id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.732 Rolnummer: A. 128920/XIV-12444 Zaak: Arrest 145732 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 17:35 Fiche Arrest nr 145.732 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.732 van 9 juni 2005 in de zaak A. 128.920/XIV-12.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2100 DEURNE-ANTWERPEN, Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, op 4 november 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 19 november 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2005; XIV-12.444-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, die persoonlijk verschijnen, van Advocaat G. DAEM die, loco Advocaat J. DE LIEN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, zijn België binnengekomen op 29 juli 2000 en hebben zich op 31 juli 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 14 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 4 oktober 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van de beslissingen luidt als volgt: Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger afkomstig uit S., verklaarde op 27 mei 2002 op het Commissariaat-generaal XXX te zijn ontvlucht omwille van onderstaande problemen. Uw broer M. werd in 1364 (Perzische kalender; komt overeen met 1985/1986 Gregoriaanse kalender) gearresteerd omwille van zijn activiteiten voor een monarchistische beweging. Hij kon ontsnappen en werd erkend als politiek vluchteling door de Noorse regering. Na de arrestatie van uw broer werd u sympathisant van de verboden oppositiebeweging ‘S.’ (pro-monarchie). U vormde een eigen groep, samen met S., Z. en H., drie studenten, waarmee u regelmatig bijeen kwam en discussieerde. U was werkzaam als trainer voor de XXX overheid en gaf sportlessen aan de kinderen van de ambtenaren van de provincie F.. Hierdoor kwam u in contact met jongeren en u trachtte hen te overtuigen van het belang van de terugkeer van de S. Omwille van deze activiteiten werd u op 13/10/1372 (3 januari 1994) ontslagen. XIV-12.444-2/10 Vervolgens ging u aan de slag als zelfstandige karatetrainer in een sportcomplex te S.. In 1378 (1999/2000) stelde u zich kandidaat voor de functie van coach van het nationaal karateteam, maar uw kandidatuur werd niet aanvaard omwille van uw monarchistische visie. In die periode werd u een paar keer opgeroepen door de H. (geheime dienst) en ondervraagd over uw activiteiten, maar dit bleef telkens zonder gevolg. In het begin van de derde maand 1379 (mei 2000) kwamen agenten van de S. (K.) op uw werk langs met de mededeling dat u beter kon stoppen met uw activiteiten (namelijk het beïnvloeden van de jeugd) en het dwingend verzoek uw ontslag te geven als lesgever in dit complex. De volgende dag vroeg u aan K., een vriend die bij S. werkte, om informatie te vergaren betreffende uw zaak. Twee dagen later vernam u via hem dat de S. een zwaarlijvig dossier over u bezat en hij gaf u de raad XXX te verlaten. Op 07/04/1379 (27 juni 2000) verliet u XXX, samen met uw echtgenote, XXX (O.V. 4.989.410), en jullie twee minderjarige zonen. Op 29 juli 2000 bent u in België aangekomen waar u op 31 juli 2000 asiel hebt aangevraagd. U bent niet in het bezit van een geldig internationaal identiteitsbewijs. Anderhalve maand na uw aankomst in België vernam u van uw vader dat S., Z. en H., de drie studenten die deel uitmaakten van uw groep, werden gearresteerd. Ook had de S. een huiszoeking verricht, waarbij de brieven van uw broer M. en foto’s van de S. werden gevonden. Verder heeft u geen nieuws meer over het lot van deze drie studenten. Er dient te worden vastgesteld dat de elementen die u aanbrengt onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Wat betreft uw vreest voor vervolging omwille van uw activiteiten (in casu het houden van gesprekken in kleine groep en het beïnvloeden van de jeugd via uw functie als trainer) voor de verboden oppositiebeweging “S.” kan gesteld worden dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de monarchisten door de XXX autoriteiten niet langer beschouwd worden als een bedreiging voor de Islamitische samenleving. Dit blijkt eveneens uit het feit dat de autoriteiten al sinds 1372 (1993/1994) op de hoogte waren van uw activiteiten voor de monarchistische beweging, aangezien dit de reden voor uw ontslag uitmaakte, en u verder geen noemenswaardige problemen met de autoriteiten heeft gekend omwille van deze activiteiten tot in het begin van de derde maand van het jaar 1979 (mei 2000) toen enkele agenten van de S. langs kwamen op uw werk. Wat dit laatste feit betreft, gaat het hierbij slechts om een éénmalig incident dat niet voldoende ernstig is om effectief als een daad van systematische vervolging te worden beschouwd. U werd bovendien niet gearresteerd. Er was in feite enkel sprake van een waarschuwing uitgaande van de S. Verder dient te worden opgemerkt dat het uiterst merkwaardig is dat de autoriteiten u op dat moment niet hebben gearresteerd temeer daar ze, volgens uw verklaring (CGVS p. 10), over een sterk dossier tegen u beschikten. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat u nooit eerder werd gearresteerd of vastgehouden en verder geen noemenswaardige problemen heeft gekend met deXXX autoriteiten (CGVS p.13), zodat ook hieruit geen aanwijzing van van een systematische vervolging vanwege de autoriteiten blijkt. Het feit dat u op de hoogte gebracht werd van dergelijke beschuldiging ten aanzien van uw persoon door een derde persoon, in casu uw vriend K., is bovendien onvoldoende als objectieve aanwijzing dat u door de XXX autoriteiten zou worden vervolgd. Uw verklaring dat het familiaal antecedent (arrestatie en ontsnapping van uw broer Mohamed omwille van zijn monarchistische ideeën ) uw vervolgingsvrees verhogen, is evenmin aannemelijk gezien, enerzijds deze feiten dateren van meer dan tien jaren geleden en, anderzijds, gezien u verklaarde dat uw familie geen noemenswaardige problemen heeft gekend naar aanleiding van zijn vlucht (CGVS p.11-12). Ook wat betreft uw vrees omwille van het feit dat de autoriteiten tijdens een huiszoeking foto’s van de S. en uw briefwisseling met uw broer M. gevonden hebben, kan gesteld worden dat deze kennelijk ongegrond is. Uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt immers dat het bezitten van verboden materiaal, waaronder beeldmateriaal van de S., in de praktijk hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van vervolging. Betreffende uw vrees omwille van het feit dat u in België politiek asiel aanvroeg, dient gewezen te worden op het feit dat uit de bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er tot XIV-12.444-3/10 op heden geen represaillemaatregelen konden vastgesteld worden tegenover XXX die ongeoorloofd zijn uitgereisd. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (identiteitsboekje van u en uw zonen, huwelijksakte, 2 rijbewijzen, 2 legerkaarten, schooldiploma, karatediploma, ontslagbrief) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Deze documenten bewijzen enkel uw identiteit, uw legerdienst, uw genoten onderwijs, uw sportieve en professionele activiteiten, zaken die hier niet ter discussie staan. Ook de documenten die u neerlegde in verband met uw broer, M., wijzigen niets aan bovenstaande argumentatie. Deze documenten hebben geen betrekking op u persoonlijk, maar leveren enkel het bewijs van het feit dat uw broer door de Noorse autoriteiten als politiek vluchteling werd erkend. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger afkomstig uit S., verklaarde op het Commissariaat-generaal uw land te zijn ontvlucht omwille van de problemen van uw echtgenoot, XXX (O.V. 4.989.410) (CGVS p.2). U werkte bijna twintig jaren in een privé-ziekenhuis te S. Omwille van de politieke activiteiten van uw man kreeg u nooit de kans om voor een staatsziekenhuis te werken. Reeds voor jullie huwelijk was uw echtgenoot lid van ‘S.’, een monarchistische partij. Zijn activiteiten bestonden uit het verspreiden van pamfletten en het voeren van discussies om via deze weg de XXX bevolking warm te maken voor het herstel van de monarchie. Uw man was tewerkgesteld als ambtenaar bij de provincie F. In het begin van het jaar 1372 (Perzische kalender; komt overeen met 1993/1994 Gregoriaanse kalender) werd hij uit zijn functie ontslagen omwille van zijn politieke activiteiten. Vervolgens werd hij trainer in het sportcomplex O. te.S. Ongeveer anderhalve maand voor uw vertrek deelde uw man u mee dat de S. (K.) een dossier tegen hem had aangelegd. Hij had dit vernomen van een bevriend trainer die tevens bij de S. werkzaam was. De H. (geheime dienst) van het sportcomplex had hem ook al de raad gegeven te stoppen met zijn activiteiten tegen het regime en zich enkel bezig te houden met het lesgeven in plaats van de jeugd te beïnvloeden. Aangezien uw man hoog stond aangeschreven in de gemeenschap konden ze hem niet ontslaan, vandaar dat ze met aandrang vroegen dat hij zelf ontslag zou nemen. Op 07/04/1379 (27 juni 2000) verliet u uw land in het gezelschap van uw man en twee minderjarige zonen. Op 29 juli 2000 bent u in België aangekomen waar u op 31 juli 2000 asiel hebt aangevraagd. Twee maanden na uw vertrek vernam u via uw schoonvader dat de autoriteiten bij hem een huiszoeking hadden verricht en dat er drie vrienden van uw man, die deel uitmaakten van dezelfde politieke groep, waren gearresteerd. U bent niet in het bezit van een geldig internationaal identiteitsdocument. Uit uw verklaringen (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat- generaal) blijkt dat u uw asielaanvraag ten dele steunt op de motieven aangebracht door uw man, XXX Wat betreft het door uw echtgenoot ingestelde dringend beroep werd door de Commissaris-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw echtgenoot een negatieve beslissing op grond van kennelijk ongegrondheid werd genomen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden. Wat betreft uw persoonlijke problemen (het feit dat u, omwille van de politieke activiteiten van uw man, nooit de kans hebt gekregen om te werken in een staatsziekenhuis) verklaarde u uitdrukkelijk dat deze niet de reden vormden voor uw vertrek uit XXX (CGVS p.9). Wat betreft uw vrees omwille van het feit dat u in België politiek asiel aanvroeg, dient gewezen te worden op het feit dat uit de bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er tot XIV-12.444-4/10 op heden geen represaillemaatregelen konden vastgesteld worden tegenover XXX die ongeoorloofd zijn uitgereisd. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (identiteitsboekje, schooldiploma, attest opleiding verpleegkunde, verklaring arts waaruit blijkt dat u 20 jaar ervaring heeft in de gezondheidssector) wijzigen hetgeen hiervoor uiteengezet werd niet. Deze documenten bewijzen enkel uw identiteit, genoten onderwijs en professionele activiteiten, zaken die hier niet ter discussie staan. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “Eerste middel: Schending van de motiveringsverplichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De bestreden beslissingen steunen op de bewering dat de elementen aangebracht door eerste verzoeker “onvoldoende zwaarwichtig” zijn om in aanmerking genomen te worden als vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De bestreden beslissingen motiveren niet afdoende.
- Aangebrachte elementen De Commissaris-generaal neemt aan dat de gebeurtenissen die eerste verzoeker heeft aangehaald in zijn verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken als voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen niet ongeloofwaardig zijn. Immers de motivatie van de beslissingen stelt nergens het tegenovergestelde. Er zijn immers geen tegenstrijdigheden noch ongeloofwaardigheden die de verklaring van eerste verzoeker ondermijnen. De Commissaris-generaal steunt zijn beslissing enkel en alleen op het feit dat eerste verzoeker geen feiten aanbrengt die voldoende zwaarwichtig zijn om in aanmerking genomen te worden als “vervolging in de zin van de Conventie van Genève”. Eerste verzoeker brengt in zijn verklaring voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen volgende elementen aan: a. In de periode 1999 tot 2000 werd eerste verzoeker verscheidene malen opgeroepen door de H. (de geheime dienst van de XXX autoriteiten) en ondervraagd over zijn activiteiten. b. In mei 2000 kwamen agenten van de S. (K.) op het werk van eerste verzoeker en deelden hem mee dat hij beter kon stoppen met zijn activiteiten en verzochten eerste verzoeker zijn ontslag te geven als lesgever in het sportcomplex. c. De volgende dag vroeg eerste verzoeker aan zijn vriend K. die bij de S. werkte om informatie te vergaren omtrent de zaak van eerste verzoeker. Na zijn onderzoek bracht hij eerste verzoeker op de hoogte van het feit dat de S. een zwaarlijvig dossier over eerste verzoeker bezat en dat het beter was voor eerste verzoeker om XXX te verlaten. d. Midden augustus 2001, anderhalve maand nadat verzoekers asiel hadden gevraagd in België, vernam eerste verzoeker dat S., Z. en H., de drie studenten die deel uitmaakten van de groep van eerste verzoeker gearresteerd werden. e. Tevens vernam eerste verzoeker dat er een huiszoeking had plaatsgevonden bij hem thuis waarbij de brieven aan zijn broer M. en foto's van de S. werden gevonden. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen betwist deze feiten niet.
- Vervolging in de zin van de Conventie van Genève Eerste verzoeker wenst te verwijzen naar de proceduregids van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen waarin gesteld wordt dat het begrip vervolging afgeleid dient te worden uit art. 33 van het verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. XIV-12.444-5/10 Onder “vervolging” in de zin van de Conventie van Genève dient te worden verstaan “elke bedreiging van leven of vrijheid op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging”. Bovendien stelt de proceduregids van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen dat wanneer er sprake is van de bedreigingen vermeld in art. 33 van bovenvermeld verdrag er altijd sprake is van vervolging. Eerste verzoeker meent dan ook dat uit de feiten die hij heeft aangebracht (zie supra) afgeleid dient te worden dat zijn vrijheid bedreigd wordt bij een terugkeer. Immers na zijn vertrek werden 3 andere leden van zijn groep gearresteerd en werd bij hem thuis een huiszoeking verricht die ongetwijfeld nieuwe elementen aan het licht heeft gebracht omtrent de groepering van eerste verzoeker.
- Motivatie door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen Eerste verzoeker meent in tegenstelling tot het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen dat de elementen die hij aanbrengt wel degelijk zwaarwichtig genoeg zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Zoals eerder al vermeld stelt de Commissaris-generaal deze feiten niet in vraag. Verzoekers hebben immers geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd noch hebben zij ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. Uit de motivering van het Commissariaat blijkt ook niet het tegengestelde. De beslissing wordt gemotiveerd als volgt: a. “Er dient te worden vastgesteld dat de elementen die u aanbrengt onvoldoende zwaarwichtig zij om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Wat betreft uw vrees voor vervolging omwille van uw activiteiten (in casu het houden van gesprekken in kleine groep en het beïnvloeden van de jeugd via uw functie als trainer) voor de verboden oppositiebeweging "S." kan gesteld worden dat uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de monarchisten door de XXX autoriteiten niet langer beschouwd worden als een bedreiging voor de Islamitische samenleving. Dit blijkt tevens uit het feit dat de autoriteiten al sinds 1372 (1993/1994) op de hoogte waren van uw activiteiten voor de monarchistische beweging aangezien dit de reden voor uw ontslag uitmaakte, en u verder geen noemenswaardige problemen met de autoriteiten heeft gekend omwille van deze activiteiten tot in het begin van het derde jaar 1979 (mei 2000) toen enkele agenten van de S. langs kwamen op uw werk. Wat dit laatste betreft, gaat het hierbij slechts om een éénmalig incident dat niet voldoende ernstig is om effectief als een daad van systematische vervolging te worden beschouwd. U werd bovendien niet gearresteerd. Er was in feiten enkel sprake van een waarschuwing uitgaande van de S. Verder dient te worden opgemerkt dat het uiterst merkwaardig is dat de autoriteiten u op dat moment niet hebben gearresteerd temeer daar ze, volgens uw verklaring, over een sterk dossier tegen u beschikken. Eerste verzoeker wenst hierop te stellen dat hij na deze waarschuwing en het advies van zijn vriend besloot om XXX te verlaten. Eerste verzoeker heeft dit dan ook gedaan in juni
- Wanneer het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen stelt dat er geen verdere actie ondernomen werd door de XXX overheid is dit te verklaren door het feit dat eerste verzoeker XXX verliet alvorens blootgesteld te worden aan daadwerkelijke arrestatie. De “gegronde vrees voor vervolging” houdt in dat de asielzoeker elementen dient aan te brengen die er op wijzen dat zij of hij persoonlijk het slachtoffer van vervolging kan worden. De asielzoeker moet niet aantonen dat hij of zij reeds het slachtoffer was van vervolging. (BOUCKAERT, S., D'HONDT, S., NUYTS, D., PUT, G., SOMERS,E., De verblijfsregeling in Administratieve wegwijzer voor vreemdelingen, vluchtelingen en migranten, Kluwer, Antwerpen, 2001, I.2-49). De motivering van de Commissaris-generaal faalt dan ook wanneer ze stelt dat er geen sprake is van zwaarwichtige elementen die duiden op vervolging in de zin van de Conventie van Genève omdat eerste verzoeker niet gearresteerd werd door de XXX overheid. De motivering vermeldt verder: b. “Tenslotte dient te worden vastgesteld dat u nooit eerder werd gearresteerd of vastgehouden en verder geen noemenswaardige problemen heeft gekend met de XXX autoriteiten zodat ook hieruit geen aanwijzing van een systematische vervolging vanwege de autoriteiten blijkt. Het feit dat u op de hoogte gebracht werd van een XIV-12.444-6/10 dergelijke beschuldiging ten aanzien van uw persoon door een derde persoon, in casu uw vriend K., is bovendien onvoldoende als objectieve aanwijzing dat u door de XXX autoriteiten zou worden vervolgd”. Eerste verzoeker wenst hier te stellen dat “vervolging” in de zin van de Conventie van Genève niet vereist dat het gaat om “systematische vervolging gaat”. De motivering van de Commissaris -generaal is gebrekkig wanner ze stelt dat vervolging in de zin van de Conventie van Genève systematische vervolging inhoudt. c. “Uw verklaring dat het familiaal antecedent (arrestatie en ontsnapping van uw broer M. omwille van zijn monarchistische ideeën) uw vervolgingsvrees verhogen, is evenmin aannemelijk gezien, enerzijds deze feiten dateren van meer dan tien jaren geleden en , anderzijds, gezien u verklaarde dat uw familie geen noemenswaardige problemen heeft gekend naar aanleiding van zijn vlucht. Ook wat uw vrees omwille van het feit dat de autoriteiten tijdens een huiszoeking foto's van de S. en uw briefwisseling met uw broer M. gevonden hebben, kan gesteld worden dat deze kennelijk ongegrond is. Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt immers dat het bezitten van verboden materiaal, waaronder beeldmateriaal van de S., in de praktijk hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van vervolging”. Eerste verzoeker meent dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen voorbijgaat aan het feit dat de gevonden materialen ook vertrouwelijke briefwisseling bevatten met zijn broer M. die reeds werd erkend. Dat de inhoud van deze brieven kan immers niet zonder meer geplaatst worden onder de noemer verboden materiaal zoals beeldmateriaal van de S. Uit de brieven kan immers rechtstreeks afgeleid worden dat eerste verzoeker zich keert tegen de XXX autoriteiten. De motivering van de Commissaris-generaal is wederom gebrekkig aangezien ze stelt dat de brieven van eerste verzoeker louter verboden materiaal zijn dat hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete en zo totaal voorbijgaat aan de eventuele inhoud van deze brieven. d. Tenslotte wenst eerste verzoeker te stellen dat uit de motivering blijkt dat geen enkele rekening werd gehouden met het feit dat de drie andere leden van zijn groep reeds gearresteerd werden door de XXX autoriteiten. De motivering vermeldt dan ook niets omtrent deze aanhouding. Eerste verzoeker meent dan ook gelet op het feit dat dit een van de belangrijkste elementen is die hij voorbrengt ter staving van zijn gegronde vrees, dat de motivering faalt aangezien ze hieromtrent niets stelt. De motivering van de beslissing faalt dan ook op dit punt omdat er door de Commissaris-generaal geen gewag wordt gemaakt in zijn motivering omtrent de aanhouding van de andere drie leden van de verboden groep van eerste verzoeker.”; 2.1.2.
- Overwegende dat de beide verzoekende partijen zich beperken tot de onwettigheid van de beslissing genomen voor de eerste verzoekende partij; dat de verzoekende partijen de schending inroepen van de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partijen wijzen op het feit dat de uiteenzettingen “geen tegenstrijdigheden noch ongeloofwaardigheden” bevatten; dat de verzoekende partijen zich baseren (onder de titel vervolging in de zin van de Conventie van Genève) op de proceduregids van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen en artikel 33 van de Vluchtelingenconventie om aan te tonen “dat uit de feiten (...) afgeleid dient te worden dat zijn vrijheid bedreigd wordt bij een terugkeer”; dat “de motivering van de Commissaris-generaal” faalt omdat er volgens de bestreden beslissing geen sprake is van zwaarwichtige elementen, XIV-12.444-7/10 omdat de Conventie van Genève over “vervolging” en niet over “systematische vervolging” spreekt, omdat de beslissing stelt “dat de brieven van verzoeker louter verboden materiaal zijn dat hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete en zo totaal voorbijgaat aan de eventuele inhoud van de brieven” en omdat de bestreden beslissing niets vermeldt over “de drie andere leden van zijn groep” die “reeds gearresteerd werden door de XXX autoriteiten” 2.1.2.
- Overwegende dat verklaringen die geen ongeloofwaardigheden, noch tegenstrijdigheden bevatten, op grond van artikel 52 § 2 van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard kunnen worden wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er ernstige aanwijzingen bestaan van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient; dat een schending van de proceduregids op zich niet volstaat om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te leiden; dat artikel 33 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat de motivering als één geheel dient te worden aanzien, zonder dat vereist is dat ieder element afzonderlijk de bestreden beslissing kan dragen; dat de bestreden beslissing niet alleen vermeldt dat de verzoekende partijen gevlucht zijn op aangeven van een vriend, maar ook dat de XXX autoriteiten de monarchisten niet langer beschouwen als een bedreiging voor de Islamitische samenleving en dat de waarschuwing van de vriend onvoldoende is als objectieve aanwijzing voor de vervolging door de XXX autoriteiten; dat de verzoekende partijen niet kunnen aantonen dat er gegevens in het dossier voorhanden zijn die onverenigbaar zijn met de vaststelling dat de verzoekende partijen geen gevaar lopen op vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat de bestreden beslissing de Conventie van Genève niet miskent wanneer er wordt gesproken over “systematische vervolging” in plaats van “vervolging”; dat het al dan niet systematisch karakter van de vervolging, alhoewel op zichzelf niet determinerend, mee in aanmerking kan worden genomen om over de gegrondheid van de vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te oordelen”; dat uit zijn verklaringen alleen blijkt dat de eerste verzoekende partij omwille van zijn politieke opvatting ontslagen is in 1994 en dat hij van de agenten de mededeling kreeg om te stoppen met het beïnvloeden van de jeugd; dat de verzoekende partijen in algemene en vage bewoordingen stellen dat de inhoud van de brieven niet gelijk kan gesteld worden met het beeldmateriaal van de S. omdat hieruit rechtstreeks kan afgeleid worden dat de eerste verzoekende partij zich keert tegen de XXX autoriteiten; dat de verzoekende partijen niet concreet uiteenzetten wat er in die brieven staat en waarom de brieven een groter verzet tegen de XXX autoriteiten vormen dan de verboden foto’s van de S.; dat in het feitenrelaas van de bestreden beslissing wel melding wordt gemaakt van de arrestatie van de drie studenten en het gebrek aan nieuws over het lot van deze drie studenten; dat op pagina 6 van het gehoorverslag te lezen staat dat verzoeker denkt dat ze opgepakt zijn; dat de verzoekende partij dus niet weet wat er met de drie studenten gebeurd is; dat het lot van de drie studenten geen element is dat onverenigbaar is met de vaststelling van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, temeer omdat de vervolging in de zin van de XIV-12.444-8/10 Vluchtelingenconventie een persoonsgerichte vervolging moet zijn en niet uit het dossier blijkt waarom ze opgepakt zijn; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden beslissingen kennelijk onredelijk zijn, de gegevens van het dossier miskennen of op onjuiste feitelijke gegevens gebaseerd zijn; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “Tweede middel: Schending van artikel 52 par. 1 van de Wet van 15.12.1980 en schending van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie van Genève. De bestreden beslissing stelt dat de elementen die eerste verzoeker onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Eerste verzoeker meent dat de Commissaris-generaal in zij beslissing art.52 par.1 schendt doordat hij de elementen die eerste verzoeker aanbrengt kwalificeert als niet zwaarwichtig genoeg om in aanmerking te komen als “vervolging” in de zin van de Conventie van Genève. Immers uit de motivering van de Commissaris -generaal wordt geen rekening gehouden met zeer belangrijke elementen zoals de aanhouding van de drie andere leden van de groep van eerste verzoeker. Eerste verzoeker meent dat dit een belangrijk element in zijn asielaanvraag aangezien dit duidt op een bedreiging van zijn vrijheid op grond van zijn politieke overtuiging. Een criterium dat vereist is om te ressorteren onder de Conventie van Genève. Eerste verzoeker is dan ook van mening dat de Commissaris-generaal ten onrechte besloten heeft dat er geen sprake is van een gegronde vrees van vervolging omdat er geen elementen worden aangebracht die voldoende zwaarwichtig zijn om in aanmerking te kunnen genomen worden als vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Eerste verzoeker wenst te verwijzen naar een arrest van de Raad Van State dd. 2 maart
- In het stadium van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt niet vereist dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling “overtuigend zijn” Er wordt alleen vereist dat zijn relaas voldoende bestendig en samenhangend is om de feiten die hij aanvoert en die een ernstige aanwijzing moeten zijn van zijn vrees voor vervolging, de geloofwaardigheid te bieden die de Commissaris-generaal moet beoordelen. (R.v.St. nr. 79.046, 2 maart 1999, A.P.M 1999 (samenvatting), 58) Uit het bovenstaande blijkt dat de Commissaris-generaal onterecht besloten heeft dat er geen vermoeden bestaat van een gegronde vrees voor vervolging in hoofde van eerste verzoeker.”; 2.2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen de schending inroepen van artikel 52, § 1 van de Vreemdelingenwet en artikel 1 van de Vluchtelingenconventie; dat in de bestreden beslissing volgens verzoekers “geen rekening wordt gehouden met zeer belangrijke elementen zoals de aanhouding van de drie andere leden van de groep van eerste verzoeker”, in de ontvankelijkheidsfase niet vereist is dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling overtuigend zijn”, “De Commissaris-generaal (heeft) onterecht besloten (...) dat er geen vermoeden bestaat van gegronde vrees voor vervolging in hoofde van eerste verzoeker”; 2.2.2.
- Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de bevoegde overheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat, zoals bij de bespreking van het eerste middel werd aangetoond, de bestreden beslissing in het feitenrelaas wel degelijk rekening heeft gehouden met de aanhouding van de drie XIV-12.444-9/10 studenten; dat het arrest waarnaar de verzoekende partijen verwijzen de eis behandelt van een voldoende bestendig en samenhangend relaas om geloof te hechten aan de verklaringen van de asielzoeker; dat de bestreden beslissing de asielaanvraag heeft afgewezen wegens het kennelijk ongegrond zijn van de asielaanvraag en niet wegens een gebrek aan samenhang; dat bij de bespreking van het eerste middel reeds voldoende werd uiteengezet dat verzoekers niet aannemelijk maken daadwerkelijk een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te koesteren; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.444-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.