← België

Arrest 145757 - - 09/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.757 Rolnummer: A. 92974/IX-2430 Zaak: Arrest 145757 - - 09/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 17:37 Fiche Arrest nr 145.757 van 9 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Verwijzing naar alg.rol Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.757 van 9 juni 2005 in de zaak A. 92.974/XII-

  1. (92.974/IX-2430.) In zake : Paul BLONDEEL, die woonplaats kiest bij advocaten G. Verdeyen en D. De Maeseneer, kantoor houdende te Brussel, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. Hofströssler, B. Schutyser en K. Lemmens, kantoor houdende te Brussel, Goedheidstraat 5-
  2. tussenkomende partij: Luc Van Hoogenbemt, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. Gerard, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul Blondeel op 26 juni 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 27 april 2000 waarbij Luc Van Hoogenbemt benoemd wordt tot raadsheer in het Hof van Cassatie; Gelet op het arrest nr. 133.391van 30 juni 2004 van de IXe Kamer waarbij het tweede middel van verzoeker, aangevoerd tegen het voornoemde besluit, niet gegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het bevoegde lid van het auditoraat belast wordt om de zaak volledig af te doen; Gezien het op 14 april 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij Paul Blondeel, verzoeker, de wraking vordert van kamervoorzitter J. De Brabandere en staatsraden L. Hellin en A. Vandendriessche; XII-4449-1/8 Gelet op artikel 29 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de artikelen 61 tot 65 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien de nota met opmerkingen van kamervoorzitter J. De Brabandere en staatsraden L. Hellin en A. Vandendriessche, aangaande het verzoekschrift tot wraking; Gelet op de oproeping van de betrokkenen om voor de XIIe Kamer te verschijnen op 7 juni 2005 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Lambrecht, die loco advocaten G. Verdeyen en D. De Maeseneer verschijnt voor verzoeker, van advocaat K. Lemmens, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker stelt dat hij begin april 2005 kennis kreeg van de beschikking van de voorzitter van de IXe kamer van de Raad van State waarbij werd beslist dat de zaak zou worden behandeld op de zitting van 25 april 2005, dat hij alsdan eerst heeft kunnen vaststellen dat de beschikking was ondertekend door de voorzitter die de IXe Kamer voorzat tijdens de rechtspleging die aanleiding gaf tot het tussenarrest van 30 juni 2004, hieruit afleidde dat de samenstelling van de IXe Kamer dezelfde zou zijn als diegene die heeft geoordeeld in het voormelde tussenarrest en besluit dat aldus het wrakingsverzoek geformuleerd is van zodra hij van de wrakingsgrond kennis heeft gehad; XII-4449-2/8 Overwegende dat verzoeker vier wrakingsgronden aanvoert : - “de gewettigde verdenking” (Gerechtelijk Wetboek, artikel 828, 1/); - “de staatsraden hebben van het geschil reeds vroeger kennis genomen zowel als erover geschreven” (Gerechtelijk Wetboek, artikel 828, 9/); - “hoge graad van vijandschap” (Gerechtelijk Wetboek, artikel 828, 12/) - “schending van artikel 6.1 EVRM jo. Artikel 6.1 en 6.2 van het Verdrag van 07 februari 1992 inzake de Europese Unie”; Overwegende, wat de wrakingsgrond van de gewettigde verdenking betreft, dat verzoeker daarbij betoogt dat hij in het voorliggende geval mag veronderstellen dat de gewraakte rechters niet in staat zijn verder op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen en daartoe als volgt argumenten put uit het voormelde tussenarrest van 30 juni 2004 : “
  4. Immers bij arrest van 30 juni 2004 heeft de negende kamer van de Raad van State het tweede door verzoeker aangevoerde middel niet gegrond bevonden. Hierbij werd op opmerkelijke wijze ingegaan tegen het verslag van de eerste auditeur-afdelingshoofd, die het middel in een kort consistent betoog gegrond achtte. Het tussenarrest overweegt in wezen : - dat de verplichting om de titels en verdiensten van kandidaten te vergelijken geldt voor alle benoemingen en bevorderingen naar keuze tot een openbaar ambt, ter wille van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; - dat uit het benoemingsbesluit of uit het administratief dossier moet kunnen blijken dat die vergelijking heeft plaats gehad. Het arrest stelt vervolgens vast dat het benoemingsbesluit niet anders is gemotiveerd dan met de gegevens dat de benoemde kandidaat voldoet aan de benoemings- en taalvoorwaarden, dat hij tweemaal ‘als eerste’ kandidaat werd voorgedragen en dat die voordrachten blijkbaar verantwoord zijn door de persoonlijke kwaliteiten van de betrokkene. Met andere woorden : de negende kamer stelt vast dat er geen enkel spoor is van vergelijking van de verdiensten in het hele administratieve dossier. Ondanks de premissen wordt het tweede middel, dat het gemis aan die vergelijking aanvoert, vervolgens zonder enige relevante motivering verworpen.
  5. Het arrest slaat acht op alle door de partijen ingediende memories, maar niet op de ‘repliek op memorie na tussenkomst’ die door verzoeker op 14 mei 2004 werd neergelegd, ruim voor de behandeling van de zaak. Er wordt nadrukkelijk niet geantwoord op de ontwikkeling van het tweede middel van verzoeker. Het arrest verwijst naar het betoog van de advocaat van de tegenpartij op de terechtzitting -dat bijgevallen wordt-, maar niet naar het betoog van de advocaat van verzoeker. Het administratief dossier bevat amper vier stukken en het enige dat voor verzoeker van belang is, een brief van de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en woordelijk ingaat tegen hetgeen de negende kamer oordeelt, wordt inhoudelijk zelfs niet weergegeven in het arrest. Om de eenvoudige reden dat het oordeel over het tweede middel dan niet meer houdbaar is. XII-4449-3/8
  6. Trouwens acht verzoeker om die redenen zijn recht van verdediging, zijn grondwettelijk recht en zijn verdragsrechtelijk recht op gelijke proces- behandeling (artikel 6.1 en 6.2 van het Verdrag van 07 februari 1992 betreffende de Europese Unie) geschonden. Die verdragsartikelen, die in de Belgische rechtsorde zijn ingevoerd, maken de algemene beginselen van het communautair recht, waaronder het EVRM, toepasselijk in België. De bedoelde artikelen zijn dus wel degelijk gericht tot de Lid-Staten : de ‘Europese Unie’ bestaat trouwens als zodanig niet bij gemis aan rechts- persoonlijkheid. Reden waarom verzoeker in zijn memorie na het aanvullende auditoraats- verslag verzocht heeft om intrekking van het tussenarrest.”; Overwegende, wat het argument betreft dat het tussenarrest is gewezen op andersluidend advies van het auditoraat, dat het auditoraat niet op beslissende wijze het arrest betreffende het beroep tot nietigverklaring bepaalt; dat dienvolgens uit het feit dat het arrest de optie in het verslag of het advies van het auditoraat niet volgt, geen gevolgtrekkingen mogen worden afgeleid betreffende de aangewreven verdenking van de leden van de Raad van State die het daaropvolgend arrest wijzen; dat luidens artikel 34 van het voormelde regentsbesluit in het arrest wordt vermeld “of het advies van het verslaggevend lid van het auditoraat al dan niet overeenstemt met [...] het arrest” en de procedureregeling dus in beide mogelijk- heden voorziet; Overwegende, wat de argumenten betreft die geput worden uit de wijze waarop in het tussenarrest is geoordeeld over het tweede middel, het daarbij de stukken, geschriften en gezegden van partijen al dan niet in de beoordeling heeft betrokken, en mogelijkerwijze daarbij de artikelen 6.1 en 6.2 van het voormelde verdrag van 7 februari 1992 zou hebben geschonden, dat verzoeker daarmee niet op concrete wijze uiteenzet hoe de leden van de negende kamer niet meer in staat zijn op een onafhankelijke en onpartijdigheid wijze uitspraak te doen maar in wezen een tweede behandeling van het betrokken middel vragen; dat het echter niet aan de Kamer van de Raad van State die oordeelt over een wrakingsverzoek toekomt op de aangevoerde gronden het onderzoek van dat middel over te doen of de behandeling ervan in strijd met verdragsbepalingen te bevinden, zelfs op gevaar af het gezag van gewijsde van dat arrest te schenden; dat dienvolgens ook uit die argumenten geen gewettigde verdenking kan blijken; dat aldus de eerste wrakingsgrond niet wordt aangenomen; XII-4449-4/8 Overwegende, wat de tweede wrakingsgrond betreft, dat verzoeker deze als volgt nader uiteenzet : “
  7. Bij de behandeling van het tweede middel, dat de negende kamer verwerpt, hebben de staatsraden in de eigenlijke zeer korte behandeling van het middel niettemin in zijdelingse beschouwingen een dermate verregaand standpunt ingenomen, dat ze in wezen reeds over het hele geschil hebben geschreven. In dit opzicht is bijzonder relevant dat in het aanvullende auditoraatsverslag, bij de bespreking van de resterende middelen, voortdurend wordt verwezen naar het tussenarrest, waarin volgens het verslag zelf reeds is uitspraak gedaan in een bepaalde zin. De negende kamer heeft zich duidelijk reeds een opinie gevormd en die opinie is actueel voor de resterende zaak : hetgeen reeds afgedaan is een essentieel en beslissend element voor het resterende dat slechts een voortzetting inhoudt van het reeds besliste. ”; Overwegende dat krachtens artikel 24, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten op de Raad van State, het verslag van het auditoraat zich in voorkomend geval kan beperkten tot het middel ten gronde dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt; dat in zulk geval de afdeling administratie uitspraak doet bij wege van arrest over de conclusies van het verslag; dat te dezen het auditoraatsverslag beperkt was tot de bespreking van het tweede middel zodat de IXe Kamer zich bij toepassing van de voormelde bepaling enkel daarover heeft uitgesproken en mocht uitspreken; dat deze procedurele situatie niet kan worden ingepast in de wrakingsgrond van artikel 828, 9/, van het Gerechtelijk Wetboek aangezien zij niet gelijkstaat met “vroeger” reeds kennis hebben genomen van of hebben geschreven over het geschil; dat het betrokken tussenarrest immers slechts een eerste onderdeel is van een nog niet voltooide procedure waarbij nog over de andere annulatiemiddelen uitspraak moet worden gedaan; dat de tweede wrakingsgrond niet wordt aangenomen; Overwegende, wat de wrakingsgrond van de “hoge graad van vijandschap” betreft, dat verzoeker deze als volgt nader verwoordt : “
  8. Deze wrakingsgrond beoogt de toestand waarbij een rechtszoekende het gevoel kan krijgen van rechtstreekse of onrechtsreekse vijandigheid in hoofde van de rechters. Het verband met artikel 6.
  9. EVRM ligt hierbij voor de hand : justice must also be seen tot be done.
  10. Wanneer verzoeker dan vaststelt : - dat zijn bovenvermelde repliek niet ter beantwoording in aanmerking wordt genomen, dan wanneer verdragsrechtelijke bepalingen hiertoe nopen, XII-4449-5/8 - dat een objectief administratief document dat indruist tegen wat de negende kamer poneert inzake ‘uitgedrukte voorkeur’, opvallend niet wordt vermeld, - dat de staatsraden in de plaats treden van de voordragende instanties en tegen hun uitgedrukte mening in beslissen hoe hun voordrachten moeten worden begrepen, - dat een consistent auditoraatsverslag eenvoudig wordt terzijde geschoven; - dat het geheel van die benadering vereist is om verzoeker te kunnen afwijzen, kan zulks alleen maar worden verklaard vanuit aanwezige hoge vijandigheid tegenover verzoeker.”; Overwegende dat verzoeker aldus, zoals bij de voorgaande twee wrakingsgronden, refereert aan de inhoud van het tussenarrest en de wijze waarop het tweede middel is behandeld; dat bij de bespreking van de voormelde wrakings- gronden is vastgesteld dat uit verzoekers daaromtrent aangebrachte grieven die wrakingsgronden niet konden worden afgeleid; dat daaruit volgt dat de Kamer die over de wraking moet oordelen, uit die -gelijkaardige- argumenten niet kan en mag afleiden dat de bedoelde vijandigheid aanwezig is dan wel of ze in de vereiste “hoge graad” aanwezig is; dat een dergelijke vijandigheid in elk geval niet mag worden afgeleid louter uit het feit dat rechters zoals te dezen de standpunten van een verzoeker niet zijn bijgevallen; dat de wrakingsgrond niet blijkt; Overwegende, wat de vierde wrakingsgrond betreft, dat verzoeker deze als volgt uiteenzet : “
  11. Het beginsel van het recht op een onpartijdige rechter behoort tot de algemene beginselen van het Gemeenschaprecht. Het communautaire recht primeert op het nationale recht, net als het internationale recht, waartoe het verdrag van 07 februari 1992 behoort en dat in België uitwerking kreeg. In de mate artikel 828 Gerechtelijk Wetboek, met zijn limitatieve opsomming, zou geacht worden in de weg te staan aan het inroepen van de algemene wrakingsgrond geput uit de schending van de geciteerde verdragsartikelen en beginselen van het Communautaire recht, mag het niet worden toegepast. Hij betoogt dan ook dat de geviseerde staatsraden moeten kunnen worden gewraakt op grond van schending van de aangegeven verdragsbepalingen.
  12. In de mate de Raad van State de mening zou toegedaan zijn : - dat hij ondanks de bepalingen uit artikel 6.1 en 6.2 van het Verdrag van 07 februari 1992 niet onderworpen is aan de toepassing van het EVRM, via de algemene beginselen van het Communautaire recht, - of dat artikel 62 van het Regentsbesluit eraan in de weg staat dat de schending van die beginselen als wrakingsgrond in aanmerking wordt genomen; - of dat artikel 63 van het Regensbesluit eraan in de weg staat dat een wrakingsverzoek in de voorliggende zaak alsnog wordt ontvangen; vraagt verzoeker om het Hof van Justitie EG te Luxemburg prejudicieel te adiëren bij toepassing van artikel 234 EG-Verdrag met de in het dispositief geformuleerde vraag. XII-4449-6/8
  13. Boven is reeds aangegeven op basis van welke feitelijke gegevens verzoeker het beginsel van de onafhankelijke en onpartijdige rechter geschonden acht.”; dat verzoeker daarbij nog verduidelijkt : “In ondergeschikte orde, indien de wrakingsgrond vermeld onder punt IV.D. door de Raad niet wordt in aanmerking genomen of hij het verzoek niet ontvankelijk zou verklaren om welke reden ook, vraagt verzoeker vooraf het Hof van Justitie EG te adiëren met de volgende prejudiciële vragen : - moeten de artikelen 6.1 en 6.2 van het Verdrag van 07 februari 1992 betreffende de Europese Unie aldus worden begrepen dat, ingevolge de opname van de bepalingen van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) in de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, de voorschriften uit het EVRM toepasselijk zijn op alle rechtscolleges, de administratieve inbegrepen, van de Lid-Staten; - staan de artikelen 6.1 en 6.2 van het Verdrag van 07 februari 1992 betreffende de Europese Unie eraan in de weg dat de wetgeving van een Lid-Staat een rechtszoekende het recht ontzegt om een rechter te wraken wegens de schending van het algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht betreffende de onafhankelijke en onpartijdige rechter; - staan diezelfde artikelen eraan in de weg dat nationale wetgeving een wrakingsverzoek gesteund op de schending van het voormelde algemene beginsel niet ontvankelijk acht indien het niet wordt ingediend ‘zodra’ men van het bestaan van de wrakingsgrond kennis heeft, of dient het beginsel zo te worden begrepen dat het verzoek ontvankelijk is indien het wordt geformuleerd binnen een redelijke termijn, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen.”; Overwegende dat artikel 62 van de procedureregeling, vervat in het voornoemde besluit van de Regent, als redenen tot wraking, behoudens het te dezen niet toepasselijke geval van artikel 63 van die regeling, de redenen vermelden opgesomd in de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek; dat verzoeker niet concreet aangeeft op welke wijze de bescherming door de genoemde verdragen hem wrakingsgronden zou verschaffen die niet reeds zijn vervat in degene waarin de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hun uitvoeringsmaatregelen en het Gerechtelijk Wetboek voorzien; dat dienvolgens de voorgestelde prejudiciële vragen in elk geval niet noodzakelijk zijn om over het verzoek tot wraking uitspraak te doen en de Raad er dan ook overeenkomstig artikel 234 EG-verdrag niet toe is gehouden de vragen te stellen; dat voorts wordt vastgesteld dat verzoeker zijn vierde wrakingsgrond niet met concrete gegevens staaft, dat de wrakingsgrond niet wordt aangenomen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vordering tot wraking niet gegrond is, XII-4449-7/8 BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot wraking wordt afgewezen. Artikel
  15. De zaak wordt verwezen naar de algemene rol. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4449-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.757 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.095 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.391 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.703 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.