id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.836 Rolnummer: Zaak: Arrest 145836 - Geneesmiddelen - 13/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-04 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-07-04 13:21 Fiche Arrest nr 145.836 van 13 juni 2005 Sociale zaken en volksgezondheid - Geneesmiddelen Beslissing : Vernietiging Verwerping heropening debatten Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.836 van 13 juni 2005 in de zaken A. 90.302/IX-2279 90.303/IX-2280 100.445/IX-2726 100.446/IX-
- In zake : I., II., III. en IV. de BV MERCK SHARP & DOHME, die woonplaats kiest bij advocaat S. CALLENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 12 tegen : I. en II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, thans de minister van Economie en Wetenschapsbeleid. III. en IV. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Economie,
- de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiezen bij advocaten L. DEPRÉ en B. WILMS, kantoor houdende te BRUSSEL, Brand Whitlocklaan
- III. en IV. verzoekende partij in tussenkomst : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ , P. THIEL en K. VAN KETS, kantoor houdende te BRUSSEL, Brand Whitlocklaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-2279-1/14 D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien een eerste verzoekschrift dat de BV MERCK, SHARP & DOHME op 16 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 21 februari 2000 tot vaststelling van de prijs van de grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen (de zaak G/A 90.302/IX-2279); Gezien een tweede verzoekschrift dat de BV MERCK, SHARP & DOHME eveneens op 16 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 26 januari 2000 houdende de regels inzake de vaststelling van de prijzen van de geneesmiddelen die bestemd zijn voor een behandeling van meer dan 28 dagen en die een prijsvermindering van de huidige verpakking meebrengen (de zaak G/A 90.303/IX-2280); Gezien een derde verzoekschrift dat de BV MERCK, SHARP & DOHME op 13 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 12 december 2000 tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen vanaf 15 december 2000 (de zaak G/A 100.445/IX-2726); Gezien een vierde verzoekschrift dat de BV MERCK, SHARP & DOHME eveneens op 13 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 12 december 2000 tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen voor de periode van 26 februari 2000 tot 14 december 2000 (de zaak G/A 100.446/IX-2727); Gelet op het arrest nr. 88.324 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; (zaak A. 90.302/IX-2279) Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 augustus 2000 door de verzoekende partij; IX-2279-2/14 Gelet op het arrest nr. 88.325 van 27 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; (zaak A 90.303/IX-2280) Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 augustus 2000 door de verzoekende partij; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 19 oktober 2001; (zaken A. 100.445/IX-2726 en A. 100.446/IX-2727) Gelet op de beschikkingen van 14 januari 2002 die de tussenkomsten van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken afwijzen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 6 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-2279-3/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. CALLENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. DERIDDER, die loco advocaat E. VERVAEKE verschijnt voor de verwerende partij in de zaken nrs. A. 90.302/IX-2279 en 90.303/IX-2280; Gehoord het advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is een farmaceutisch laboratorium dat innovatieve geneesmiddelen produceert en verhandelt. Zij stelt dat een groot deel van haar geneesmiddelen bestemd zijn voor chronische aandoeningen en dat zij daarom die geneesmiddelen in grote verpakkingen aanbiedt. 1.
- Artikel 317 van de programmawet van 22 december 1989, gewijzigd door de wet van 20 december 1995, bepaalt met betrekking tot de prijsvaststelling van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering terugbetaalbare geneesmiddelen wat volgt : ”De Minister kan maximumprijzen vaststellen in het algemeen voor de door hem aangeduide categorieën van geneesmiddelen. Deze prijzen mogen lager zijn dan de prijzen toegepast op de datum van zijn beslissing”. 1.
- Ter uitvoering van die wetsbepaling vaardigt de minister van Economie op 26 januari 2000 een ministerieel besluit uit “houdende de regels inzake de vaststelling van de prijzen van de geneesmiddelen die bestemd zijn voor een IX-2279-4/14 behandeling van meer dan 28 dagen en die een prijsvermindering van de huidige verpakking meebrengen”. Het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2000 en vormt het voorwerp van het tweede beroep (de zaak 90.303/IX- 2280). Het besluit is van toepassing “op de terugbetaalbare geneesmiddelen met een farmaceutische vorm in solide toestand bestemd voor toediening via orale weg”. Het bepaalt dat de maximumprijzen van nieuwe geneesmiddelen die ook in verpakkingsgrootten voor een behandeling van meer dan vier weken worden verspreid aan een aantal voorwaarden moeten voldoen, teneinde de prijs “op het niveau af-fabriek BTW niet inbegrepen” met 20% te verminderen. Voor bestaande geneesmiddelen wordt de regeling ingevoerd met ingang van 1 maart
- 1.
- Op 21 februari 2000 heft de minister van Economie het besluit van 26 januari 2000 op en stelt hij een geheel nieuwe regeling in. Wezenlijk in deze nieuwe regeling is artikel 3 dat de prijs per eenheid van een grote verpakking van een geneesmiddel -zijnde, naar luid van artikel 2, “elke verpakking die minstens dubbel zoveel eenheden bevat als een andere bestaande, terugbetaalbare verpakking van hetzelfde geneesmiddel in dezelfde generische vorm en met dezelfde dosering”- “minstens 20 procent lager moet liggen dan de prijs per eenheid van de kleinste terugbetaalbare verpakking”. Dat besluit vormt het voorwerp van het eerste beroep (de zaak 90.302/IX-2279). 1.
- Op 12 december 2000 nemen de minister van Economie en de minister van Volksgezondheid twee nieuwe besluiten: - een eerste “tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen voor de periode van 26 februari 2000 tot 14 december 2000"; - een tweede “tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen vanaf 15 december 2000". IX-2279-5/14 Beide besluiten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 december
- Het eerste heeft uitwerking met ingang van 26 februari 2000 en treedt buiten werking op 15 december 2000 (artikel 10). Het heft nogmaals het sub 1.3 genoemde ministerieel besluit van 26 januari 2000 op (artikel 8) en trekt het sub 1.4 vermelde ministerieel besluit van 21 februari 2000 in (artikel 9). Het tweede ministerieel besluit treedt in werking op 15 december 2000 (artikel 9). Het eerstvermelde besluit wordt bestreden met het vierde beroep (de zaak G/A 100.446/IX-2727). Het tweede besluit wordt bestreden met het derde beroep (de zaak G/A 100.445/IX-2726).
- Over de rechtspleging. 2.
- Overwegende dat de vier bestreden besluiten dezelfde aangelegenheid regelen tijdens hetzelfde tijdsbestek of tijdens aaneensluitende tijdsbestekken; dat zij met elkaar verknocht zijn en het past ze samen te voegen in het belang van een goede rechtsbedeling; 2.
- Overwegende dat de minister van Sociale Zaken gevraagd heeft om in de zaken IX-2726 en IX-2727 te mogen tussenkomen; dat die verzoeken met beschikkingen van 14 januari 2002 werden geweigerd; dat de laatste memories welke de voornoemde minister in de voormelde zaken heeft ingediend uit de debatten worden geweerd;
- Over de ontvankelijkheid. 3.
- Overwegende dat het ministerieel besluit van 26 januari 2000, dat bestreden wordt in de zaak A. 90.303/IX-2280, bij gebrek aan een uitdrukkelijk andersluidende bepaling in werking is getreden op 8 februari 2000, zijnde 10 dagen na zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad, welke geschied is op 29 januari 2000; dat het uitwerking heeft gehad tot 26 februari 2000, zijnde de datum van publicatie van het ministerieel besluit van 21 februari 2000, waarbij het werd opgeheven door IX-2279-6/14 artikel 6 van dat laatste besluit met ingang van voormelde datum; dat de prijsverminderingen welke het oplegde dus van toepassing zijn geweest van 8 tot 25 februari 2000 wat betreft de door de minister vastgestelde maximumprijzen voor nieuwe geneesmiddelen (artikel 2) en zij enkel gold vanaf de eerste dag van de tweede maand na zijn publicatie, dat is 1 maart 2000, voor de bestaande geneesmiddelen (artikel 3); dat op die laatste datum het besluit, zoals zoëven vastgesteld, reeds was opgeheven; dat niet blijkt dat de minister tussen 8 februari 2000 en 25 februari 2000 overeenkomstig artikel 2 de maximumprijzen heeft vastgesteld van nieuwe geneesmiddelen geproduceerd of verhandeld door de verzoekende partij; dat niet wordt beweerd dat het ministerieel besluit van 26 januari 2000 is toegepast op de producten van de verzoekende partij; dat deze dan ook geen belang meer heeft om het te bestrijden; 3.
- Overwegende dat het ministerieel besluit van 21 februari 2000, dat bestreden wordt in de zaak A. 90.302/IX-2279, ingetrokken is bij het eerste ministerieel besluit van 12 december 2000; dat het dus met terugwerkende kracht en definitief uit het rechtsverkeer is weggenomen en de verzoekende partij geen belang meer heeft om het te bestrijden; dat dit ook het geval zou zijn indien het beroep dat zij tegen voornoemd ministerieel besluit van 12 december 2000 heeft ingesteld in de zaak gekend onder nummer A.100.446/IX-2727, gegrond wordt bevonden; dat, immers, de intrekking van het ministerieel besluit van 21 februari 2000 klaarblijkelijk is ingegeven doordat de verwerende partij erkent dat het aangetast is door een of meer gebreken, welke aangeklaagd worden in het ertegen ingestelde annulatieberoep en het dus niet zou herleven ingevolge een eventuele nietigverklaring van het ministerieel besluit van 12 december 2000;
- Over de grond van de zaak A.100.446/IX-
- 4.1.
- Overwegende dat zoals vermeld onder 1.
- het ministerieel besluit van 12 december 2000 tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen voor de periode van 26 februari 2000 tot 14 december 2000 een louter retroactieve uitwerking heeft gehad; IX-2279-7/14 4.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als middel onder meer machtsafwending en de schending van het verbod op retroactiviteit en het rechtszekerheidsbeginsel aanvoert, doordat het bestreden besluit ingrijpt in de hangende rechtsgedingen die verzoekster aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van State, het besluit van 21 februari 2000 opheft en het bestreden besluit retroactief in werking laat treden, terwijl artikel 2 van het burgerlijk wetboek en het rechtszekerheidsbeginsel er zich tegen verzetten dat een besluit hangende een rechtsgeding wordt ingetrokken en een nieuw besluit retroactief in werking treedt zonder dat dit onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst; dat zij daarvoor verwijst naar het arrest nr. 17/2000, van 9 februari 2000, van het Arbitragehof, overweging B.4; dat volgens haar de terugwerkende kracht van een rechtsregel enkel verantwoord kan worden wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst; dat indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, de aard van het in het geding zijnde beginsel vergt dat enkel in uitzonderlijke omstandigheden een verantwoording bestaat voor zulk een optreden van de wetgever, waarbij ten nadele van een categorie van burgers inbreuk gemaakt wordt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden; dat de verzoekende partij besluit : “Doordat enerzijds in het bestreden besluit, dat retroactief in werking treedt op 26 februari 2000 en reeds buiten werking treedt de dag van de publicatie, met name 15 december 2000, waarbij aan verzoekende partij onder meer een mededelingsplicht naar het Ministerie van Economische Zaken wordt opgelegd waar nog onmogelijk aan kon worden voldaan, en doordat anderzijds een tweede besluit van 12 december 2000 is uitgevaardigd dat in werking trad op 16 december 2000 en waarbij een niet gerechtvaardigd verschil in behandeling wordt ingevoegd tussen geneesmiddelen in publiekverpakking en geneesmiddelen in kliniekverpakking en doordat voor deze retroactiviteit geen enkele uitzonderlijke omstandigheid geldt waarmee een doelstelling van algemeen belang wordt verwezenlijkt, is het beginsel van non-retroactiviteit en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden”; IX-2279-8/14 4.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de retroactiviteit van een akte aanvaard wordt wanneer de overheid een beslissing die vernietigd is door de Raad van State opnieuw neemt of wanneer die beslissing het voorwerp heeft uitgemaakt van een intrekking - een vervangingsmiddel van de vernietiging - dit laatste wanneer zulks absoluut noodzakelijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst en voor zover de juridische functie van de vernietiging wordt gerespecteerd; dat zij daarvoor verwijst naar het arrest nr. 62.922, van 5 november 1996 van de Raad van State, alsmede naar de overwegingen B 4 en 5 van het arrest nr. 45/95, van 6 juni 1995, van het Arbitragehof; dat volgens haar in het kader van die rechtspraak de retroactiviteit niet in de eerste plaats is ingegeven door de wil tussen te komen in een hangend geschil maar wel door de wil en de bezorgdheid om problemen te vermijden inzake continuïteit van de openbare dienst en rechtszekerheid: het bestreden besluit moet immers een besparing realiseren van 650 miljoen BEF en om te vermijden dat die besparing in het gedrang komt en zodoende budgetproblemen veroorzaakt voor de overheid moet deze ook effectief doorgevoerd kunnen worden op het gepaste moment; 4.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de verweerster nergens de uitzonderlijke omstandigheden aanbrengt die toelaten dat een inbreuk zou worden gemaakt op de juridische waarborgen die aan allen worden geboden met betrekking tot de gelijkheid van partijen in een hangend rechtsgeschil; dat zij voorts stelt : “De wijzigingen (die) het besluit ten opzichte van het bestreden besluit inhielden betreffen onder andere het verkrijgen van een akkoord van de Minister van Begroting en het advies van de Raad van State, ditmaal genomen op basis van art. 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet. Met deze laatste aanpassing heeft verwerende partij overduidelijk geanticipeerd op een argument dat verzoekende partij heeft ingeroepen bij de procedure die hangend is omtrent de vernietiging van het besluit van 21 februari 2000 en gekend is onder nummer G/A 90.302/IX-
- Daar komt nog bij dat art. 5 van het bestreden besluit nu een specifieke mededelingsplicht creëert die niet in het besluit van 21 februari 2000 was voorzien en waaraan verzoekster onmogelijk kon voldoen vermits het bestreden besluit ophield te bestaan de dag na de publicatie ervan. Verweerster stelt nu in IX-2279-9/14 haar memorie van antwoord dat deze mededelingsplicht eigenlijk reeds bestond tijdens het ingetrokken besluit van 21 februari
- Die plicht zou reeds voorzien zijn in art. 10 van het Ministerieel besluit betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen. Dit Ministerieel besluit regelt evenwel de procedures die de firma's moeten volgen om een prijs of prijsverhoging aan te vragen. Artikel 10 van dit besluit heeft dan ook hoegenaamd geen betrekking op de prijsverlaging die is opgelegd door de Minister conform art. 317 Programmawet en a fortiori niet op de mededeling van inlichtingen ingevolge een dergelijke prijsverlaging. Dit art. 10, als het al op opgelegde prijsverlagingen zou van toepassing zijn, quod non, maakt evenmin melding van de elementen die zijn voorzien in art. 5 van het bestreden besluit, zoals bvb. de actuele en nieuwe marges voor de verdeling in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen en de actuele en nieuwe verkoopprijzen af-fabriek. Men kan dan ook bezwaarlijk spreken van een toepassing van een reeds bestaande verplichting.”; 4.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog verwijst naar het arrest inzake ZIELINSKI, van 28 oktober 1999, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin geponeerd wordt dat de wetgevende macht zich ervan dient te onthouden in te grijpen in de werking van de justitie om de rechterlijke afhandeling van een geschil te beïnvloeden en dat een financieel risico daarvoor geen rechtvaardiging kan zijn; 4.1.
- Overwegende dat de verwerende partij tenslotte in haar laatste memorie herhaalt dat haar optreden niet is ingegeven door de bedoeling in te grijpen in hangende rechtsgedingen, dat ofschoon zulks een gevolg kan zijn van haar regelgevend optreden, het geen onwettigheid uitmaakt voor zover dat optreden ingegeven is door overwegingen van algemeen belang en continuïteit van de openbare dienst, in dezen, de besparing van 650 miljoen BEF welke op het gepaste moment moet kunnen worden doorgevoerd, zoals wordt verwoord in de preambule van het bestreden besluit; 4.2.
- Overwegende dat volgens een algemeen rechtsbeginsel dat ertoe strekt de individuele belangen en de rechtszekerheid veilig te stellen en dat ook wettelijk is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, administratieve rechtshandelingen van reglementaire of individuele aard in principe niet mogen terugwerken; dat van dit beginsel kan worden afgeweken wanneer een wetsbepaling IX-2279-10/14 de terugwerking toestaat; dat daarbuiten een afwijking slechts uitzonderlijk kan worden toegestaan, zoals wanneer de terugwerking absoluut noodzakelijk blijkt met het oog op de goede werking van het bestuur of ter regularisatie van een feitelijke of rechtstoestand, dat laatste inzonderheid wanneer ter uitvoering van een annulatiearrest van de Raad van State de wettelijkheid moet worden hersteld, en dan nog op voorwaarde dat de terugwerking het vereiste van de rechtszekerheid eerbiedigt en geen afbreuk doet aan verkregen rechten; 4.2.
- Overwegende dat de intrekking van een voor de Raad van State bestreden rechtshandeling dezelfde gevolgen heeft als ware zij nietig verklaard; dat in dezen wellicht zou kunnen worden aangenomen dat de vervanging met terugwerkende kracht van het ingetrokken besluit gemotiveerd wordt door de goede werking van de openbare dienst en ter regularisatie van een feitelijke toestand: de door de verwerende partij aangehaalde besparing en de omstandigheid dat het ingetrokken besluit zolang werd toegepast; dat die terugwerking dan wel afbreuk doet aan verkregen rechten en het vereiste van de rechtszekerheid, namelijk de aanspraak van verzoekende partij op het recht om geen prijsvermindering op haar producten te zien toepassen en die aanspraak te laten beslechten door een onafhankelijk rechtscollege; dat het verlenen van terugwerkende kracht aan het bestreden besluit, te meer daar het niet eens voor de toekomst gold, derhalve wel degelijk neerkomt op een poging om de uitslag van een hangend geding te beïnvloeden en zulks nauwelijks verholen wordt toegegeven in zijn aanhef; dat het middel gegrond is;
- Over de grond van de zaak A.100.445/IX-
- 5.
- Overwegende dat het tweede ministerieel besluit van 12 december 2000 dezelfde aangelegenheid regelt die behandeld werd in de andere aangevochten besluiten, doch met inwerkingtreding op 12 december 2000; dat het bevoegde lid van het auditoraat tegen dat besluit ambtshalve het middel aanvoert dat de notificatierichtlijn 98/34/EG is geschonden doordat het bestreden besluit niet werd aangemeld bij de Commissie conform artikel 8 van die richtlijn, welk middel de IX-2279-11/14 verzoekende partij had aangevoerd in haar verzoekschriften tot nietigverklaring van de ministeriële besluiten van 26 januari 2000 en 21 februari 2000 (zaken A.90.302 en A 90.303), doch niet tegen die van 12 december 2000; dat volgens het bevoegde lid van het auditoraat dit middel de openbare orde raakt, aangezien het de bevoegdheid van de steller van de bestreden handeling betreft; dat volgens hem het bestreden besluit beschouwd kan worden als een regeling betreffende de verpakking van de geviseerde geneesmiddelen en dat in elk geval er rekening mee gehouden dient te worden dat die regeling een daadwerkelijke en determinerende invloed zal hebben op de verpakking van de geviseerde geneesmiddelen, daar de verzoekende partij economisch verplicht zal zijn de grote verpakkingen niet meer te commercialiseren; dat hij vaststelt dat terzake een probleem rijst van uitlegging van handelingen van de Europese Unie en daarom voorstelt een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; 5.
- Overwegende dat luidens artikel 24, vierde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer het verslag beperkt is tot het middel van niet-ontvankelijkheid of tot het middel ten gronde dat naar de mening van de verslaggever de oplossing van het geschil mogelijk maakt, de afdeling administratie bij wege van arrest uitspraak doet over de conclusies van het verslag; 5.
- Overwegende dat zoals de verwerende partij in haar laatste memories terecht opwerpt, van het antwoord op de vraag of het bestreden ministerieel besluit vooraf aangemeld diende te worden bij de Europese Commissie, niet afhangt of de minister van Economie, eventueel met akkoord van de minister van Volksgezondheid, bevoegd was om dat besluit te nemen; dat op grond daarvan dan ook niet kan worden besloten dat de kwestie de openbare orde raakt; dat het enkel de vraag betreft of een welbepaalde formaliteit al dan niet diende te worden vervuld; dat niets erop wijst dat die aangelegenheid de openbare orde zou betreffen, derwijze dat het desbetreffende middel ambtshalve aangevoerd zou kunnen worden; dat de debatten dienen te worden heropend teneinde een onderzoek van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen mogelijk te maken, IX-2279-12/14 BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 90.302/IX-2279, 90.303/IX-2280, 100.445/IX- 2726 en 100.446/IX-2727 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen in de zaken nrs. A. 90.302/IX- 2279 en 90.303/IX-
- Artikel
- Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 12 december 2000 tot vaststelling van de prijs van grote verpakkingen van terugbetaalbare geneesmiddelen voor de periode van 26 februari 2000 tot 14 december 2000 in de zaak nr. A. 100.446/IX-
- Artikel
- De debatten worden heropend in de zaak nr. A. 100.445/IX-
- Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-2279-13/14 Artikel
- De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij in de zaken nrs. A. 90.302/IX-2279 en 90.303/IX-
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij in de zaak nr. A. 100.446/IX-
- De kosten van het beroep in de zaak nr. A. 100.445/IX-2726 worden in beraad gehouden. De kosten van de verzoeken tot tussenkomst, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de verzoekers in tussenkomst in de zaken nrs. A. 100.445/IX-2726 en 100.446/IX-
- Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juni 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2279-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.836 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.