← België

Arrest 145828 - - 13/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.828 Rolnummer: A. 160231/IX-4818 Zaak: Arrest 145828 - - 13/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 17:44 Fiche Arrest nr 145.828 van 13 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.828 van 13 juni 2005 in de zaak A. 160.231/IX-

  1. In zake : Koen DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Sportstraat 49 tegen : de Politiezone VLAS (Kortrijk-Kuurne-Lendelede). --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koen DEPREYTERE op 22 februari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing van 22 december 2004 genomen door het Politiecollege van de Politiezone VLAS en aan verzoeker ter kennis gebracht op 24 december 2004"; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 6 april 2005, houdende bevel tot neer- legging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. PETITAT die, loco advocaat J.-B. PETITAT verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-4818-1/6 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Kortrijk-Kuurne-Lendelede (afgekort: VLAS). 1.
  4. Naar aanleiding van feiten die zich voordeden op 17 mei 2003 wordt verzoeker bij beslissing van 4 juni 2003 van de hoofdcommissaris van politie- directeur personeel bij dringende noodzakelijkheid voorlopig geschorst. Die beslissing wordt op 6 juni 2003 door het politiecollege van de politiezone VLAS (hierna: het politiecollege) bekrachtigd. Bij beslissingen van 29 september 2003, respectievelijk 23 januari 2004, wordt de voorlopige schorsing van verzoeker met behoud van wedde telkens verlengd voor een termijn van vier maanden. Met een nota van 13 oktober 2003 wordt aan verzoeker het voorstel van beslissing van het politiecollege betekend om hem voor de feiten die zich voordeden op 17 mei 2003 de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoeker dient tegen dat voorstel van zware tuchtstraf een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. Op 20 februari 2004 geeft de Tuchtraad zijn advies. Hij adviseert in hoofdorde, omwille van procedurele redenen, af te zien van verdere tucht- vervolging. In ondergeschikte orde adviseert hij dat een schorsing bij tuchtmaatregel zou worden opgelegd voor de duur van drie maanden. Op 12 maart 2004 beslist het politiecollege het advies van de Tuchtraad te volgen inzake het bestaan van de feiten, de toerekening ervan en de omschrijving van de feiten als tuchtvergrijp maar van het advies van de Tuchtraad af te wijken inzake de samenstelling van het dossier, de delegatie en de beteugeling van de feiten en het voorgenomen ontslag van ambtswege in hoofde van verzoeker te behouden. Met een nota van 12 maart 2004 wordt die beslissing ter kennis gebracht van verzoeker. 1.
  5. Op 23 april 2004 beslist het politiecollege aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 op te leggen. IX-4818-2/6 1.
  6. Bij arrest nr. 137.414 van 22 november 2004 schorst de Raad van State het besluit van 23 april 2004 van het politiecollege waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd met ingang van 30 april
  7. 1.
  8. Op 22 december 2004 beslist het politiecollege, na te hebben beraadslaagd over een enig agendapunt “Arrest van de Raad van State. Zaak Koenraad DEPREYTERE/PZ VLAS. Intrekking en gedeeltelijke hernieuwing van de procedure” : “artikel 1: de bestreden beslissing van 23 april 2004 houdende het ontslag van INP Koen DEPREYTERE in te trekken met ingang van 1 mei 2004, met name de dag van de ingang van de effecten van het ontslag van ambtswege; artikel 2: de procedure opnieuw op te nemen vanaf het ogenblik dat door het tussengekomen arrest van 22 november 2004 van de Raad van State de onwettigheid van de procedure werd vastgesteld, met name vanaf het intentie- besluit van 12 maart 2004 om van het advies van de tuchtraad van 20 februari 2004 af te wijken; artikel 3: de intentie te uiten om INP Koen DEPREYTERE terug te plaatsen in de administratieve toestand zoals deze op hem van toepassing was op het ogenblik van de betekening van het initiële intentiebesluit om van het advies van de tuchtraad af te wijken, met name 12 maart 2004, en bijgevolg te overwegen hem te plaatsen in een toestand van voorlopige schorsing met behoud van wedde; artikel 4: INP Koen DEPREYTERE kennis te geven van de intentie van het politie- college houdende de voorlopige schorsing onder de voorwaarden zoals deze waren gesteld, met name met het behoud van wedde, met ingang van 1 januari 2005; artikel 5: INP Koen DEPREYTERE in kennis te stellen van voornoemde beslissing tot intrekking en herneming van de tuchtprocedure en de intentie tot voorlopige schorsing met de mededeling en de uitnodiging om zijn rechten van verdediging te laten gelden inzake de voorlopige schorsing op 30 december 2004 om 9u00 in de nieuwe schepenzaal van het stadhuis te Kortrijk, Grote markt 54”. Die beslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavig annulatieberoep; 2.
  9. Overwegende dat het bestreden besluit vooreerst bepaalt dat het tuchtstrafbesluit van 23 april 2004 ingetrokken wordt; Overwegende dat verzoeker zijn belang bij de vernietiging van die intrekkingsbeslissing legt in het feit dat het hem onmogelijk wordt gemaakt de “volledige procedure en de wijze van besluitvorming vervat in de beslissing van 23 april 2004 (...) te laten beoordelen door de Raad van State”; IX-4818-3/6 Overwegende dat, door de intrekking, het tuchtstrafbesluit van 23 april 2004 ab initio uit het rechtsverkeer verdwenen is en dat verzoeker daarmee van het bestuur het voordeel heeft gekregen dat hij van een vernietigingsarrest mocht verwachten; dat die intrekkingsbeslissing niets verandert aan de mogelijkheid van verzoeker om, wanneer hem een nieuwe tuchtstraf opgelegd zou worden die nog voortbouwt op de procedure die gevolgd is bij de totstandkoming van het tuchtstraf- besluit van 23 april 2004, die gegevens in een annulatieberoep tegen de nieuwe tuchtstraf te betrekken; dat verzoeker geen enkel belang heeft bij de vernietiging van het intrekkingsbesluit; dat het beroep te dien aanzien kennelijk onontvankelijk is; 2.
  10. Overwegende dat het bestreden besluit in artikel 2 bepaalt dat de tuchtprocedure hernomen wordt vanaf het besluit van het politiecollege om van het advies van de tuchtraad af te wijken; dat verzoeker zijn belang bij de vernietiging van die beslissing ziet in het feit dat de verwerende partij geen wettelijke of grondwettelij- ke basis heeft om na een schorsingsarrest van de Raad van State de tuchtprocedure te hernemen; Overwegende dat de beslissing om, na intrekking van een eerder tuchtstrafbesluit, de tuchtprocedure te hernemen, een voorbereidende handeling is in het kader van de tuchtprocedure tegen verzoeker; dat dergelijke voorbereidende handeling geen voor vernietiging vatbare handeling is, aangezien zij de rechtstoestand van verzoeker niet wijzigt; dat verzoeker de onregelmatigheden die hij tegen die voorbereidende handeling meent te kunnen doen gelden als rechtmatigheidsbezwaar tegen het eindbesluit zal kunnen aanvoeren, maar dat het annulatieberoep tegen deze voorbereidende handeling op zich kennelijk onontvankelijk is; 2.
  11. Overwegende dat het intentiebesluit om verzoeker terug te plaatsen in de administratieve toestand waarin hij zich bevond op het ogenblik dat het politie- college besliste van het advies van de tuchtraad af te wijken -dit is de situatie op 12 maart 2004- en het besluit om “te overwegen hem te plaatsen in een toestand van voorlopige schorsing met behoud van wedde” -beslissingen vervat in artikel 3 van het bestreden besluit- geen enkele wijziging brengen aan de rechtstoestand van verzoeker en bijgevolg geen handelingen zijn die door de Raad van State vernietigd kunnen worden; dat het beroep ook te dien aanzien kennelijk onontvankelijk is; 2.
  12. Overwegende dat de beslissingen vermeld in de artikelen 4 en 5 van het bestreden besluit -(kennisgeving van) de intentie om hem voorlopig te IX-4818-4/6 schorsen vanaf 1 januari 2005 en (de beslissing om) verzoeker op 30 december 2004 in dat kader te horen- evenzeer voorbereidende maatregelen zijn ten aanzien van de beslissing om de preventieve schorsing op te leggen; dat ook dat beroep kennelijk onontvankelijk is,
  13. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting vraagt dat de Raad van State in deze zaak gebruik zou maken van de door artikel 37 van zijn gecoördineerde wetten geboden mogelijkheid om verzoeker te veroordelen wegens het instellen van een kennelijk onrechtmatig beroep; dat evenwel de omstandigheid dat het beroep kennelijk onontvankelijk is nog niet betekent dat het beroep kennelijk onrechtmatig is; dat ook de vaststelling dat verzoeker niet aarzelt om tegen elke beslissing die de verwerende partij in zijn zaak neemt een rechtsgeding aan te spannen, op zich nog geen reden vormt om van een kennelijk onrechtmatig geding te gewagen; dat de Raad van State dan ook geen reden ziet om gebruik te maken van de bevoegdheid hem verleend door artikel 37 van zijn gecoördineerde wetten, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juni 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-4818-5/6 W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4818-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.