijf en hij gepensioneerd is verblijft hij dikwijls in zijn woning en tuin, hetgeen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel nog accentueert. Ook met de geurhinder, veroorzaakt door de hoeveelheid aanwezige materialen en afval, voornamelijk bij zonnig weer, moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij. Omtrent al deze hinderaspecten zijn geen preventieve maatregelen voorzien. Daarbij komt nog dat de woning van de verzoekende partij zich op hooguit 60 à 70 meter van de perceelsgrens van de B.V.B.A. Donck grondwerken (waarvoor door het bestreden besluit de milieuvergunning werd verleend) bevindt (en niet op minimum 100 meter zoals ten onrechte gesteld door de auteur van het bestreden besluit in de overwegingen op p. 9 ervan) Zie de vermelding van de afstand van 52 meter op het plan opgenomen als het stuk 1 van het dossier van de verzoekende partij. Deze en de hieronder vermelde moeilijk te herstellen ernstige nadelen zijn het gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, en niet van de toepasselijke planologische voorschriften. De verzoekende partij mag zich verwachten aan een wettige toepassing van deze planologische voorschriften. Overigens moet de verzoekende partij slechts die werken en handelingen dulden die beantwoorden aan de stedenbouwkundige bestemming. Bij gebreke van schorsing van de tenuitvoerlegging zou de verzoekende partij de hierboven geschetste moeilijk te herstellen ernstige nadelen niettemin moeten ondergaan. Het betreft ook geen proefvergunning of een kortlopende milieuvergunning, doch integendeel een milieuvergunning die voor de wettelijke maximumtermijn van 20 jaar ineens werd verleend. Bij gebreke aan schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou de verzoekende partij deze moeilijk te herstellen ernstige nadelen gedurende lange tijd moeten ondergaan. In wat hieronder volgt wordt verwezen naar een fotoreportage (bestaande uit genummerde foto's, die werden genomen eind februari 2005) die de verzoekende partij neerlegt, met een plan (met noordpijl) van de omgeving waarop is aangeduid op welke plaats en in welke richting elke foto werd genomen (stukken 9). De woning van de verzoekende partij is gelegen ten Zuiden van de percelen waardoor door het bestreden besluit de milieuvergunning werd verleend. De voornoemde ernstige nadelen die de verzoekende partij lijdt ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn ook niet of moeilijk financieel juist te begroten, zodat deze ook om deze reden moeilijk door een VII-33.661-5/11 financiële schadevergoeding achteraf te herstellen is. Ook dit bewijs(
- t)het moeilijk te herstellen ernstig nadeel"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "1. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, wat erop neerkomt, en wat overigens bevestigd werd in de rechtspraak van Uw Raad, dat een louter beroep tot nietigverklaring niet tot een nuttige oplossing van het geschil kan leiden indien de bestreden rechtshandeling bij de afloop van dit beroep effectief onwettig zou blijken en vernietigd zou dienen te worden. Voor een schorsing is derhalve de cumulatieve vervulling van vijf voorwaarden vereist : 1/ dat er nadeel berokkend wordt of kan worden, 2/ dat dit nadeel ernstig is, 3/ dat dit nadeel moeilijk te herstellen is, 4/ dat dit nadeel veroorzaakt wordt door de bestreden rechtshandeling en 5/ dat de verzoeker persoonlijk dit nadeel ondervindt. 2. Verzoekende partij voert met betrekking tot zijn beweerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan dat hij geluids-, geur-, stof- en visuele hinder zal ondervinden ten gevolge van de exploitatie van de inrichting middels de verleende milieuvergunning. Vooraleer voornoemde nadelen in concreto te weerleggen, dient vooreerst te worden gewezen op de vaststelling dat de inrichting waarvoor het bestreden besluit een milieuvergunning verleent, is gelegen in een zone voor niet-milieubelastende bedrijven met een bovenlokale uitstraling. De aldaar gevestigde bedrijven veroorzaken uiteraard enige hinder tengevolge van hun exploitatie, zoals verkeersdrukte, doch dergelijke hinder dient te worden getolereerd door de omwonenden indien ze binnen aanvaardbare grenzen blijft. In deze verklaarden de meeste omwonenden van de inrichting dat ze daarvan geen klachten hebben, hetgeen betekent dat de hinder die ze van de exploitatie ondervinden aanvaardbaar is en dienvolgens niet ernstig. De aangevoerde nadelen van verzoekende partij dienen dan ook binnen deze context te worden geapprecieerd. 3. Wat betreft de lawaaihinder, stelt verzoekende partij dat deze zowel afkomstig is van op-en afrijdende vrachtwagens, als van de breekinstallatie. Met betrekking tot dit nadeel, kan vooreerst worden gewezen op de hiervoor vermelde planologische situatie van de inrichting, die is gelegen in een bestemmingszone waarin meer hinder mag worden verwacht van onder meer passerende vrachtwagens, die laden en lossen, dan in een woongebied. Bovendien liggen in de onmiddellijke nabijheid van de eigendom van verzoekende partij nog andere grote bedrijven, en vooral de zéér drukke autoweg, waar de onophoudende stroom auto's ongetwijfeld een constante lawaaihinder veroorzaakt. Voorts kan ook nog worden opgemerkt dat het perceel van verzoekende partij is gelegen ten zuiden van de inrichting, terwijl de overheersende windrichting uit de tegenovergestelde richting blaast, hetgeen eveneens invloed heeft op de mogelijke lawaaihinder. Tenslotte zorgen ook de opgelegde omheining en het groenscherm voor een reducering van het lawaai van de exploitatie. Wat betreft de lawaaihinder van de breek- en zeefinstallatie, kan vooral worden verwezen naar de bijzondere exploitatievoorwaarden van de milieuvergunning, die het gebruik van deze installatie beperken tot maximum twaalf dagen per jaar, telkens tussen 9.00 uur en 17.00 uur, waarbij de installatie VII-33.661-6/11 op minstens 150 meter van de dichtste woningen moet worden geplaatst. Aldus kan het nadeel van verzoekende partij ten gevolge van beweerde lawaaihinder niet ernstig worden beschouwd. 4. Wat betreft de door verzoekende partij aangevoerde stofhinder, kan opnieuw worden verwezen naar de bijzondere exploitatievoorwaarden in de milieuvergunning, waarbij de exploitant met het oog op het vermijden van stofhinder de verplichting wordt opgelegd om het bedrijfsterrein tijdens droge periodes regelmatig te reinigen en/of vochtig te houden. Bovendien mag de breekinstallatie niet worden gebruikt (...) bij terzelfdertijd droog en winderig weer, en moet deze installatie worden voorzien van een vernevelingsinstallatie. Voorts zal ook de omheining en het groenscherm mogelijke stofhinder reduceren, terwijl nogmaals kan worden gewezen op de overheersende windrichting, zodat ook dit nadeel voor verzoekende partij niet ernstig is. 5. Wat betreft de visuele hinder van verzoekende partij, dient in eerste instantie nogmaals te worden gewezen op de planologische situatie, en met name naar de andere grote bedrijven die in de zone voor niet-milieubelastende bedrijven met een boven-lokale uitstraling zijn gelegen, eveneens in de onmiddellijke nabijheid van de eigendom van verzoekende partij, evenals naar de autoweg. Bovendien is de vergunde inrichting omheind, terwijl er eveneens een groenscherm werd aangeplant, waardoor de inrichting grotendeels aan het zicht is onttrokken. Verzoekende partij kan aldus bezwaarlijk beweren dat de visuele hinder een ernstig nadeel uitmaakt in zijn hoofde, inachtgenomen de ligging van zijn eigendom en het groenscherm en de omheining rond de inrichting. 6. Het ernstig karakter van de aangevoerde geurhinder is evenmin aannemelijk, gezien er op de terreinen van de inrichting enkel inerte materialen en teervrij asfaltpuin mogen worden gestockeerd, die niet van aard zijn om geurhinder te veroorzaken. Bovendien bevinden deze materialen zich op een aanzienlijke afstand van de woning van verzoekende partij, en blaast de wind overheersend uit de andere richting, zodat een gebeurlijke geurhinder geen nadeel, minstens geen ernstig nadeel kan berokkenen aan verzoekende partij"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst repliceert dat niet is voldaan aan de tweede grondvoorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij desbetreffend volgend betoog houdt : "(...) 47. De verzoekende partij minimaliseert zelf al het eventueel moeilijk te herstellen ernstig nadeel met de mededeling dat hij 48. Dit klemt des te meer nu uit het bezwaarschrift van 12.04.2004 van de verzoekende partij blijkt dat er geen principieel bezwaar is tegen de exploitatie. Enkel de mobiele breekinstallatie en de mogelijks ermee gepaard gaande lawaaihinder wordt geviseerd omwille van het ontbreken van het aantal dagen dat die installatie per jaar zou worden gebruikt. Gelet op de strakke bijzondere voorwaarden inzake het beperkt gebruik van die installatie op minstens 150 meter afstand van de dichtste woningen is dit vermeend nadeel echter compleet ondervangen en is er ingevolge de bestreden beslissing onmogelijk sprake van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij (zie hoger inzake het belang van de verzoekende partij). Meteen staat de afwezigheid vast van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij ingevolge de tenuitvoerlegging van het VII-33.661-7/11 bestreden besluit, dat immers integraal aan het bezwaar van de verzoekende partij van 12.04.2004 tegemoet komt. Louter volledigheidshalve komt de firma DONCK nog tegemoet aan de overige opmerkingen ter zake vanwege de verzoekende partij. 49. De verzoekende partij breidt in strijd met zijn brief van 12.04.2004 de vermeende nadelen in het verzoekschrift uit met de melding dat zijn woongenot - inzonderheid lawaai, stof, geur en uitzicht - ernstig in het gedrang zal komen ingevolge de exploitatie van de inrichting, waartegen hij nochtans geen principieel bezwaar heeft. Het betreft bovendien een regularisatie van een activiteit die reeds meerdere jaren aan de gang is. De firma DONCK begrijpt de verzoekende partij niet, vermits (zie ook hoger) : - de woning van de verzoekende partij aan de achterkant paalt aan de zeer druk bereden Al7/E403 met de geëigende hinder (lawaai, stof, geur en uitzicht), dat zulks met zich meebrengt en dit op een constante manier ook buiten de werkuren; - de woning van de verzoekende partij sinds jaar en dag is omgeven door een hoge bomenrij en een haag; - de woning van de verzoekende partij niet paalt aan het terrein van de firma DONCK en evenmin aan de weg die naderhand door de stad Roeselare is gerealiseerd in uitvoering van het B.P.A. en waarvan de firma DONCK geen gebruik maakt. Alle verkeer gebeurt immers via de voorkant (de Armoedestraat). Aan de achterkant is er geen ontsluiting; - de inrichting van de firma DONCK omgeven wordt door een groenzone en een omheining; - het terrein van de firma DONCK aan de kant van de verzoekende partij een bufferzone kent; - de COPRO-keuring eens de exploitatievergunning definitief is verworven sowieso nog bijkomende garanties zal bieden inzake hoeveelheden, etc. en er hic et nunc met verwijzing naar het afgebakende voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag overigens geen sprake is van zogenaamde verschillende duizenden tonnen (bijlage 9 van het beroepschrift tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van 02.09.2004 en stuk 5 - bijlage 14; zie ook hoger); en niet in het minst (zie ook randnummer 49) : - de breek- en zeefinstallatie die uitsluitend werd geviseerd in het bezwaarschrift van 12.04.2004 door de verzoekende partij zich bevindt op minstens 150 meter van zijn woning achter (...) opgestapeld materiaal, uit het zicht en afgeschermd op geluidsvlak middels omheining, groenscherm en het aanwezige materiaal. Bovendien zijn de bijzondere voorwaarden in het bestreden besluit dermate geformuleerd dat er maximaal 12 dagen per jaar tussen 9 en 17 uur (schermen met zogenaamde De verzoekende partij negeert overigens ook dat de beslissing van de Bestendige Deputatie reeds aangaf dat de Bovendien waren die bezwaren ingegeven door een gebrek aan kennis van de zeer beperkte werking van de machine enerzijds en de vroegere aanwezigheid in de buurt van een dergelijke machine die evenwel continu actief was vermits die firma die activiteit commercialiseerde ten behoeve van derden (brief vanwege de familie VANBIERVLIET van 26.03.2004 : VII-33.661-8/11 anderzijds. Dit werd trouwens bevestigd door de nieuwe verklaringen van de buren, die nu - met kennis van zaken - terecht hun eerdere bedenkingen terzijde hebben geschoven (bijlage 8 van het beroepschrift tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van 02.09.2004; stuk 5 - bijlage 13 en stuk 14 met aanduiding - oranje - van de percelen, eigendom van die buren op het plan) : de heer VANDECASTEELE (perceel 673b); de heer DELEYE (percelen 642, 642b en 644, die volgens de verzoekende partij op 68 m verwijderd zou zijn van het terrein DONCK) en de familie VANBIERVLIET (wonend van de Kwadestraat 119); zodat een ernstig moeilijk te herstellen nadeel in hoofde van de verzoekende partij wegens : - vermeende stofhinder ingevolge de exploitatie van de inrichting - het laden en lossen van het materiaal aan de voorkant van het bedrijf - die met zich mee zou brengen dat - vermeende geluidshinder ingevolge het gebruik van de breekinstallatie gedurende maximaal 12 dagen per jaar op een overeenkomstig de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden opgelegde welbepaalde plek (meer dan 150 meter van de dichtste woningen afgeschermd door een buffer van materiaal) met een vemevelingsinstallatie hoegenaamd niet bewezen, zelfs niet eens aannemelijk is gemaakt; - vermeende visuele hinder ingevolge de - vermeende geurhinder gelet op het soort materiaal - zie ook de bijzondere voorwaarde 10 - dat wordt gestockeerd onmogelijk is. De windrichting is overigens overheersend uit de andere richting. Het is evenmin correct dat omtrent deze vermeende hinderaspecten geen preventieve maatregelen zouden voorzien zijn. De 11 bijzondere voorwaarden spreken voor zich. 51. De verzoekende partij slaagt er derhalve op geen enkele manier in om met concrete bewijzen aan te tonen dat het betreffende besluit, dat aan de firma DONCK die reeds sinds 1997 aldaar actief is, hem persoonlijk een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou berokkenen, rekening houdend met : - inzonderheid de inhoud van zijn brief van 12.04.2004 aan het College van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare en de integrale tegemoetkoming aan zijn bezwaar in het bestreden besluit; - het onmiskenbare gegeven dat de inrichting gelegen is in een zone voor niet- milieubelastende bedrijven wat enige hinder kan/mag teweeg brengen voor de omwonenden, die zulks - voor zover aanvaardbaar (quod in casu gelet op de verklaringen van de buren - zie hoger) moeten tolereren"; 3.4. Overwegende, wat de aangevoerde geluidshinder door het aan- en afrijdend verkeer betreft, dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de weg tussen de eigendom van verzoeker en de percelen waarop de vergunde inrichting is gevestigd een doodlopende weg betreft, die niet als hoofdtoegang voor de vergunde inrichting dienst doet; dat die hoofdtoegang zich bevindt aan de Armoedestraat; dat, VII-33.661-9/11 voorts, de eigendom van verzoeker oostwaarts paalt aan de bouwvrije stroken van de autosnelweg A17 en dit op een vergelijkbare afstand tot de percelen van de vergunde inrichting; dat in die optiek de eventuele geluidshinder door het aan- en afrijdend verkeer in de omgeving van een regionaal bedrijventerrein bezwaarlijk als ernstig kan worden aangemerkt; dat om reden van de ligging van de inrichting in een zone voor niet-milieubelastende bedrijven verzoeker niet in concreto aantoont dat de beweerde geluidshinder teweeggebracht door het laden en het lossen de grens van het tolereerbare binnen een dergelijke omgeving overschrijdt; Overwegende dat, gelet op het gegeven dat blijkens de bijzondere vergunningsvoorwaarden het gebruik van de breek- en zeefinstallatie wordt beperkt tot maximum 12 dagen per jaar tussen 9.00 uur en 17.00 uur en dat de breek- en zeefinstallatie op minstens 150 meter van de dichtste woningen mag worden geplaatst, de geluidshinder door het gebruik van deze installatie niet als dermate ernstig kan worden gekwalificeerd dat deze hinder een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitmaakt; Overwegende dat er moet van worden uitgegaan dat de tussenkomende partij de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden zal naleven; dat daartoe onder meer behoort de beperking van de stofhinder door het regelmatig reinigen en/of vochtig houden van het bedrijfsterrein tijdens droge periodes, het verbod tot het gebruik van de breker bij droog en winderig weer en het voorzien bij de breekinstallatie van een vernevelingsinstallatie; dat die voorwaarden redelijkerwijze van aard zijn om de stofhinder veroorzaakt door de inrichting tot een aanvaardbaar niveau te herleiden; Overwegende dat, gelet op de aard van de hoeveelheid aanwezige materialen, te weten aarde, steenslag, betonpuin en teervrij asfalt, verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn blote bewering dat de inrichting ernstige geurhinder zal veroorzaken; Overwegende, wat de aangevoerde visuele hinder betreft, dat aan de hand van de door verzoeker neergelegde foto's, genomen op plaatsen die zich buiten zijn eigendom bevinden, niet wordt aangetoond dat verzoeker vanuit zijn woning veel van de hopen afbraakmateriaal zal zien; dat dit des te meer klemt nu blijkt dat de eigendom van verzoeker in de richting van de percelen van de tussenkomende partij omzoomd is met een haag en met een hoogstammige bomenrij; VII-33.661-10/11 dat daarbij komt dat iemand die in de onmiddellijke omgeving van een bedrijventerrein woonachtig is, enige visuele hinder dient te tolereren; Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. DONCK GRONDWERKEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-33.661-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.695 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div