← België

Arrest 145814 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.814 Rolnummer: A. 159181/X-12175 Zaak: Arrest 145814 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 17:40 Fiche Arrest nr 145.814 van 10 juni 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.814 van 10 juni 2005 in de zaak A. 159.181/X-12.

  1. In zake :
  2. Yves VAN CAUTEREN,
  3. Ilse MERTENS, die woonplaats kiezen bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yves VAN CAUTEREN en Ilse MERTENS op 14 januari 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoer- legging te vorderen van het besluit van 13 december 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 27 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hen de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de verbouwing van een woning tot 4 studio’s gelegen te Diest, Schaffenstraat 4, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 1533 e, en anderdeels, vernietiging van voormeld besluit van de bestendige deputatie van 27 januari 2004; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2005; X-12.175-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 13 december 2004 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd tegen het besluit van 27 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan verzoekende partijen de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de verbouwing van een woning tot 4 studio’s gelegen te Diest, Schaffenstraat 4, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 1533 e, en voormeld besluit van de bestendige deputatie van 27 januari 2004 heeft vernietigd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin X-12.175-2/5 precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2 opgelegde voorwaarde betreft, verzoekende partijen laten gelden wat volgt : "De bestreden beslissing brengt de verzoekende partijen een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel toe. De bestreden beslissing berokkent de verzoekende partijen immers een aanzienlijke rechtsonzekerheid. Waar zij voorheen van mening waren dat hun woning op stedenbouwkundig vlak volledig in orde was, doet de bestreden beslissing uitschijnen dat dit niet het geval geweest is. Deze onzekerheid is geenszins aan hen te wijten. De verzoekende partijen hebben immers een gebouw gekocht waarvan niet betwist wordt dat er op het ogenblik van de aankoop reeds vier woongelegenheden in gevestigd waren (...). De verzoekende partijen hebben zich de moeite getroost om voorafgaand aan de aankoop schriftelijk inlichtingen in te winnen bij het gemeentebestuur, dat nagelaten heeft de verzoekende partijen te informeren over (...) eventueel wederrechtelijk uitgevoerde handelingen, ook al moest het gemeentestuur geweten hebben dat er werken uitgevoerd waren zonder vergunning, omdat het college enkele maanden voordien een regularisatievergunning geweigerd had. Pas nadat zij de investeringen gedaan hebben worden zij ervan in kennis gesteld dat de overheid meent dat één en ander in overtreding is gebeurd. De verzoekende partijen bevinden zich nu in een zeer rechtsonzekere situatie. Indien de verzoekende partijen zich in afwachting van de uitspraak ten gronde neerleggen bij het oordeel van de minister - en dus de 'onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing' aanvaarden, moeten zij er inderdaad voorlopig van uit gaan dat zij een vergunningsplichtig werk dat zonder vergunning uitgevoerd werd, in stand houden. Het decreet verbindt hieraan een zeer zware strafsanctie (een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro, te vermeerderen met de opdeciemen) (...). Die rechtsonzekerheid in een aangelegenheid met aanzienlijke strafrechtelijke implicaties is op zich een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel. Een schorsing van de bestreden beslissing is in deze noodzakelijk om het nut van een vernietiging veilig te stellen. Immers, om de eventuele strafrechtelijk(e) inbreuk stop te zetten zouden zij de werken ongedaan kunnen maken, maar het is onmogelijk om dit 'voorlopig' te doen.Immers, indien zij hangende de procedure de woning terug omvormen naar een eengezinswoning, zullen zij, om na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing de woning terug om te vormen tot een meergezinswoning, wet een stedenbouwkundige vergunning nodig hebben, terwijl het argument van de verzoekende partijen juist is dat één en ander in het verleden niet vergunningsplichtig was. Het herstellen van het gebouw in de vorige toestand zou op die manier dit argument nutteloos maken en zodoende het nut van de procedure tot nietigverklaring in het gevaar brengen. Daarbij komt dat, indien uw Raad in de vernietigingsprocedure zou beslissen dat de huidige toestand zonder overtreding tot stand is gebracht, het verminderen van het aantal woongelegenheden ook aan een vergunning is onderworpen. X-12.175-3/5 Uw Raad heeft een dergelijke rechtsonzekerheid in het verleden reeds aanvaard als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, en dit in het bijzonder in situaties waarbij de verzoekende partij beschikte over een vergunning die hem door de bestreden beslissing werd ontnomen (...). In deze was er geen vergunning, maar uit het verzoekschrift blijkt dat deze ook niet nodig was. De bestreden beslissing brengt de verzoekende partijen bijgevolg een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel toe"; Overwegende dat de rechtsvoorgangers van verzoekende partijen een woning gelegen aan de Schaffenstraat 4 te Diest hebben omgevormd tot 4 studio’s zonder daartoe over een bouwvergunning te beschikken; dat het bestreden besluit aan verzoekende partijen, de huidige eigenaars, de regularisatievergunning heeft geweigerd voor de verbouwing van deze woning tot 4 studio’s; dat de door verzoekende partijen aangevoerde "rechtsonzekerheid" niet het gevolg is van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, maar van hun beslissing om tegen dit besluit beroep in te stellen, en van de tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt; dat naar de bedoeling van de wetgever het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte en niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt; dat hoe dan ook rechtsonzekerheid inherent is aan elke jurisdictionele betwisting, en het aanvaarden van die onzekerheid als moeilijk te herstellen ernstig nadeel erop zou neerkomen dat de tweede voorwaarde om de schorsing te kunnen bevelen zinledig wordt; dat, in zover verzoekers stellen dat het decreet zware strafsancties verbindt aan het instandhouden van een vergunningsplichtig werk dat zonder vergunning werd uitgevoerd, zij zelf voorhouden dat de betrokken handelingen en werken op het ogenblik dat zij werden uitgevoerd, niet vergunningsplichtig waren, en er dus geen wederrechtelijke werken en handelingen werden uitgevoerd; dat zij, hangende hun beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State, voor de ter zake bevoegde rechter van de rechterlijke orde dezelfde argumenten kunnen laten gelden om de toepassing van de door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voorziene strafbepalingen af te weren; dat mogelijke "strafrechtelijke implicaties" aldus niet moeilijk te herstellen zijn; dat om deze reden verzoekers argumentatie omtrent het "voorlopig" herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat waardoor het beroep tot nietigverklaring nutteloos zou worden, evenmin dienstig is; dat dient te worden vastgesteld dat verzoekers' uiteenzetting geen concrete en precieze argumenten bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; X-12.175-4/5 Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.175-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.814 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.