← België

Arrest 145733 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.733 Rolnummer: A. 135525/XIV-14679 Zaak: Arrest 145733 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:36 Fiche Arrest nr 145.733 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.733 van 9 juni 2005 in de zaak A. 135.525/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. BELDERBOSCH, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 15 B, bus 10 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 16 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-14.679-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT die, loco Advocaat R. BELDERBOSCH verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, komt in België binnen op 19 december 2000 waar zij zich op 21 december 2000 vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 24 juli 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, alsook een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 11 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u geboren in Azerbeidjan en van Armeense origine. U bent gehuwd met M. A.. Na de genocide op 28 februari 1988 in Sumgait werd Chardakhlu – het dorp waar u reeds sinds uw geboorte leefde – omsingeld door moslims, omdat er meer dan 1000 Armeense gezinnen woonden in uw dorp. In november 1988 vluchtte u met uw man en uw zoon M. S. met de wagen naar Yerevan. Onderweg werd uw wagen in Arstafa beschoten door moslims, maar u slaagde u er toch in veilig in Yerevan aan te komen op 15 november
  6. Begin jaren 1990 richtte uw man daar samen met een vriend van hem, M. H., een comité op voor Armeense vluchtelingen uit Azerbeidzjan. U kende geen problemen in Armenië tot uw man op 31 oktober 2000 als vertegenwoordiger van dit comité een interview gaf op de Armeense televisie. Gevraagd naar zijn visie op de situatie in Nagorny-Karabach, antwoordde uw man dat volgens hem de enige oplossing er in bestond Nagorny-Karabach als neutraal gebied te laten blijven bestaan binnen het grondgebied van Azerbeidzjan. Diezelfde avond kreeg u rond 1.00u thuis het bezoek van 3 agenten, die u beledigden omdat u een moslim (uw man) had meegenomen uit Azerbeidzjan en omdat uw man dan ook nog beweerde dat Nagorny-Karabach moest teruggegeven worden aan Azerbeidzjan. Ze beschuldigden u van spionage, sloegen u en bonden uw man vast aan de radiator. Toen u ontkende dat uw man een moslim was, trokken ze zijn broek naar beneden om te laten zien dat hij besneden was. Daarna werd XIV-14.679-2/8 u nog verkracht voor de ogen van uw man. De politie nam u vervolgens mee naar het politiebureau van Shamounjan waar u allebei in een aparte cel werd vastgehouden tot 4 november
  7. Toen kon u met de hulp van een nachtwaker, die was omgekocht door M. H., ontsnappen, maar moest u wel uw paspoorten achterlaten. Daarop nam M. u, uw man en uw zoon S. mee naar Kazakh in Azerbeidzjan, waar u ondergedoken leefde bij een vriend Sasha. Op dat ogenblik werden in Azerbeidzjan nieuwe paspoorten uitgereikt en moest iedereen zijn oude paspoort inleveren voor 31 december
  8. In het kader van deze inruiloperatie kwam de politie bij u langs en hoorde toen dat uw kleinkinderen Armeens spraken. Daarop wilden zij u meenemen, maar na het betalen van smeergeld en de belofte van Sasha aan de politie dat jullie binnen de twee dagen Azerbeidzjan zouden verlaten, is de politie toch weggegaan. Kort daarna verliet u Azerbeidzjan om op 19 december 2000 in België aan te komen, waar u op 21 december 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw geboorteakte. B. Motivering Met betrekking tot de door u aangehaalde problemen in Armenië (waar u van 1988 tot 2000 verbleef) dient opgemerkt te worden dat uw verklaringen als zouden u en uw man anno 2000 tengevolge het ontdekken van de Azerische origine van uw man het slachtoffer geworden zijn van ernstige vormen van vervolging (beledigingen, verkrachting, slagen en opsluiting) niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd. Uit deze informatie blijkt immers dat sedert enkele jaren gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolgingen in de zin van de Vluchtelingenconventie. Bijgevolg kan aan uw verklaringen over dergelijke zwaarwichtige vervolging omwille van de Azerische origine van uw man anno 2000 geen geloof worden gehecht. Verder dient te worden opgemerkt dat uit informatie beschikbaar op het Commissariaat- generaal en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de situatie in Azerbeidzjan grondig gewijzigd is, sedert u in 1990 Chardakhlu heeft verlaten. Zo blijkt uit deze bronnen immers dat, alhoewel er tijdens het Armeens- Azerisch conflict (1988-1994) aanvallen waren op etnisch Armenen, er de laatste jaren geen sprake meer is van een ernstige en systematische vervolging ten opzichte van personen van Armeense origine. Ondanks het feit dat er in de beschikbare informatie melding wordt gemaakt van individuele feiten van discriminatie (in huisvesting, tewerkstelling, enz.), wordt door diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse formeel ontkend dat daden van vervolging omwille van etnische motieven actueel tegen Armenen in Azerbeidzjan worden gericht. Aldus kunnen we concluderen dat de actuele situatie in Azerbeidzjan niet van die aard is dat u er nu nog een gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève, kan koesteren omwille van uw etniciteit. Wat betreft de problemen die u nog aanhaalt met betrekking tot de identiteitscontrole eind november -begin december 2000 in Kazakh (Azerbeidjan) dient te worden vastgesteld dat deze problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te getuigen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Vooreerst stelt u zelf dat u na uw terugkeer naar Azerbeidzjan niet meer geprobeerd hebt een nieuwe registratie te bekomen in Azerbeidzjan of een nieuw paspoort. Uw verklaring hiervoor dat u van Armeense origine bent is niet afdoende en is eveneens niet in overeenstemming met de in de vorige alinea opgesomde informatie. Tot slot dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen in het kader van uw asielaanvraag blijkt dat u in 1947 geboren bent en tot 1988 in Azerbeidjan woonde. Van 1955 tot 1963 liep u school in uw dorp, daarna huwde u met een Azeri en werkte van 1971 tot 1988 in het ziekenhuis van het dorp als verpleegster bij tandartsen (aanvullende vragenlijst, bijlage 3). Rekening houdend hiermee kan gesteld worden dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal als zou u de taal van uw land van herkomst niet spreken totaal ongeloofwaardig is (CGVS, p.5). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uw geboorteakte is niet van die aard dat ze afbreuk kan doen aan deze vaststellingen aangezien het enkel indentiteitsgegevens bevat doch geen informatie verschaft met betrekking tot de door u aangehaalde problemen. XIV-14.679-3/8 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  10. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. Schending van art. 62, 1ste lid van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen: “De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed...”. De bestreden beslissing wordt vooreerst gemotiveerd door de overweging dat m.b.t. de door verzoekster aangehaalde problemen in Armenië, waar ze van 1988 tot 2000 verbleef, zou dienen opgemerkt te worden dat haar verklaringen als zouden zij en haar man anno 2000 ten gevolge van het ontdekken van de Azerische origine van haar man het slachtoffer geworden zijn van ernstige vormen van vervolging (beledigingen, verkrachting, slagen en opsluiting) niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd, dat m.n. uit deze informatie blijkt dat sedert enkele jaren gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolgingen in de zin van de Vluchtelingenconventie, dat bijgevolg aan haar verklaringen over dergelijke zwaarwichtige vervolging omwille van de Azerische origine van haar man anno 2000 geen geloof zou kunnen worden gehecht. Verzoekster brengt hiertegen in dat elke asielaanvraag op haar eigen merites dient te worden beschouwd, en dat niet uit algemene informatie over de toestand in een bepaald land kan worden afgeleid dat een particulier asielrelaas van een individuele asielzoeker ongegrond moet zijn, dat het eerder zo is dat een algemeen beeld over een bepaald land tot stand komt door de som van individuele verhalen, zodat niet omgekeerd aan een individueel verhaal alle geloof moet worden ontzegd enkel omdat algemene informatie over een bepaald land in tegenstrijd schijnt te zijn met het individueel verhaal. Overigens maken de geciteerde bronnen, aanwezig in het administratief dossier, enkel gewag van koppels met een Armeense man en een Azeri-vrouw, en blijkbaar nooit van de omgekeerde situatie, m.n. een Azeri-man met een Armeense vrouw, zoals in het geval van verzoekster. Verzoekster werpt verder op dat de in het dossier aanwezige bronnen er van getuigen dat Azeri's normaal gezien geen problemen hebben, maar dat ze wel problemen zouden hebben indien ze hun etnische identiteit actief zouden uitdrukken: “The UNCR was not aware of attacks by the authorities. The UNHCR felt that the Azeri did not really have any problems but might do so if they actively express their ethnic identity” (Cedoca- informatie, p. 2). Verzoekster stipt aan haar echtgenoot nu precies wél actief zijn etnische identiteit naar voren heeft gebracht, vermits hij op de Armeense televisie in een interview naar voor bracht dat de enige oplossing er in bestond Nagorno-Karabach als neutraal gebied te laten blijven bestaan binnen het grondgebied van Azerbaidzjan, wat door de Armeense XIV-14.679-4/8 bevolking duidelijk werd begrepen als de stelling dat Nagorno-Karabach onderdeel zou moeten blijven van Azerbaidzjan, of terug zou moeten worden. Een gewelddadige reactie van de Armeniërs, m.n. van Armeense ordehandhavers, is dus zeer aannemelijk. De bestreden beslissing wordt verder gemotiveerd door de overweging dat zou dienen te worden opgemerkt dat uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal, en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, zou blijken dat de situatie in Azerbaidzjan grondig gewijzigd is, sedert verzoekster in 1990 Chardaklu heeft verlaten, en dat uit deze bronnen blijkt dat, hoewel er tijdens het Armeens-Azerisch conflict (1988-1994) aanvallen waren op etnisch Armenen, er de laatste jaren geen sprake meer is van een ernstige en systematische vervolging ten opzichte van personen van Armeense origine, dat ondanks het feit dat er in de beschikbare informatie melding wordt gemaakt van individuele feiten van discriminatie (in huisvesting, tewerkstelling, enz.), door diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse formeel ontkend wordt dat daden van vervolging omwille van etnische motieven actueel tegen Armenen in Azerbaidzjan zouden worden gericht, dat aldus de Commissaris-generaal zou kunnen concluderen dat de actuele situatie in Azerbaidzjan niet van die aard is dat verzoekster er nu nog gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève, kan koesteren omwille van haar etniciteit. De bestreden beslissing wordt ook nog gemotiveerd door de overweging dat wat betreft de problemen die verzoekster nog aanhaalt m.b.t. de identiteitscontrole eind november- begin december 2000 in Kazakh (Azerbaidzjan), er zou dienen te worden vastgesteld dat deze problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te getuigen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, dat verzoekster vooreerst stelt dat zij na haar terugkeer naar Azerbaidzjan niet meer geprobeerd heeft een nieuwe registratie te bekomen in Azerbaidzjan of een nieuw paspoort, dat haar verklaring hiervoor dat zij van Armeense origine is niet afdoende is, en niet in overeenstemming is met de in vorige alinea opgesomde informatie. Verzoekster brengt hiertegen in dat men opnieuw niet enkel op basis van algemene informatie over een bepaald land mag besluiten dat een particulier asielverhaal niet geloofwaardig zou zijn, dat er in haar geval wel degelijk sprake van is geweest dat de politie in Azerbaidzjan een negatieve houding heeft aangenomen tegenover verzoekster omwille van haar Armeense origine, wat misschien te maken had met het feit dat verzoekster niet alleen Armeens was, maar ook als Armeniër legaal in Azerbaidzjan verbleef. De bestreden beslissing wordt tot slot gemotiveerd door de opmerking dat uit de verklaringen van verzoekster in het kader van haar asielaanvraag zou blijken dat zij in 1947 geboren is en tot 1988 in Azerbaidzjan woonde, dat zij van 1955 tot 1963 school liep in haar dorp, daarna huwde met een Azeri en werkte van 1971 tot 1988 in het ziekenhuis van het dorp als verpleegster bij tandartsen, dat hiermee rekening houdend zou kunnen gesteld worden dat haar verklaringen voor het Commissariaat-generaal als zou zij de taal van haar land van herkomst niet spreken totaal ongeloofwaardig zou zijn. Verzoekster brengt hiertegen in dat zij in Azerbaidzjan school heeft gelopen in een school voor Armeniërs, waar Armeens en Russisch werd gesproken, dat in het hospitaal waar zij gewerkt heeft men Russisch sprak, wat helemaal niet ongebruikelijk was in de tijd van de Sovjet-Unie, en dat het daarom volledig geloofwaardig is dat zij inderdaad de Azerbaidzjaanse taal niet machtig is. Gezien aldus de bestreden beslissing enkel op grond van vermeende kennis over de algemene situatie in Azerbaidzjan en Armenië onterecht tot het besluit komt dat het asielverhaal van verzoekster ongeloofwaardig zou zijn, en gezien verzoekster anderzijds een volkomen samenhangend en gedetailleerd verhaal naar voor brengt, waarbij het enige element dat als ongeloofwaardig wordt aangestipt, m.n. dat zij geen Azerbaidzjaans machtig is, integendeel in het kader van de situatie in de toenmalige USSR volkomen plausibel is, is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd.”; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoekster de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt haar asielaanvraag te hebben verworpen op basis van “algemene informatie”; dat verzoekster erop dient gewezen dat geen enkele wetsbepaling de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verbiedt om, in het kader van XIV-14.679-5/8 de behandeling van een asielaanvraag, informatie in te winnen betreffende de algemene toestand in het land van herkomst van de kandidaat-vluchteling; dat het getuigt van behoorlijk bestuur dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich documenteert over het land van herkomst om zorgvuldig te kunnen onderzoeken of een asielzoeker al dan niet in aanmerking komt om erkend te worden; 2.2.
  12. Overwegende dat, met betrekking tot de situatie in Armenië verzoekster aanvoert dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gehanteerde rapporten betrekking hebben op gemengde koppels waarbij de man Armeniër is en de vrouw een etnisch Azerische afkomst heeft, terwijl in haar situatie het omgekeerde geldt; dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag bedrieglijk of kennelijk ongegrond te verklaren wanneer tegenstrijdigheden voorhanden zijn, of wanneer de verklaringen van de verzoeker verward of onsamenhangend zijn, of wanneer het relaas van de verzoeker niet strookt met de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing in eerste instantie stelt dat uit de informatie waarover hij beschikt blijkt dat “sedert enkele jaren gemengde koppels in Armenië niet langer het slachtoffer zijn van geweld of vervolgingen in de zin van de Vluchtelingenconventie”; dat de door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gebruikte informatie in zodanig algemene termen opgesteld is dat het onderscheid dat door verzoekster wordt gemaakt betreffende het feit of de man dan wel de vrouw een etnisch Azerische afkomst heeft, niet relevant is; dat verzoekster niet aantoont dat de vaststellingen en overwegingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zijn, noch dat de informatie waarop hij zich baseert, onjuist is of dat haar persoonlijke situatie verschilt van hetgeen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afleidt uit de door hem gebruikte informatie; dat waar verzoekster verwijst naar de stelling van het UNHCR, “that the Azeris dit not really have any problems but might do so if the actively expressed their ethnic identity”, waarbij verzoekster stelt dat dit net het geval was, aangezien haar echtgenoot tijdens een interview op de Armeense televisie zijn mening gaf over Nagorno- Karabach, dient opgemerkt dat het hier slechts gaat om de mening van één van de door Cedoca geraadpleegde instanties, terwijl de overige zes instanties alle eensluidend tot dezelfde conclusie komen, met name dat er in Armenië heden geen sprake meer is van discriminatie of geweld ten overstaan van etnische Azeri; dat bovendien erop kan worden gewezen dat de stelling van het UNHCR zeer vaag en hypothetisch geformuleerd is; dat verzoekster niet aantoont dat de overwegingen die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afleidt uit het geheel van de door hem geconsulteerde informatie kennelijk onredelijk zijn, temeer daar van een kandidaat-vluchteling wordt XIV-14.679-6/8 verwacht dat deze met voldoende concrete gegevens een gegronde vrees voor vervolging aantoont; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoekster ingaat op de opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die het ongeloofwaardig vindt dat verzoekster de taal van haar land van herkomst niet machtig is, ondanks het feit dat zij vanaf haar geboorte in 1947 tot in 1988 in Azerbeidjan heeft gewoond; dat verzoekster hieromtrent stelt dat zij in Azerbeidjan naar een school ging voor Armeniërs, waar Armeens en Russisch werd gesproken; dat men ook Russisch sprak in het hospitaal waar zij heeft gewerkt, hetgeen volgens verzoekster “helemaal niet ongebruikelijk was in de tijd van de Sovjetunie”; dat deze uitleg van verzoekster, die overigens slechts bestaat uit ongefundeerde beweringen, echter geen afbreuk doet aan de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het “ongeloofwaardig” is dat verzoekster geen Azerisch spreekt, ondanks het feit dat zij meer dan veertig jaar in Azerbeidjan heeft gewoond; dat, zelfs indien verzoekster naar een school is gegaan en in een ziekenhuis heeft gewerkt waar geen Azerisch werd gesproken, het niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat men toch wel een zekere kennis van het Azerisch dient te hebben, indien men meer dan veertig jaar heeft gewoond in een land waar dit de voertaal is; dat verzoekster erop dient te worden gewezen dat het hier een afrondende opmerking betreft vanwege de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, doch niet het doorslaggevend motief van de bestreden beslissing; 2.2.
  14. Overwegende dat de bestreden beslissing voldoende feitelijk en rechtens relevante elementen blijkt te bevatten opdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid zou kunnen besluiten tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekster; dat verzoekster het tegenovergestelde alleszins niet aannemelijk maakt; dat het enig middel niet gegrond is;
  15. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. XIV-14.679-7/8 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.679-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.733 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.