← België

Arrest 145825 - - 13/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.825 Rolnummer: A. 116827/IX-3223 Zaak: Arrest 145825 - - 13/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 17:43 Fiche Arrest nr 145.825 van 13 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.825 van 13 juni 2005 in de zaak A. 116.827/IX-3223. In zake : Ria SEGERS, wonende te BUGGENHOUT, Bovendonkstraat 41 tegen : 1. het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder, 2. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ria SEGERS op 14 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 december 2001 van de selectiecommissie van SELOR waarbij zij niet geslaagd wordt verklaard in het bijzonder gedeelte van het loopbaanexamen voor de overgang naar de graad van medewerker voor de diensten van de Vlaamse Regering en waarbij haar een score van 50/100 toegekend is; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3223-1/24 Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. VANBINST die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoekster is ambtenaar met de graad van assistent (rang D 1) bij de bijzondere jeugdbijstand bij de jeugdrechtbank te Dendermonde. Zij neemt deel aan het vergelijkend examen voor overgang naar de graad van medewerker (rang C 1) voor de diensten van de Vlaamse Regering (examennummer BVL 00006). 1.2. Het examen bestaat uit een algemeen en een bijzonder gedeelte. Het algemene gedeelte betreft het opstellen van een schriftelijk verslag met IX-3223-2/24 betrekking tot een materie die verband houdt met de functie van medewerker. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 punten op 100 behalen. Het bijzondere gedeelte wordt in het examenprogramma als volgt omschreven : “Bijzonder gedeelte Praktische test (...) Aan de hand van meerkeuzevragen en/of computergestuurde proeven zal een evaluatie gebeuren van de algemene taalbeheersing, de efficiëntie van de (visuele en auditieve) informatieverwerking en de algemene communicatievaardigheid, het algemeen redeneervermogen en het leervermogen van de kandidaten. Mondeling gedeelte (...) Aan de hand van een gesprek met de examencommissie zullen de persoonlijke competenties van de kandidaten nagegaan worden, evenals zijn/haar motivatie en belangstelling voor de functie. Tijdens het interview worden de resultaten van de praktische test nabe- sproken en worden o.a. concrete situaties besproken die zich kunnen voordoen in de functie van medewerker (er wordt een voorbereidingstijd voorzien).” Om te slagen in de praktische test en het mondelinge gedeelte moeten de kandidaten ten minste 60 punten op 100 behalen. De rangschikking van de geslaagden gebeurt volgens het aantal punten behaald in het bijzondere gedeelte. 1.3. Verzoekster slaagt voor het algemene gedeelte. Zij behaalt 12 punten op 20. 1.4. Op 8 oktober 2001 neemt verzoekster deel aan de praktische test van het bijzondere gedeelte. 1.5. Op 6 december 2001 heeft het mondelinge gedeelte plaats, waarbij de persoonlijke competenties, motivatie en belangstelling voor de functie worden nagegaan. De prestatie van verzoekster wordt door de examenjury als volgt beoordeeld : IX-3223-3/24 Criteria Commentaar Motivatie Zij heeft een redelijk goede kennis van de organisatie: zij noemt Kennis van de de 7 departementen, kent het onderscheid tussen COO/AZF en organisatie de overige 5, weet wat het COVA is maar weet niet wie er voorzitter van is, weet niet dat de voorzitter van de directieraad een SG is, zij kan niet zeggen waarvoor de letters VPS staan maar weet wel een aantal onderwerpen die erin voorkomen. Zij gebruikt Word voor de verslaggeving en briefwisseling, zij heeft geen e-mail en gebruikt Intranet en Internet sedert 3-tal maanden. Zij vindt dat zij al 10 jaar het werk doet van een medewerker bij de Sociale Dienst van de Jeugdrechtbank van Dendermonde. Organisatie- Wanneer zij in case 5 als gebouwverantwoordelijke de poster talent ziet hangen op de deur van het afdelingshoofd, spreekt zij (oplossingsge- hierover met het afdelingshoofd. Zij vraagt de poster op te richtheid) hangen ergens in een ander lokaal waar ook de attentie van de doelgroep getrokken wordt. Wanneer het afdelingshoofd de poster niet verwijdert, wijst zij hem op het feit dat zij verant- woordelijk is en schuift de verantwoordelijkheid door naar het afdelingshoofd. Het afdelingshoofd is tenslotte de hoogste in graad en zij is volledig ondergeschikt. Soepelheid Zij vindt dat ze met typen alleen niets bijleerde en heeft zich op informaticavlak bijgewerkt door zelfstudie. Zo heeft zij een 6-tal maanden de begincursus van Excell gevolgd in avond- school in Buggenhout. Wanneer het leidend hoofd haar vraagt om langer te werken, doet ze dat. Zij blijft bv. onder de middag beschikbaar om telefoons op te nemen. Klantgericht- Zij heeft dagelijks met lastige klanten te maken. In het begin heid wist ze niet goed hoe zij hierop moest reageren en heeft dit uiteindelijk aan haar diensthoofd gevraagd. Zij probeert haar stem niet te verheffen en verwijst eventueel door naar de consu- lenten. Wanneer zij zelf het antwoord niet weet, geeft zij iemand door van de permanentie of geeft zij de jeugdrechter van dienst door. Zij probeert in te schatten of het al dan niet dringend is. Analytisch en Haar analytisch en synthetisch vermogen is eerder zwak. Zij synthetisch kan hoofd- van bijzaken onderscheiden maar gaat niet diep vermogen genoeg in op de haar voorgelegde cases. Zij put haar ant- woorden te veel uit haar huidige werkomgeving en is weinig creatief. IX-3223-4/24 Zin voor Wanneer zij in case 5 als gebouwverantwoordelijke de poster initiatief op de deur van het afdelingshoofd ziet, wijst zij hem/haar op het feit dat zij hiervoor verantwoordelijk is. Wanneer het afdelings- hoofd de poster toch laat hangen deelt zij hem/haar mee dat dit op zijn/haar verantwoordelijkheid is. Zij schuift haar verant- woordelijkheid door. Het afdelingshoofd is tenslotte de hoogste in graad en zij is volledig ondergeschikt. Communicatie- Zij spreekt duidelijk en heeft een correct en beleefd taalgebruik. vaardigheid Al het telefoonverkeer komt via haar binnen op de Sociale dienst van de Jeugdrechtbank te Dendermonde. 1.6. Met een brief van 18 december 2001 wordt aan verzoekster medegedeeld dat zij niet geslaagd is voor het bijzondere gedeelte van het vergelijkend loopbaanexamen. Voor de praktische test behaalt zij 10 punten op 30, voor het mondelinge gedeelte 40 punten op 70. Zij behaalt dus voor het bijzondere gedeelte in totaal 50 punten op 100, terwijl het vereiste minimum 60 punten op 100 is. Met brieven van 9 en 16 januari 2002 wordt aan verzoekster bijkomende toelichting verstrekt over haar resultaten voor het bijzondere examen- gedeelte. 2.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: VPS), meer bepaald van de artikelen VI 6, §§ 1 en 2, VIII 48, VIII 49 en VIII 51, en van “het zorgvuldigheidsbeginsel zoals vastgelegd in het artikel 4 van het APKB van 22 december 2000”; dat zij betoogt dat het examenreglement niet overeenstemt met het VPS en het APKB en dat het haar “niet vooraf volledig” medegedeeld is (eerste onderdeel) en dat de samenstelling van de examencommissie niet voldoet aan de bepalingen van het VPS en het APKB (tweede onderdeel); Overwegende dat verzoekster het eerste onderdeel adstrueert als volgt: artikel VI 6, § 1 VPS bepaalt dat het examenreglement voor aanwervings- examens -met daarin het examenprogramma, de puntenverdeling en het vereiste IX-3223-5/24 minimum aantal punten- wordt vastgesteld door de Vaste Wervingssecretaris in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en die regeling wordt voor de loopbaan- examens overgenomen door artikel VIII 48, waarin voor die examens bepaald is dat de Vaste Wervingssecretaris op dezelfde wijze “de nadere bepalingen (...) en de samenstelling van de examencommissies” vaststelt; in dit geval is het aantal punten dat wordt toegekend aan de onderverdelingen van de examengedeelten van het bijzondere gedeelte, noch de wijze van quoteren en de deliberatiemogelijkheid in het examenreglement bepaald en daar is ook geen opgave gedaan van het vereiste minimum puntenaantal, terwijl dit nochtans een essentiële waarborg is voor een behoorlijk en zorgvuldig verloop van de examens; bovendien kan niet getolereerd worden dat het examenprogramma tijdens het verloop van het examen wordt gewijzigd, hetgeen hier nochtans gebeurd is doordat het resultaat van de praktische test niet met de kandidaten besproken is tijdens het interview; Overwegende dat verzoekster met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel uiteenzet dat de examencommissie die het mondelinge gedeelte van het examen afgenomen heeft, volledig bestond uit ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap; 2.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord in wezen stelt dat de vastgestelde criteria zorgvuldig en objectief op elke kandidaat toegepast zijn, dat artikel VI VPS en de regeling die SELOR hanteert voor het beoordelen van meerkeuzevragen betrekking heeft op aanwervingsexamens terwijl verzoekster deelgenomen heeft aan een loopbaanexamen, dat uit het door haar voorgelegde dossier blijkt dat de examencommissie samengesteld is in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken, dat het examenregle- ment het aantal punten bepaalde waarop het gehele examen en elk onderdeel ervan gequoteerd zou worden evenals het minimumaantal punten dat vereist werd en dat verzoekster niet aantoont dat het examenprogramma tijdens het examen gewijzigd werd; IX-3223-6/24 2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord uiteenzet dat het programma van het examen twee keer aangepast is nadat het examenreglement werd vastgesteld en nadat het werd goedgekeurd door de representatieve vakorganisaties; dat zij te dien aanzien uiteenzet, ten eerste, dat zij de “Ariannetest” heeft afgelegd, die volgens SELOR tot doel heeft de communicatievaardigheid te toetsen evenals het “vermogen tot analyse, synthese en het filteren, onthouden en reconstitueren van informatie” maar die in feite het programma verzwaard hebben omdat het om psychologische testen ging en ten tweede, dat de resultaten van de praktische test nooit besproken zijn gedurende het mondelinge gedeelte van het examen; dat zij, ten bewijze van haar stelling, betoogt dat de departementale directieraad op 12 april 2002 vastgesteld heeft dat er “problemen werden vastgesteld met het bevorderingsexamen van medewerker” en dat de moeilijkheidsgraad van dat examen vastgesteld werd in overleg met SELOR, waarmee aangetoond wordt dat artikel VI VPS evenals de verduidelijking die SELOR opgesteld heeft voor de beoordeling van meerkeuzevragen wel degelijk ook voor loopbaanexamens geldt; dat zij voorts opnieuw wijst op de ongeldige samenstelling van de selectiecommissie die het mondelinge examen afgenomen heeft wegens “de ontbrekende ‘bijzonder geplaatste handtekeningen’ van de selectie- overheid op de vijf gedeeltelijke jurybesluiten van 26 oktober 2001”; dat zij ook herhaalt dat het aantal punten voor elk examenonderdeel niet door het examen- reglement was vastgesteld, dat het examenreglement ook geen regeling bevatte van de wijze waarop de antwoorden op de meerkeuzevragen beoordeeld zouden worden noch van de mogelijkheid dat de kandidaten gedelibereerd zouden kunnen worden; 2.4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie eerst uitvoerig ingaat op de vraag om de verwerende partij te bevelen dat zij aan de Raad van State het verslag zou overleggen dat de vakbondsafgevaardigde opgesteld heeft over de mondelinge proef waar hij bij aanwezig was; dat zij te dien aanzien betoogt dat, in geval het administratief dossier onvolledig blijft, er reden is om, met toepassing van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State haar versie van de feiten voor waar aan te nemen en desgevallend dienaan- gaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen over de schending van IX-3223-7/24 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wanneer artikel 21, derde lid, aldus wordt uitgelegd dat de door haar aangehaalde en niet kennelijk onjuiste feiten bij ontstentenis van een administratief dossier wel voor bewezen worden gehouden terwijl dat niet het geval is wanneer een administratief dossier wordt neergelegd maar het niet alle relevante stukken bevat; dat zij voor het overige herhaalt, vooreerst dat niet bewezen is dat de Vaste Wervingssecretaris de nadere bepalingen van het loopbaanexamen heeft vastgesteld en dat er daarvoor overleg gepleegd is met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken en vervolgens, dat de examenverrichtingen niet met de vereiste zorgvuldigheid verlopen zijn; dat zij een nieuw onderdeel aan het middel toevoegt doordat de examencommissie het mondelinge examen reeds is beginnen afnemen zonder dat de bevoegde instanties akkoord gingen over de samenstelling van de commissie; 2.5.1. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van artikel VI 6 VPS; dat die bepaling behoort tot het hoofdstuk “de vergelijkende aanwervings- examens” -hoofdstuk 2 van titel 2 VPS- en dat zij als zodanig niet van toepassing is op de onderhavige zaak, waarin verzoekster deelgenomen heeft aan een vergelijkend loopbaanexamen voor overgang naar een ander niveau, geregeld in hoofdstuk 2 van titel 4 VPS; dat het in dat hoofdstuk opgenomen -en ter zake wel van toepassing zijnde- artikel VIII 48 luidt als volgt: “De Vaste Wervingssecretaris stelt de nadere bepalingen van de loopbaanexamens en de samenstelling van de examencommissie vast in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken”, terwijl het daarbij aansluitende artikel VIII 49 bepaalt: “De leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken stelt de programma’s en de nadere modaliteiten van de loopbaanexamens vast na overleg met de departementen, met de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling en met de Vaste Wervings- secretaris”; Overwegende dat verzoekster ook artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de IX-3223-8/24 Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna : het APKB) bij het middel betrekt, maar niet verduidelijkt op welke wijze het examenreglement die bepaling, die betrekking heeft op de individuele ambtsuitoefening van de ambtenaren, zou kunnen miskennen; 2.5.2.1. Overwegende dat verzoekster in haar vordering in de eerste plaats aan de verwerende partijen verwijt dat het examenreglement niet conform het VPS is doordat het puntenaantal voor “de onderverdelingen van de examengedeelten” er niet in is vastgesteld, terwijl die vaststelling samen met de bepaling van de minima die op elk van die onderdelen behaald moeten worden, een waarborg vormen voor de behoorlijke en zorgvuldige organisatie van examens en doordat het examenreglement de “reglementaire basis van de meerkeuzevragen” niet vermeldt, waarmee zij bedoelt dat het examenreglement de beoordelingselementen voor de praktische test -de toekenning van de punten, de mogelijkheid om te delibereren- niet bevat; dat, naar haar oordeel zij voorafgaandelijk ook kennis moest krijgen van al die regelingen; 2.5.2.1.1. Overwegende dat het examenreglement BVL 00006 in hoofdstuk 4 het examenprogramma vermeldt; dat daarin gesteld is dat het examen bestaat uit een algemeen en een bijzonder gedeelte, dat het opzet en de inhoud van elk gedeelte er wordt omschreven, met aanduiding, per gedeelte, van het aantal punten en van het vereiste minimum om te slagen; dat het “bijzondere gedeelte” van het examen -sub 1.2. geciteerd- uit een duidelijk afgescheiden “praktische test” en een “mondeling gedeelte” bestaat, maar het reglement inderdaad niet bepaalt op welke wijze de 100 punten die globaal voor het bijzondere gedeelte te behalen zijn over de praktische test en het mondelinge gedeelte worden opgesplitst, hoewel het om twee duidelijk afgescheiden onderdelen gaat; Overwegende dat, zoals hierboven reeds gezegd, de hier bestreden examenregeling niet onder de toepassing valt van artikel VI 6 VPS maar onder het veel algemener gestelde artikel VIII 48 VPS; dat het examenreglement dan ook niet getoetst moet worden op zijn conformiteit met dat artikel VI 6, waarin een aantal IX-3223-9/24 gegevens worden opgesomd die formeel in het examenreglement geregeld moeten worden; dat, in acht genomen artikel VIII 48 VPS, het examenreglement BVL 00006 niet onwettig is om reden dat er in het examenreglement geen bepaling opgenomen is waarin het gewicht van elk onderdeel van het tweede examengedeelte nader bepaald is; dat er evenmin vastgesteld kan worden dat het examenreglement op die wijze het zorgvuldigheidsbeginsel miskent, aangezien het enkel tot gevolg heeft dat de examencommissie zelf bevoegd wordt om die opsplitsing te maken en zij die discretionaire bevoegdheid in ieder geval moet uitoefenen op een wijze die de gelijkberechtiging van alle kandidaten waarborgt; dat in dit geval de examen- commissie het puntentotaal voor het bijzondere gedeelte van het examen -vastgesteld op 100- opgesplitst heeft in 30 punten voor de praktische test en 70 punten voor de mondelinge proef, zonder daarbij een grens te bepalen op het vlak van het minimum te behalen punten; dat verzoekster niet betwist dat die opsplitsing op objectieve gronden gebeurd is terwijl er ook geen kennelijk onredelijke bevoegdheidsuitoefening in kan worden ontwaard; 2.5.2.1.2. Overwegende dat niet wordt ingezien welk belang verzoekster erbij kan gehad hebben dat zij vooraf kennis had gekregen van het respectieve puntento- taal van de praktische test en het mondelinge gedeelte, aangezien beide testen steunen op de algemene ontwikkeling, de parate kennis en de attitudes van de kandidaten, waarvoor deze zich onmogelijk kunnen voorbereiden en aangezien zij, wat haar concrete geval betreft, ook thans geen bezwaar maakt tegen de opsplitsing die de examencommissie daadwerkelijk gehanteerd heeft; 2.5.2.1.3. Overwegende dat de hiervoor uiteengezette redenering met betrek- king tot de discretionaire bevoegdheid van de examencommissie voor alles wat niet door het examenreglement geregeld is, evenzeer geldt ten aanzien van de grief dat het examenreglement geen beoordelingscriteria voor de praktische proef bevat en dat de examencommissie de mogelijkheid heeft om over de puntentoekenning aan de kandidaten te delibereren; IX-3223-10/24 2.5.2.2. Overwegende dat in het verzoekschrift voorts wordt gesteld dat het examenprogramma in de loop van het examen werd gewijzigd doordat het resultaat van de praktische test niet met de kandidaten besproken is tijdens het interview; Overwegende dat uit het examenreglement blijkt dat de competentiemeting die gebeurt met de praktische test, vervolledigd wordt met een persoonlijke verschijning van de kandidaten voor de examenjury; dat het examen- reglement de jury er enkel toe verplicht dit mondelinge gedeelte af te stemmen op het evalueren van de “persoonlijke competenties” en “de motivatie en belangstelling voor de functie”; dat de vermelding in het examenreglement dat de resultaten van de praktische test nabesproken zullen worden -een niet ongebruikelijke maar niet verplichte verduidelijkende bepaling in reglementen voor examens waarin een schriftelijk examen gevolgd wordt door een mondelinge proef- de discretionaire bevoegdheid van de jury niet beperkt; dat de examencommissie er krachtens het examenreglement dan ook niet toe verplicht was met elke kandidaat het resultaat van zijn praktische test na te bespreken; 2.5.2.3. Overwegende dat verzoekster ook nog een onwettigheid ziet in het feit dat de examencommissie voor de mondelinge proef geheel uit ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap bestond; dat zij evenwel niet aantoont welk reglement dergelijke samenstelling zou miskennen; dat artikel VIII 48 VPS enkel bepaalt dat de Vast Wervingssecretaris de samenstelling van de examencommissie vaststelt in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken; dat uit het administratief dossier van de zaak blijkt dat zulks te dezen gebeurd is; 2.5.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord haar argumentatie uit het verzoekschrift uitbreidt; dat zij nu betoogt dat het examen- programma tijdens de selectieprocedure “tot tweemaal toe” werd aangepast, met name ook doordat -naast het feit dat zij bij het mondelinge gedeelte niet ondervraagd is over haar praktische test- de praktische test, waaraan het examenreglement een specifieke inhoud geeft, vervangen werd door de Arianetest van SELOR en eigenlijk IX-3223-11/24 neerkwam op psychologische proeven; dat zij voorts opnieuw de geldigheid van de samenstelling van de examencommissie voor het bijzondere gedeelte van het examen betwist, ditmaal doordat de desbetreffende documenten in het administratief dossier niet terdege ondertekend zijn en doordat de ondertekening van die documenten gebeurde op 26 oktober 2001, terwijl het mondelinge examen reeds begonnen was op 25 oktober 2001 en de praktische test plaatsvond op 8 oktober 2001; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord ook betoogt dat zij, wegens het achterhouden van gegevens door de tweede verwerende partij, belemmerd is geworden in de mogelijkheden om haar grieven naar behoren uit te werken; dat zij te dien aanzien uiteenzet dat de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 12 april 2002 vastgesteld heeft dat er “na de afsluiting van het bevorderingsexamen problemen werden vastgesteld” en dat zij vraagt dat het verslag over het examen, dat de directieraad blijkens de notulen van zijn vergadering in het vooruitzicht stelde, bij het dossier zou worden gevoegd om haar “verweermiddelen (...) op een doeltreffende wijze verder te kunnen onderbouwen”; 2.5.3.1. Overwegende, wat de bewijsvoering betreft, dat het administratief dossier alle stukken dient te bevatten die relevant bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing betrokken kunnen worden; dat in dit geval niet wordt ingezien op welke wijze de overlegging van een verslag van de directieraad waarbij deze -na afloop van het examen en zelfs nadat verzoekster reeds haar beroep had ingesteld- een bespreking wijdt aan een administratief onderzoek dat in het kader van het syndicaal overleg over het examen gevoerd was, verhelderend zou kunnen zijn bij de beoordeling van de wettigheidsbezwaren die verzoekster aanvoert; dat overigens verzoekster dat verslag vooral bij de zaak wenst te betrekken om “de moeilijkheidsgraad (van het examen)” aan te tonen, maar haar middel op dat vlak geen wettigheidskritiek bevat, in die zin dat zij nergens betoogt dat het examen te moeilijk was, maar enkel dat het een andere inhoud had dan het examenreglement voorschreef; dat de auditeur-verslaggever dan ook terecht niet ingegaan is op de vraag van verzoekster om het administratief dossier aan te vullen; IX-3223-12/24 Overwegende dat, aangezien verzoekster de mogelijkheid had haar vraag om ook het verslag van de syndicaal afgevaardigde die de mondelinge examens heeft bijgewoond, bij het administratief dossier te laten voegen, in haar memorie van wederantwoord aan de orde te stellen, de formulering van die vraag in de laatste memorie laattijdig is; Overwegende dat, aangezien niet blijkt dat het administratief dossier in dit geval onvolledig is, er geen reden is om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; 2.5.3.2.1. Overwegende, wat de in de memorie van wederantwoord aange- voerde onregelmatigheden zelf betreft, dat uit het dossier van de zaak niet blijkt dat verzoekster deze grieven eerder dan na de inzage van het administratief dossier kon aanbrengen; dat zij ontvankelijk bij het onderzoek betrokken kunnen worden; 2.5.3.2.2. Overwegende, wat de conformiteit van de praktische proef met het examenprogramma betreft, dat het examenreglement de volgende omschrijving geeft van praktische test : “Aan de hand van meerkeuzevragen en/of computergestuurde proeven zal een evaluatie gebeuren van de algemene taalbeheersing, de efficiëntie van de (visuele en auditieve) informatieverwerking en de algemene communicatie- vaardigheid, het algemeen redeneervermogen en het leervermogen van de kandidaten”; dat uit de door verzoekster voorgelegde bekendmaking op de website van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap betreffende de “afgehandelde procedures” blijkt dat de kandidaten de “Arianetest SELOR” hebben moeten afleggen; dat blijkens de eveneens door verzoekster voorgelegde afdruk van de betreffende informatieve webpagina van SELOR, “de test Ariane (...) een test op computer (

  1. is)waarmee je communicatievaardigheid in je moedertaal wordt gemeten. Op basis van teksten die je worden voorgelegd kunnen we je vermogen tot analyse, synthese en het filteren, onthouden en reconstitueren van informatie observeren. Deze test duurt 60 minuten”; IX-3223-13/24 Overwegende dat de Raad van State op grond van de gegevens die verzoekster voorlegt niet kan besluiten dat de zogenaamde Arianetest wezenlijk zou verschillen van de praktische test zoals die door het examenreglement wordt omschreven; dat dit reglement overigens niet uitsluit dat de examencommissie discretionair kan beslissen dat een bestaande test voldoet aan de eisen van het reglement; dat, in het kader van die discretionaire bevoegdheid, verzoekster niet aantoont waarom de examencommissie niet nuttig kon terugvallen op de Arianetest van SELOR of waarom het onderzoek geen “psychologische test” zou mogen zijn; dat, met andere woorden, niet blijkt dat wat verzoekster aanmerkt als een “aanpassing van het examenreglement”, de normale invulling van de discretionaire bevoegdheid van de examencommissie te buiten gaat; 2.5.3.2.3. Overwegende dat verzoekster een onregelmatigheid ziet in de ondertekening van de in het administratief dossier neergelegde stukken betreffende de samenstelling van de examencommissie voor de praktische test en voor de mondelinge proef, met name doordat de aanstelling gebeurde op 26 oktober 2001 terwijl de praktische test reeds doorging op 8 oktober 2001 en de mondelinge test afgenomen is vanaf 25 oktober 2001; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de examencommissie aangewezen is door de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken en dat de afgevaardigd bestuurder van SELOR het betreffende besluit voor “visum” ondertekend heeft; dat die aanwijzing voldoet aan de bepalingen van het VPS; dat de omstandigheid dat de bevoegde personen de aanwijzing van de leden van de examencommissie slechts ondertekend hebben nadat de materiële examenverrichtingen reeds waren afgelopen of aangevangen, de beslissingen van de examenjury’s niet ongeldig maakt, nu verzoekster niet betwist dat de personen wier aanstelling als lid van de examencommissies op 26 oktober 2001 geformaliseerd is, voordien in feite toch reeds deelgenomen hebben aan alle besprekingen en verrich- tingen van de desbetreffende examencommissie; IX-3223-14/24 2.5.4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog opmerkt dat niet blijkt dat de Vaste Wervingssecretaris “de nadere bepalingen van het loopbaanexamen (...) heeft vastgesteld” of dat er ten aanzien van de samenstelling van de examencommissie overleg gepleegd zou zijn tussen de bevoegde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en SELOR, dat er een resem “materiële vergissingen” werd begaan “die meer behelzen dan alleen maar schrijf- of cijferfouten” en dat de selectiecommissie wegens haar onwettige samenstelling geen bevoegdheid had om het bestreden besluit te treffen; dat die elementen nieuwe onregelmatigheden betreffen die verzoekster onmiddellijk na inzage van het administratief dossier en met name in de memorie van wederantwoord had kunnen aanvoeren; dat die argumentatie niet ontvankelijk aangebracht is; 2.5.5. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van artikel 9 van het APKB, doordat zij als ambtenaar van een buitendienst “aanzienlijk benadeeld (
  2. is)geweest ten opzichte van de ambtenaren van de verschillende hoofdbesturen”, die op het vlak van de ondervraging over “de elementaire informaticabegrippen” en over “de van toepassing zijnde afkortingen in de hoofdbesturen een beenlengte voor (hadden) op de ambtenaren van de buiten- diensten”; dat zij in haar toelichting verwijst naar het feit dat zij slechts drie weken voor het mondelinge examen toegang gekregen heeft tot het intranet van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, zodat zij geen vragen gekregen heeft over “Netscape Messenger” en zij derhalve in dat opzicht geen punten heeft kunnen scoren; dat zij ook aanstipt “de belangrijke case over het balieprobleem tijdens een brugdag” niet voorgelegd te hebben gekregen en dat zij evenmin de vraag gekregen heeft over “het niveau van de graad van medewerker” en “het niveau van de graad van technicus”; dat zij daar aan toevoegt dat volgens het APKB de personen die met het uitvoeren van een selectie belast worden de nodige waarborgen moeten bieden inzake objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid; IX-3223-15/24 3.2.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat de examenjury de kandidaten “soeverein beoordeelt”, dat de vraagstelling tijdens het mondelinge examen kaderde in punt 4.2.b van het examenreglement en dat uit niets blijkt dat het personeel van het hoofdbestuur bevoordeeld zou zijn geweest, terwijl de vraagstelling ook niet kennelijk onredelijk was; 3.2.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat verzoekster de mogelijkheid had zich vrij te bekwamen in domeinen waarin zij veronderstelde onvoldoende scholing te bezitten, dat de kandidaten in redelijkheid en objectief getoetst zijn met betrekking tot de functie- vereisten die voor het te begeven ambt waren gesteld en dat aan de hand van tastbare en controleerbare gegevens naar de meest geschikte kandidaat gezocht is; dat zij daar aan toevoegt dat uit de nota’s van de syndicaal afgevaardigde blijkt dat de kandidaten op gelijke wijze met administratieve vraagstukken geconfronteerd zijn geworden; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord uitvoerig repliceert; dat haar uiteenzetting de volgende wezenlijke gegevens bevat : - de selectiecommissie heeft de kandidaten niet tegen elkaar afgewogen en beoor- deeld aan de hand van beoordelingscriteria die voor iedere kandidaat dezelfde zijn en die in verband staan met de te begeven functie; de vraagstelling ging wel degelijk de grenzen van het examenreglement te buiten aangezien haar “confronterende persoonlijke vragen” gesteld werden -de vraag naar haar woonplaats en naar een familieverband- waardoor tijd verloren ging en haar geen ernstige vragen meer konden gesteld worden; - zij werd geconfronteerd met afkortingen die beter beantwoord konden worden door ambtenaren van het hoofdbestuur en die niet voorkomen in het glossarium van de Vlaamse Overheid; - zij kan zelf niet verantwoordelijk gesteld worden voor het feit dat de installatie van haar e-mail lang geduurd heeft; - er is weinig aandacht besteed aan de antwoorden die zij aan de jury gegeven heeft, met name waar zij een uiteenzetting gegeven heeft over de inhoud van haar huidige IX-3223-16/24 functie en er is ook weinig belang gehecht aan de technische en persoonlijke bekwaamheden die zij bezit; - de motivering van de beslissing van de examenjury en de haar toegezonden kennis- geving zijn soms tegenstrijdig : een “vrij goede kennis van de organisatie” wordt een “redelijk goede kennis van de organisatie” en er zijn haar tegenstrijdige mededelingen gedaan over haar antwoorden, waar er eerst verwezen wordt naar haar kennis van “een 5-tal departementen” om op een andere plaats te spreken van “een 7-tal departementen”; - de jury “hield er verschillende opvattingen op na bij de afweging van de verschillen- de beoordelingselementen” en - uit de nota’s van de syndicaal afgevaardigde blijkt dat de “selectiecommissie om de haverklap wisselde”; 3.4.1. Overwegende dat verzoekster niet aantoont op welke wijze de bestreden beslissing een miskenning zou inhouden van artikel 9 APKB; 3.4.2. Overwegende dat een examencommissie voor een mondeling examen er op grond van het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet toe verplicht is tijdens een mondeling examen aan alle kandidaten dezelfde vragen te stellen of evenveel tijd te besteden aan de verschillende beoordelingscriteria die getoetst moeten worden; dat alleen dan sprake kan zijn van een ongelijke behandeling wanneer de vragen die aan een kandidaat worden gesteld buiten het opzet van het examen -het examenprogramma- zouden vallen of wanneer de vragen aan een bepaalde kandidaat een evident grotere moeilijkheidsgraad zouden vertonen dan de vragen gesteld aan de andere kandidaten; dat in dit geval uit de uiteenzetting van verzoekster niet opgemaakt kan worden dat zij zich in dergelijk geval bevindt; dat integendeel uit de motiveringsfiche betreffende het examen van verzoekster -waarvan de decisieve gegevens in een samenhangend betoog aan verzoekster ter kennis gebracht zijn met de brieven van 9 en 16 januari 2002- blijkt dat de jury overeenkom- stig de voorschriften van het examenreglement gepeild heeft naar de persoonlijke competenties en de motivatie van verzoekster; IX-3223-17/24 Overwegende dat uit de omstandigheid dat bepaalde ambtenaren die ook aan het examen deelnamen -de ambtenaren van het hoofdbestuur die beter vertrouwd zouden zijn geweest met informatica en met een bepaald soort afkortingen- misschien enig voordeel hebben kunnen halen uit hun werksituatie, niet afgeleid mag worden dat verzoekster ongelijk behandeld is; dat overigens geen enkel element van de door de examenjury aangehouden motivering erop wijst dat de door verzoekster behaalde punten mede te wijten zijn aan het feit dat zij, wegens haar actuele tewerkstelling als assistent buiten het hoofdbestuur, minder goed kon antwoorden op bepaalde vragen; 3.4.3. Overwegende voor het overige, dat verzoekster niet verder komt dan punctuele kritiek uiten ten aanzien van vragen die haar werden gesteld of die haar juist niet werden gesteld, evenals op de informatie die de verwerende partij haar over haar prestatie tijdens het mondelinge examen heeft gegeven; dat die kritiek niet opweegt tegen de uitvoerige en samenhangende motivering die de jury aan haar beoordeling heeft gegeven en die het globaal oordeel verantwoordt dat aan verzoekster ter kennis gebracht is, te weten dat de oplossingen die verzoekster aan de haar voorgelegde “cases” gegeven heeft “ietwat diepgang misten” en beperkt waren tot “ad hoc oplossingen”, dat haar beeld over de functie van medewerker “vrij behoorlijk” was maar toch iets te veel toegespitst op “de meer uitvoerende taken van de functie” en op “de eigen werksituatie en haar huidige uitvoerend takenpakket”; dat met die beoordeling de examencommissie binnen de opdracht gebleven is die het examenreglement haar heeft gegeven en de punten die aan verzoekster voor de aldus beoordeelde prestatie -40 op 70- in redelijkheid verantwoord zijn; 3.4.4. Overwegende dat verzoekster niet aanduidt op welke wijze de door haar gelaakte “steeds wisselende samenstelling van de jury” een negatieve invloed gehad kan hebben op haar examenuitslag; 3.4.5. Overwegende dat verzoekster niet aantoont dat de kandidaten tijdens het mondelinge examen ongelijk behandeld zijn; dat de gegevens die zij voorlegt ook niet aantonen dat de examencommissie op enige wijze de grenzen van IX-3223-18/24 haar opdracht te buiten zou zijn gegaan of een kennelijk onredelijke houding aangenomen zou hebben; dat het tweede middel niet gegrond is; 4.1. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van artikel VIII 57 VPS, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 17 van het besluit van 20 februari 2001 van de afgevaardigd bestuurder van SELOR tot vaststelling van het reglement van orde betreffende de vergelijkende selecties, de selecties en de taalexamens; dat zij uiteenzet wat volgt : overeenkomstig artikel VIII 57, derde lid, VPS beoogt het bijzondere gedeelte van het examen het testen van de algemene vorming van de kandidaat, van zijn kennis van bepaalde vakken, van de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie of van verschillende van die elementen samen; in de functievereisten, vermeld in het examenreglement, is bepaald dat de kandidaten overweg moeten kunnen met een PC; op grond van de zorgvuldig- heidsplicht moest zij ondervraagd en beoordeeld worden op dat criterium, want in de functie van medewerker zal zij aan dat criterium moeten voldoen; in dit geval is zij getoetst “op het gebruik van Netscape Messenger” en de kennis van het tekstverwerkingsprogramma Word maar met Netscape was zij -wegens de recente aansluiting van haar dienst- te weinig vertrouwd om terdege te kunnen antwoorden en op de vragen over Word heeft zij correct geantwoord, maar die antwoorden “werden niet geëvalueerd en gevaloriseerd”, net zomin als haar antwoorden op vragen naar motivatie en haar belangstelling voor de functie, waarvan zij het bewijs geleverd had door te verwijzen naar haar motivatie om reeds drie keer aan een bevorderingsexamen deel te nemen en door het voorleggen van een curriculum vitae; toch heeft de jury besloten dat haar motivatie “zwak” was; bovendien mag, “na vergelijking met andere ondervraagde kandidaten van dezelfde selectiezitting”, getwijfeld worden aan de ernst van het cijfer dat zij op het mondelinge examen gekregen heeft; IX-3223-19/24 Overwegende dat verzoekster ook aanvoert dat zij sterke twijfels heeft bij de automatische verbetering van de antwoorden op de meerkeuzevragen, gesteld in de praktische test; dat zij die twijfels steunt op de vaststelling dat het puntenresultaat “gewoonweg werd verwerkt in een Word-document”, op de vergelijking van haar antwoordblad met haar resultatenblad waarop overigens melding gemaakt wordt van een examen BVL 00007; 4.2.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat de jury er niet toe gehouden is om elk antwoord dat verzoekster tijdens het mondelinge examen gegeven heeft afzonderlijk te evalueren en dat uit de beoordelingsfiche die over het examen van verzoekster opgemaakt is duidelijk blijkt dat de gegeven quotering afdoende gemotiveerd is; dat zij met betrekking tot de beweerde niet- correcte verbetering van de praktische proef betoogt dat het antwoordblad van verzoekster geautomatiseerd verwerkt is; 4.2.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat verzoekster goed weet welke criteria aan het bestreden besluit ten grondslag liggen en waarom aan andere kandidaten de voorkeur gegeven is; dat zij ook stelt dat de antwoorden op de praktische proef automatisch verbeterd zijn, dat verzoekster daarvoor 29 punten op 90 heeft behaald en dat er in alle geval gehandeld is overeenkomstig de richtlijnen van de afgevaardigd beheerder van SELOR; 4.3. Overwegende dat verzoekster in haar repliek stelt dat uit de motivering van de examenuitslagen moet blijken dat de beoordelingscriteria dezelfde zijn geweest voor alle kandidaten, dat alle kandidaten gelijk bejegend zijn en welk gewicht aan de diverse beoordelingscriteria gegeven is, terwijl in dit geval vastgesteld moet worden dat zij niet geëvalueerd is op de technische vaardigheid die zij bezit - haar kennis van Word-, en die volgens het examenreglement in de beoordeling betrokken diende te worden en er haar een aantal vragen onthouden zijn die aan andere kandidaten wel gesteld zijn; IX-3223-20/24 Overwegende dat verzoekster ook nog stelt dat de mondelinge proef niet gebeurde overeenkomstig punt 4.2.a en 4.2.b van het examenreglement - het ging om een psychologische test- en dat er dus met haar antwoorden geen rekening gehouden kan worden; bovendien zijn de door SELOR opgetekende resultaten omgezet naar een Word-document waarin de resultaten vermeld zijn van een examen nummer BVL 00007, een bevorderingsexamen van technicus; 4.4.1. Overwegende dat de examenjury de beoordeling van de mondeling- e proef gemotiveerd heeft door het invullen van een individuele beoordelingsfiche waarop de kandidaten gewaardeerd zijn voor 7 criteria, die betrekking hebben op de motivatie en de kennis van de organisatie aan de ene kant en op het bezit van een aantal competenties die passen in het profiel van de functie aan de andere kant; dat, met betrekking tot elk criterium, een globale beoordeling opgesteld is, zonder vermelding of waardering van de concrete antwoorden die gegeven werden op de onderscheiden vragen die tijdens het onderhoud werden gesteld; Overwegende dat de examenjury er niet toe verplicht was de verschillende antwoorden van de kandidaten op de concrete problemen die hen werden voorgelegd weer te geven, te bespreken of aan te geven met betrekking tot welk specifiek criterium de betrokken vraag was gesteld; dat zij er evenmin toe verplicht was voor elk beoordelingscriterium een afzonderlijke quotering op te stellen; dat derhalve de omstandigheid dat verzoekster in de motiveringsfiche geen beoordeling aantreft van haar kennis van informatica of van de elementen die zij heeft aangebracht om haar motivatie te bewijzen, niet betekent dat de examenjury haar uiteenzetting ter zake niet in haar beslissing betrokken heeft; Overwegende dat de uiteenzetting vermeld op de motiveringsfiche beantwoordt aan de voorwaarden die voor het mondelinge gedeelte in het examen- reglement zijn bepaald, te weten de persoonlijke competenties -bekeken in functie van het ambt van medewerker- van de kandidaten nagaan en hun motivatie voor de functie beoordelen; dat de argumenten die verzoekster aanvoert de deugdelijkheid van die motivering niet in het gedrang brengen; IX-3223-21/24 Overwegende dat verzoekster twijfels heeft bij “de ernst van het cijfer” -40 punten op 70- dat zij op het mondelinge examen gekregen heeft; dat zij te dien aanzien verwijst naar de beoordeling van andere kandidaten maar zonder precieze gegevens voor te leggen die een vergelijking van de onderscheiden prestaties mogelijk maken; dat, voor het overige, rekening houdend met de beoordeling die in de motiveringsfiche vermeld is, het behaalde cijfer niet kennelijk onredelijk is; 4.4.2. Overwegende, wat betreft de verbetering van de praktische test, dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de meerkeuzevragen wel degelijk automatisch verbeterd werden; dat de door verzoekster voorgelegde kritiek -die geheel gesteund is op de mededelingen die de verwerende partij haar heeft gedaan- niet van aard is om ook maar het vermoeden te rechtvaardigen dat haar punten -10 op 30- niet het resultaat zouden zijn van de geautomatiseerde verbetering van haar eigen werk; 4.4.3. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 5.1. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog een nieuw middel aanvoert, geput uit het “beginsel van de gelijke benoembaarheid van Belgen tot openbare functies en de daarmee gecorreleerde materiële motiverings- plicht en de formele motiveringsplicht”, in die zin dat het bestuur er blijk moet van geven dat de kandidaturen voor een openbare betrekking “op gelijke wijze getoetst worden” terwijl in haar geval, wegens de ondeugdelijke motivering van haar resultaat op alle onderdelen van de mondelinge proef, die vergelijking niet mogelijk is; Overwegende dat dergelijk middel in geen van zijn onderdelen -de schending van het gelijkheidsbeginsel, van de materiële of de formele motiveringsverplichting- de openbare orde raakt en dat het in vroegere procedure- stukken kon aangevoerd worden; dat het middel niet ontvankelijk is; 5.2. Overwegende dat verzoekster vraagt dat, in geval het nieuwe middel wegens laattijdige aanvoering ervan onontvankelijk zou worden verklaard, de IX-3223-22/24 Raad van State zou vaststellen dat de beroepstermijn niet ingegaan is, aangezien in de kennisgevingen die zij van de verwerende partijen ontvangen heeft, niet uiteengezet wordt waarom zij niet geslaagd is in het mondelinge gedeelte van het examen; Overwegende dat de berekening van de termijn voor het indienen van een annulatieberoep een probleem is dat los staat van de vraag of de motieven van het bestreden besluit terdege aan de verzoekende partij ter kennis gebracht zijn; dat in de brief van 18 december 2001, waarmee aan verzoekster medegedeeld is dat zij niet geslaagd was voor de mondelinge proef, uitdrukkelijk aangegeven is dat tegen dat besluit een annulatieberoep ingesteld kon worden; dat de beroepstermijn op dat ogenblik aangevangen is; 5.3. Overwegende dat verzoekster ook nog vraagt dat, in geval het middel niet ontvankelijk wordt verklaard en zij geen termijn krijgt om een nieuw beroep in te dienen, aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld zou worden over de conformiteit van de artikelen 92 en 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, enerzijds doordat een verzoeker die “geconfronteerd wordt met vragen omtrent de schending van het (gelijkheidsbeginsel)” overeenkomstig artikel 93 van de genoemde wet de mogelijk- heid heeft om de zaak aan de Algemene Vergadering van de afdeling Administratie voor te leggen terwijl een verzoeker die andere rechtsvragen ontmoet waarover de rechtspraak verdeeld is niet zelf het initiatief kan nemen om de zaak aan de Algemene Vergadering voor te leggen en anderzijds doordat de in artikel 92 genoemde autoriteiten de mogelijkheid hebben om in elke stand van de procedure een zaak aanhangig te maken bij de Algemene Vergadering terwijl de in artikel 93 bedoelde verzoeker de verwijzing uiterlijk in zijn memorie van wederantwoord moet vragen; Overwegende dat de problematiek betreffende de ontvankelijkheid van een middel -het weze een middel geput uit de schending van het gelijkheidsbeginsel- geen enkel verband vertoont met de problematiek geregeld in artikel 92 of 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat verzoekster IX-3223-23/24 niet duidelijk maakt hoe uit een arrest, waarin het Arbitragehof een positief antwoord zou geven op de vragen van verzoekster, voor de Raad van State de verplichting kan voortvloeien om een laattijdig aangevoerd middel toch ontvankelijk te verklaren; dat op de vraag van verzoekster niet wordt ingegaan, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3223-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.