← België

Arrest 145727 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.727 Rolnummer: A. 138642/XIV-15780 Zaak: Arrest 145727 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-27 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 17:35 Fiche Arrest nr 145.727 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.727 van 9 juni 2005 in de zaak A. 138.642/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VANAGT, kantoor houdende te 3600 GENK, Bochtlaan 12/8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 2 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juni 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.780-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. SCROOFS die, loco Advocaat P. VANAGT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, treedt op 7 maart 2000 te Driouch (Marokko) in het huwelijk van Yamila EL BOUAYADI, van Belgische nationaliteit en wonende in Genk. 1.
  4. Op 20 juni 2000 komt verzoeker in België binnen op basis van een visum type-D, hem afgeleverd door de Belgische ambassade te Casablanca op 13 juni
  5. 1.
  6. Op 23 juni 2000 dient verzoeker te Genk een aanvraag tot vestiging in. 1.
  7. Op 21 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten omwille van het feit dat “uit het verslag van de politie van Genk dd. 6 november 2000 blijkt dat er van een relatie tussen beide echtelieden geen sprake is”. 1.
  8. Op 18 december 2000 dient verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing in van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Op 9 oktober 2001 verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 99.581 de door verzoeker ingediende beroepen. 1.
  9. Op 22 maart 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Tegen deze beslissing dient verzoeker op 22 april 2002 een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing in bij de Raad van State. Deze zaak is bekend onder het nr. G/A. 120.031/XIV- 9.
  10. XIV-15.780-2/10 1.
  11. Op 3 december 2002 dient verzoeker een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
  12. Op 18 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX nationaliteit : Marokko geboren te Beni Said op 20/11/1975 G. in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : reeds 2 jaar in België is, legaal in België is en hier werkt, vormen geen buitengewone omstandigheden om de aanvraag in België te rechtvaardigen. Aan betrokkene werd op 21/11/2000 een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de 15 dagen betekend. Sedertdien verblijft betrokkene illegaal in het Rijk en uit illegaal verblijf kunnen er geen rechten geput worden. Tevens blijkt uit het dossier dat betrokkene niet beschikt over de vereiste arbeidsvergunning om in België te mogen werken. De aanvraag kan in het land van herkomst gebeuren. Bijgevolg dient betrokkene gevolg te geven aan het bevel door hem betekend op 21/11/
  13. (...).”.
  14. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  15. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Dat bij het nemen van deze beslissing dd. 18 juni 2003 waarbij vooreerst het verzoek om machtiging tot verblijf op het grondgebied werd verworpen en vervolgens het bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten, de motiveringsplicht geschonden werd : dat de motivering immers niet juist is, nu er een beoordelingsfout gemaakt werd. Dat de bestreden beslissing getroffen werd op basis van de motivering dat er geen buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om de aanvraag van verzoeker in België te rechtvaardigen. Dat verzoeker echter vanaf zijn legale aankomst in België, zijnde 3 jaar geleden, ten zeerste werk gemaakt heeft (gemaakt) van zijn integratie in de Belgische samenleving, waarin hij zich wel degelijk profileerde en hierbij niet onopgemerkt bleef. Voornoemde integratie van verzoeker heeft zich trouwens op allerlei vlakken afgespeeld. Vooreerst was hij zich maar al te goed bewust van het feit dat integratie en het actief kunnen deelnemen in onze samenleving ook inhield dat hij één der landstalen zo snel mogelijk diende aan te leren en daarom heeft hij geen moeite gespaard om zich de Nederlandse taal eigen te maken. Op arbeidsvlak is verzoeker er tevens in geslaagd om in het officiële werkcircuit te stappen en is in hij vast dienstverband tewerkgesteld bij SMILE-PLASTIC. Dat hij aldus over een eigen inkomen beschikt en totaal niet afhankelijk is van zijn familie noch van de Staat. Dat verzoeker niet beschikt over de vereiste arbeidsvergunning om in België te mogen werken, aangezien de aanvraag hiertoe in het land van herkomst dient te gebeuren. XIV-15.780-3/10 Dat indien verzoeker deze aanvraag in Marokko moet gaan doen, hij zijn werk alhier zal verliezen. Dat het algemeen gekend is dat het indienen van een aanvraag bij de bevoegde diplomatieke instanties in Marokko enorm lang op zich laat wachten en dat men aldaar van het kastje naar de muur wordt gestuurd, zonder dat er finaliter een resultaat wordt bekomen. Op sociaal vlak heeft hij zich steeds op intensieve wijze gemengd onder de Belgische bevolking en ten gevolge van deze open en geïnteresseerde mentaliteit heeft hij een grote vrienden- en kennissenkring opgebouwd die hem willen steunen en helpen. Dat deze Belgische vrienden en kennissen verzoeker als een aangename en gedreven persoon leerden waarderen. Dat juist door zijn intense ommegang met Belgen en uiterst gedreven wil om zich voor 100% te integreren, zijn vrienden en kennissen verzoeker dan ook willen steunen omdat zij een verwijdering uit België als inhumaan beschouwen. Dat gelet op het voorgaande er zonder twijfel kan gesteld worden dat verzoeker, ondanks het feit dat zijn echtgenote hem na drie maanden huwelijk verlaten heeft, hij toch op zeer intense wijze is overgegaan tot verinnerlijking van de Nederlandse taal, zeden en Belgische gewoonten en zich de Belgische samenlevingsnormen in hoge mate heeft eigen gemaakt en dit op economisch, sociaal en cultureel terrein. Dat aan de integratie van verzoeker niet kan getwijfeld worden, aangezien het onomstotelijk vaststaat dat hij wel degelijk sociale banden met België heeft. Dat in de bestreden beslissing tevens wordt verwezen naar de motivering gesteld in het bevel betekend aan verzoeker op 21 november
  16. Dat voormelde bestreden beslissing getroffen werd op basis van de motivering dat er tussen de beide echtgenoten geen minimum aan relatie is geweest. Dat er wel degelijk een minimum aan relatie tussen de echtgenoten is, zoals de Raad van State in haar arrest van 24 april 1995 vereist. Dat het toch niet kan zijn dat de wettelijke bepalingen misbruikt worden enkel en alleen ten behoeve van de echtgenote van verzoeker die na een huwelijk van drie maanden en nadat verzoeker dan uiteindelijk zijn echtgenote kon vervoegen, zich zomaar ineens bedacht heeft en er de voorkeur aan gaf te gaan samenwonen met een andere man. Dat er in hoofde van verzoeker wel degelijk een reële echtelijke band bestond.”; 2.1.
  17. Overwegende dat verzoeker stelt dat er, in tegenstelling tot hetgeen de Minister van Binnenlandse Zaken beweert, wel degelijk buitengewone omstandigheden voorhanden zijn; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker de volgende elementen aanvoerde als buitengewone omstandigheden: “Omtrent de ontvankelijkheid : de uitzonderlijke omstandigheden. De uitzonderlijke omstandigheden die zouden moeten wettigen om deze aanvraag vanuit België te richten zijn de volgende : Verzoeker is al twee jaar in België en werkt hier. Indien hij deze aanvraag in Marokko moet gaan doen dan zal verzoeker zijn werk alhier verliezen. Dat het algemeen gekend is dat het indienen van een aanvraag bij de bevoegde diplomatieke instanties in Marokko enorm lang op zich laat wachten en dat men aldaar maar van het kastje naar de muur gestuurd wordt zonder dat er uiteindelijk resultaat bekomen wordt. Dat verzoeker alhier nog steeds op legale basis verblijft en zodoende perfect van hieruit deze aanvraag kan doen. Bij onderhavig schrijven verzoekt verzoeker dan ook om een machtiging tot verblijf overeenkomstig art. 9 al. 3 van de Vreemdelingenwet.”; dat deze elementen door verzoeker in zijn verzoekschrift worden herhaald; dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden XIV-15.780-4/10 aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid, evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoeker onontvankelijk verklaarde omdat hij geen uitzonderlijke omstandigheden aanhaalde; dat meer bepaald de Minister van Binnenlandse Zaken stelt dat het feit dat verzoeker reeds twee jaar in België verblijft, geen buitengewone omstandigheid vormt; dat de Minister van Binnenlandse Zaken erop wijst dat verzoeker op 21 november 2000 reeds een bevel om het grondgebied te verlaten, werd betekend en stelt dat verzoeker sedertdien illegaal in het Rijk verblijft; dat de Minister van Binnenlandse Zaken oordeelt dat uit een dergelijk illegaal verblijf geen rechten kunnen worden geput; dat de Minister van Binnenlandse Zaken er verder met betrekking tot verzoekers argument inzake zijn tewerkstelling nog op wijst dat verzoeker niet over de vereiste arbeidsvergunning beschikt om in België te mogen werken; dat blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk op de door verzoeker aangehaalde argumenten is ingegaan; dat de bestreden beslissing ruim voldoende feitelijk en rechtens relevante elementen bevat die een schending van de motiveringsplicht uitsluiten; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van artikel 3 en artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Doordat artikel 8 van het E.V.R.M. stelt dat eenieder het recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling en dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Verzoeker is gehuwd met de genaamde Yamila EL BOUAYADI, van Belgische nationaliteit. Dat aldus in toepassing van artikel 40 §6 van de Vreemdelingenwet verzoeker dient te worden gelijkgesteld met een E.G.-vreemdeling. Dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken zal verwijzen naar de lezing van voormeld artikel om te stellen dat de vereiste is, de vestiging of het komen vestigen met de echtgenote en dat het verblijfsrecht geen autonoom recht is en dat het echtgenoot-zijn op zich niet voldoende is. Dat evenwel het huwelijk tot op heden noch ontbonden is noch als schijnhuwelijk werd beschouwd. XIV-15.780-5/10 Dat bovendien verzoeker op regelmatige wijze in België is binnengekomen, zodanig dat hier legaal verblijft. Dat verzoeker naar België is gekomen om zich te vestigen bij zijn echtgenote en hier een huwelijksleven uit te bouwen. Dat evenwel artikel 42 van de Vreemdelingenwet met betrekking tot het recht op verblijf eveneens verwijst naar de bepalingen zoals gesteld in de richtlijnen en verordeningen van de Europese Gemeenschappen. Dat op basis van het gegeven dat verzoeker zich aanvankelijk heeft gevestigd bij zijn echtgenote, de voormelde bepalingen van toepassing zijn. Dat verdere ontwikkeling van de situatie niet te wijten is aan verzoeker, die bovendien tot op heden moet vaststellen dat zijn echtgenote geen enkele stap heeft ondernomen naar een vordering tot echtscheiding of naar een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk zodat zij zichzelf tot op heden nog steeds als echtgenote van verzoeker beschouwd, zodanig dat een verzoening niet uit te sluiten valt. Dat de getroffen maatregel dan ook een inmenging is in het leven van verzoeker en een duidelijke schending uitmaakt van de bepalingen van het artikel 8 van het E.V.R.M. Dat door de inmenging van de overheid en de eventuele uitvoering van de verwijderingsmaatregel hem eik mogelijk middel wordt ontzegd om, met toepassing van de geldende bepalingen, zijn rechten in het Rijk te vrijwaren. In geval van verwijdering uit het Rijk is er een effectieve onredelijke inmenging in het privé-leven van verzoeker en wordt hem de facto de mogelijkheid ontnomen om zich te verweren in een mogelijke echtscheidingsprocedure. Dat dit middel dan ook gegrond is. Doordat artikel 3 van het E.V.R.M. bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat verzoeker gehuwd is met een Belgische onderdaan en naar België gekomen is, teneinde zich er te vestigen met zijn echtgenote om een huwelijksleven uit te bouwen. Dat de huidige toestand volledig vreemd is aan verzoeker hetgeen ertoe geleid heeft dat hij aan een vernederende behandeling wordt onderworpen. Dat zijn echtgenote tot op heden in gebreke blijft om een rechtsmiddel opzichtens hem uit te putten zodat zij eveneens schuldig is aan de actuele toestand. Dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing dan ook de meest humane oplossing is ten deze, nu een dergelijke maatregel het juiste evenwicht vindt tussen het persoonlijk belang en het algemeen belang.”; 2.2.2.1 Overwegende dat wat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft, verzoeker aanvoert dat hij naar België is gekomen, “teneinde er zich te vestigen met zijn echtgenote om een huwelijksleven uit te bouwen”; dat verzoeker stelt “dat de huidige toestand volledig vreemd is aan (hem) hetgeen ertoe geleid heeft dat hij aan een vernederende behandeling wordt onderworpen”; dat verzoeker zijn beweringen dient te staven met een begin van bewijs; dat verzoeker zich echter beperkt tot een uitermate vage bewering en geenszins aantoont dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling, zodat een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet kan worden aangenomen; 2.2.2.
  19. Overwegende dat, met betrekking tot de door hem aangevoerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. verzoeker er op wijst dat hij is gehuwd met een Belgische onderdane; dat verzoeker meent dat er “in geval van verwijdering uit het Rijk” sprake is van een “effectieve onredelijke inmenging in (zijn) privé-leven”; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat, wat de door verzoeker aangehaalde huwelijksband betreft, kan worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen hierover reeds werd gesteld in de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 november 2000 tot weigering van XIV-15.780-6/10 de vestiging; dat de thans bestreden beslissing enkel uitspraak doet over de ontvankelijkheid van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden; dat de eventuele verwijdering uit het Rijk het gevolg is van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten dat reeds werd uitgevaardigd op 21 november 2000; dat de Raad van State op 9 oktober 2001 het door verzoeker tegen dit bevel ingediende annulatieberoep bij arrest nr. 99.581 heeft verworpen zodat dient te worden vastgesteld dat voornoemd bevel sinds 9 oktober 2001 definitief is; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.3.
  20. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van de artikelen 40 tot en met 44 van de Vreemdelingenwet. Het recht op vrij verkeer is de regel en slaat ook op de familieleden om dit recht effectief te maken. Door zijn huwelijk dient verzoeker gelijkgesteld te worden met een EG-vreemdeling. Zijn recht op verblijf volgt uit het afgeleide gemeenschapsrecht en bestaat, zelfs ondanks het niet-vervullen van bepaalde administratieve formaliteiten. De sanctie op het niet-vervullen ervan mag de uitoefening van dat recht niet onmogelijk maken, terwijl een verwijdering of een terugdrijving verzoeker dwingt om naar zijn land van herkomst terug te keren om daar een visum aan te vragen, waarvan de afgifte niet kan geweigerd worden omdat hij de echtgenoot is van een Belgische onderdaan. Een strikte interpretatie is een duidelijke schending van het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft de Raad van State in haar arrest nr. 83.584 van 23 november 1999, gekend onder A.76.536/XI-3779 vier prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. In zijn advies heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie zijn advies verleend en onder meer gesteld dat een terugdrijving van een vreemdeling die niet in het bezit is van de nodige documenten slechts mogelijk is mits naleving van het recht op gezinsleven en het evenredigheidsbeginsel. In het geval van het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum kan evenmin een verwijderingsmaatregel worden genomen. Het kan niet ontkend worden dat verzoeker een echtgenoot is van een Belgische onderdaan, zelfs indien zij niet samenwonen (cfr. Arrest Raad van State, nr. 47.839). Gezien er geen enkele definitieve rechterlijke uitspraak voorhanden is met de betrekking tot de huwelijkstoestand van partijen, is de genomen maatregel onredelijk en onevenredig.”; 2.3.
  21. Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet in de mogelijkheid voorziet om, in geval van buitengewone omstandigheden, vanuit België een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in te dienen; dat daarnaast de Vreemdelingenwet in artikel 40 een specifieke procedure bevat voor de vreemdeling die een verblijfsrecht wil doen gelden op basis van diens huwelijk met een Belg; dat de in het geding zijnde aanvraag evenwel gestoeld is op artikel 9, derde lid, en niet op artikel 40 en volgende van de Vreemdelingenwet; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in casu niet kan worden verweten laatstgenoemde procedure op verzoekers aanvraag niet te hebben toegepast; dat er nogmaals dient op gewezen dat verzoeker reeds een aanvraag tot vestiging indiende op 23 juni 2000 en dat de Minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent op 21 november 2000 een voor verzoeker negatieve beslissing nam omwille van het feit dat “uit het verslag van de politie van Genk dd. 6 november 2000 blijkt dat er van een relatie tussen beide echtelieden XIV-15.780-7/10 geen sprake is”; dat op 9 oktober 2001 de Raad van State bij arrest nr. 99.581 het door verzoeker tegen deze beslissing ingediende annulatieberoep verwierp; dat het relevant is te verwijzen naar onderdeel 2.3.2 van voornoemd arrest waarin de Raad van State als volgt redeneerde: “Overwegende dat verzoeker in het middel stelt dat hij middels zijn huwelijk voldoet aan de bepalingen van artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet; dat hij dan ook dient toegelaten te worden tot vestiging in België; dat verzoeker hieraan toevoegt dat de duurzaamheid van de toestand niet kan afgeleid worden uit één onderzoek; dat de bestreden beslissing maakt toepassing van artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet; dat deze bepaling luidt als volgt: ‘(...) §6 Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden 21 jaar die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende lijn en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen.’ ; dat verzoeker zich vergist waar hij stelt dat zijn huwelijk op zich met een Belgische onderdane volstaat om toegelaten te worden tot vestiging in België; dat de hierboven geciteerde bepaling expliciet bepaalt dat de betrokken echtgenoot van een Belg zich met deze laatste “vestigt of komt vestigen”; dat uit het verslag van de politie van Genk blijkt dat verzoekers echtgenote verklaarde dat ze in Marokko uitgehuwelijkt werd; dat ze verklaart niet veel te weten over haar man, dat ze nauwelijks met elkaar spraken; dat in juni haar man (verzoeker dus) naar België kwam en begin juli het traditioneel feest plaats vond te Genk; dat ze slechts één keer met elkaar hebben geslapen tijdens de huwelijksnacht omdat het moest; dat nadien ze nooit met elkaar hebben samengewoond; dat het appartement werd gehuurd voor een domicilieadres voor verzoeker; dat verzoekers echtgenote niet van plan is terug te keren naar verzoeker en ze stappen gaat ondernemen om een scheiding aan te vragen; dat ze er zeker van is dat verzoeker enkel met haar gehuwd is om een verblijfsvergunning te krijgen; dat het verslag concludeert dat betrokkenen niet samenleven en ook niet de intentie hebben om een duurzame man-vrouw relatie uit te bouwen; dat verzoeker in het middel in het geheel geen elementen aanbrengt die deze vaststellingen tegenspreken; dat hij niet duidelijk maakt dat hij zich wel degelijk heeft gevestigd of komt vestigen met zijn echtgenote, zoals vereist wordt door artikel 40, § 6, van de Vreemdelingenwet; dat het derde middel niet gegrond is;”; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
  22. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “Vierde middel : Dit middel is gesteund op de schending in de bestreden beslissing van de gelijkheid tussen Belgen en vreemdelingen die zich in een gelijke situatie bevinden. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor echtgenoten die gehuwd zijn met een vreemdeling om in plaats van een ingewikkelde, lange en vaak kostelijke echtscheidingsprocedure, hun echtgenoot gewoon buiten te zetten en vervolgens naar de gemeente te gaan om alzo een beslissing tot weigering van vestiging uit te lokken. Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn van de wetgever terzake. XIV-15.780-8/10 Indien personen, gehuwd met een Belg of met vreemdelingen wier verblijf definitief geregeld is, van hun echtgenoot af willen, dienen zij wel een echtscheidingsprocedure te voeren volgens de geëigende procedures. Voor verzoeker betekent dit ook een mogelijkheid opzichtens Belgen en vreemdelingen wier verblijf definitief geregeld is in België 30 mei 2005”; 2.4.2.
  23. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van “de gelijkheid tussen Belgen en vreemdelingen die zich in een gelijke situatie bevinden”; dat verzoeker meent dat het “al te gemakkelijk (zou) zijn voor echtgenoten die gehuwd zijn met een vreemdeling om in plaats van een ingewikkelde, lange en vaak kostelijke echtscheidingsprocedure, hun echtgenoot gewoon buiten te zetten en vervolgens naar de gemeente te gaan om alzo een beslissing tot weigering van vestiging uit te lokken”; dat verzoeker deze situatie vergelijkt met die van personen die gehuwd zijn met een Belg “of met vreemdelingen wier verblijf definitief geregeld is” en die eveneens “van hun echtgenoot af willen”; dat volgens verzoeker deze laatsten “wel een echtscheidingsprocedure dienen te voeren volgens de geëigende procedures”; 2.4.2.
  24. Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat zijn kritiek niet terzake doet; dat niet kan worden ingezien hoe zijn beweringen op enigerlei wijze afbreuk doen aan de wettigheid van de motieven van de bestreden beslissing die een uitspraak doet over de door verzoeker ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden; dat het vierde middel niet gegrond is;
  25. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-15.780-9/10 BESLUIT: Artikel
  26. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  27. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.780-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.