← België

Arrest 145816 - - 10/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.816 Rolnummer: A. 159046/X-12174 Zaak: Arrest 145816 - - 10/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:41 Fiche Arrest nr 145.816 van 10 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.816 van 10 juni 2005 in de zaak A. 159.046/X-12.

  1. In zake :
  2. Fredericus MERTENS,
  3. Irene STESMANS, wonende te 2840 RUMST, Jacob Jordaenslaan 19 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Fredericus MERTENS en Irene STESMANS op 10 januari 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van :
  4. het besluit van 27 oktober 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rumst houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning tot regularisatie van een automatische schuifpoort op een perceel gelegen te Rumst, Jacob Jordaenslaan 19, kadastraal bekend Sectie D, nr. 152 n, en
  5. het besluit van 16 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hun beroep tegen voormeld weigeringsbesluit van 27 oktober 2003 niet wordt ingewilligd en hen de gevraagde vergunning niet wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.174-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DE CALUWE die, loco Advocaat P. HOOGMARTENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat S. CAUWENBERGHS die, loco Advocaten N. DEVOS en G. VAN DEN EYNDE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat tegen het eerste bestreden besluit krachtens artikel 53, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een administratief beroep openstaat bij de bestendige deputatie; dat beslissingen waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat niet vatbaar zijn voor vernietiging; dat bovendien blijkt dat verzoekers het door voormeld artikel 53, § 1, voorziene administratief beroep bij de bestendige deputatie hebben ingesteld en dat de bestendige deputatie bij het tweede bestreden besluit van 16 september 2004 over dit beroep uitspraak heeft gedaan; dat ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep dit besluit in de plaats is getreden van het besluit van het college van burgemeester en schepenen, en dat dit laatste besluit moet worden geacht niet meer te bestaan; dat de vordering tot schorsing van het eerste bestreden besluit niet ontvankelijk is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de X-12.174-2/4 aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekers uiteenzetten wat volgt : "Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is pertinent aanwezig in hoofde van verzoekers. Immers, zo de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen zou moeten uitgevoerd worden, dienen zowel de poort als het hek verwijderd te worden. Zo achteraf zou blijken dat het één en ander niet nodig zou zijn, brengt dit aanzienlijke kosten voor verzoekers mede, dewelke hic et nunc voorbarig zouden zijn. Ook het onveiligheidsgevoel van verzoekers zou hierdoor aanzienlijk vergroot worden, daar iedereen de woning zou kunnen betreden, zonder enige vorm van afsluiting."; Overwegende dat het tweede bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning weigert tot regularisatie van handelingen en werken die werden uitgevoerd zonder daartoe over een stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit, maar in het eigengereide handelen van verzoekende partijen zelf door het uitvoeren van werken en handelingen zonder daarvoor over de door artikel 99, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat een nadeel dat zijn rechtstreekse oorzaak vindt in het eigen handelen van verzoekers zelf niet kan worden aangenomen; dat de verwerende partij terecht opwerpt dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het tweede bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om X-12.174-3/4 de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.174-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.816 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.