id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:A
§3
van dezelfde wet, het onderzoek geschiedt in het Nederlands of het Frans; Dat het onderzoek echter in het Engels geschiedde; Dat dit uiteraard een schending is van voornoemde artikelen van de Wet van 15 december 1980; Dat dit dan ook een overtreding is van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, in de zin van art. 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State; Dat de procedure bij het CG dan ook dient te worden nietig verklaard op basis van bovenstaande redenen;”; 2.1.2.1. Overwegende dat verzoeker de schending inroept van de artikelen 50 en 51 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) omdat de tolk vertaalde van het Russisch naar het Engels, terwijl volgens artikel 51/4, §
§ 3het onderzoek in het Nederlands of Frans moet gebeuren; 2.1.2.2.
Overwegende dat uit artikel 51/4, §
§ 3
van de Vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid dat de tolk, die de verklaringen van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dit moet doen naar de taal van de procedure; dat verzoeker trouwens geen belang heeft bij het middel, vermits uit het gehoorverslag blijkt dat hij de tolk begrijpt en dat hij geen vragen heeft in verband met de procedure; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede Middel: Dat uit eerste middel blijkt dat er vertaling gebeurde naar het Engels; Dat de raadsman van verzoeker de Engelse taal niet voldoende machtig is; Dat dit aldus een schending uitmaakt van art. 6 EVRM, met name een schending op het recht van verdediging; Dat dit uiteraard ook een schending vormt van art. 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, en meer bepaald op een “op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste”. Dat dit bovendien voor verzoeker “een moeilijk te herstellen ernstig nadeel” vormt;”; 2.2.
- Overwegende dat betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassingssfeer van artikel 6 van het E.V.R.M. vallen enkel de desbetreffende regels en publiekrechtelijk karakter hebben; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; XIV-12.213-4/7 2.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Derde Middel Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat de Dienst Vreemdelingenzaken bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Dat deze zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de asielzoeker conform de rechtspraak van de Raad van State niet verplicht kan worden om alles te bewijzen, aangezien dit praktisch onmogelijk is voor zowat elke asielzoeker. Dat het vermoeden geldt in het voordeel van verzoeker dat het verhaal strookt met de waarheid, zeker nu blijkt dat een coherent en gedetailleerd verhaal kon worden voortgebracht met zelfs vermelding van data en namen; Dat de feiten zich meer dan drie jaar geleden hebben voorgedaan; Dat verzoeker bijgevolg zich niet alles haarscherp herinnert, en dat er daardoor verschillen bestaan tussen de verklaringen van verzoeker bij de DVZ en CG; Dat de interviewster bij het CG dit ook aanvaardde, en hiervoor begrip toonde bij het interview zelf; Dat echter bij de beslissing door het CG hiermee geen rekening is gehouden en dat de aanvraag als “bedrieglijk” werd gekwalificeerd; Dat deze kwalificatie buiten alle proportie is; Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen;”; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij de tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen tracht te minimaliseren door deze toe te schrijven aan het tijdsverloop van drie jaar tussen de feiten en de verklaringen; dat zij niet concreet ingaat op ook maar één tegenstrijdigheid; dat zij er aldus niet in slaagt aan te tonen dat de beslissing gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens en op kennelijk onredelijke wijze genomen is; dat het voordeel van de twijfel eventueel kan worden toegestaan indien, na onderzoek van alle elementen, de overtuiging bestaat dat de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de geloofwaardigheid niet wordt aangenomen; dat aldus terecht aan de verzoekende partij het voordeel van de twijfel niet wordt gegeven; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “Vierde Middel Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de DVZ en CGVZ op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis hadden als op grond van de overige omstandigheden die verzoeker thans laat gelden tot de kennelijk en volkomen onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er immers een gegronde vrees aanwezig is in hoofde van verzoeker dat elke mogelijkheid op een goede toekomst haar ingevolge voornoemde feiten ontnomen is, hetgeen van haar wel degelijk een vluchteling maakt die zijn geluk elders dient te zoeken; Ernstige inbreuken op de fysische integriteit, zelfs eenmalige, worden beschouwd als vervolging. Dat het niet toepassen van de beginselen van dat Verdrag een schending van het beginsel “patere legem quam ipse fecist” is; XIV-12.213-5/7 Dat dan ook alle redenen aanwezig zijn om de bestreden beslissing te laten nietigverklaren; Dat bij afzonderlijk verzoekschrift tevens de schorsing van de bestreden beslissing werd gevorderd; Dat verzoeker voorbehoud maakt voor het laten gelden van verdere argumentatie in de loop van het geding;”; 2.4.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de onwettigheid van de bestreden beslissing inroept wegens schending van het redelijkheidsbeginsel in samenhang met artikel 1 van het vluchtelingenverdrag; dat eveneens de schending van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” wordt ingeroepen; 2.4.2.
- Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat, met betrekking tot het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” verzoeker niet uiteenzet op welke wijze dit beginsel wordt geschonden; dat het vierde middel niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-12.213-6/7 C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.213-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.730 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div