id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.838 Rolnummer: A. 142938/X-11610 Zaak: Arrest 145838 - - 13/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:48 Fiche Arrest nr 145.838 van 13 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.838 van 13 juni 2005 in de zaak A. 142.938/X-11.
- In zake :
- Florent RIJKERS,
- Francine VERSTRAELEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. SOL, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Gemeentestraat 4, bus 6 tegen :
- de gemeente BRECHT, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MEEUSEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Kapucinessenstraat 19,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. JITITRANS, die woonplaats kiest bij Advocaat M. WENDRICKX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 18 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Florent RIJKERS en Francine VERSTRAELEN op 21 oktober 2003 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 25 augustus 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht waarbij aan de b.v.b.a. JITITRANS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een autobergplaats op een perceel gelegen te Brecht, Abdijlaan 3, kadastraal bekend Sectie K, nrs. 57 M4 en 58 E en van de beslissing van 25 maart 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht houdende aktename van een nieuwe hinderlijke inrichting klasse 3 voor een transportonderneming op hetzelfde perceel; X-11.610-1/8 Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. SOL, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. BOGAERTS die, loco Advocaat A. MEEUSEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat A. VERLINDEN die, loco Advocaat J. CLAES verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat M. WENDRICKX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de b.v.b.a. JITITRANS met een verzoekschrift van 7 november 2003 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- De feiten Overwegende dat de tussenkomende partij een naar eigen zeggen "klein familiaal vervoerbedrijf dat transport op lange afstand regelt" uitbaat; Overwegende dat de tussenkomende partij op 21 maart 2002 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht melding doet van een hinderlijke inrichting van klasse 3 op een perceel aan de Abdijlaan 3 te Brecht met als voorwerp een stalplaats voor maximum 3 vrachtwagens en/of aanhangwagens, een onderhouds- en herstellingswerkplaats voor bedrijfsvoertuigen X-11.610-2/8 zonder put of hefbrug, een bovengrondse dieseltank van 5.000 liter en een bovengrondse mazouttank van 2.400 liter voor de verwarming van de woning, een dieselverdeelslang en de opslag van maximum 500 liter olie/aflaatolie; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht op 25 maart 2002 akte neemt van die melding; dat dit de tweede bestreden beslissing is; Overwegende dat de tussenkomende partij in april 2002 haar bedrijf, dat voordien elders werd uitgebaat, overbrengt naar de Abdijlaan 3 te Brecht; Overwegende dat de tussenkomende partij op 17 maart 2003 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het bouwen van een nieuwe autobergplaats en de aanleg van een toegangsweg op het kwestieuze perceel; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht na gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar met een besluit van 25 augustus 2002 de gevraagde vergunning geeft; dat dit de eerste bestreden beslissing is;
- De ontvankelijkheid Overwegende dat de eerste verwerende partij de niet-ontvankelijkheid van de vordering opwerpt omdat de tweede bestreden beslissing als aktename van een melding van een hinderlijke inrichting van klasse 3 geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling is en omdat tegen de eerste bestreden beslissing in de vordering tot schorsing dezelfde middelen worden aangevoerd als in de vordering tot nietigverklaring; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing als aktename van de melding van een hinderlijke inrichting van klasse 3 slechts de vaststelling van die melding vormt zodat het geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreft; dat die exceptie gegrond is en dat de vordering tot schorsing niet-ontvankelijk is in de mate dat zij tegen de tweede bestreden beslissing is gericht; Overwegende dat het geenszins is verboden om in het verzoekschrift tot schorsing en het verzoekschrift tot nietigverklaring dezelfde middelen op te werpen; dat die exceptie wordt verworpen; X-11.610-3/8
- Ten gronde 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen wat de tweede voorwaarde betreft aanvoeren dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een voor vrachtwagens bestemde loods en parkeerterrein zullen worden aangelegd in het midden van een woonzone met landelijk karakter, waardoor de bestemming en het uitzicht van het kwestieuze perceel zullen worden gewijzigd, dat de kans klein is dat deze constructies na een langdurige annulatieprocedure zullen worden afgebroken, dat de rust van de verzoekende partijen overdag en 's nachts ernstig zal worden verstoord door het lawaai van warmdraaiende motoren van vrachtwagens en het storend geluid van hogedrukreinigers voor de schoonmaak van die vrachtwagens en dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen voldoende aannemelijk is voor de verzoekende partijen, wier perceel op amper drie meter van de geplande locaties ligt; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat een causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het ingeroepen nadeel, dat een stedenbouwkundige vergunning in het administratief kort geding niet kan worden aangevochten op basis van een nadeel dat wordt gevormd door het hinderlijk karakter van de uitoefening van activiteiten in het bouwwerk wanneer deze activiteiten aan een milieuvergunningsplicht zijn onderworpen, dat de ingeroepen lawaaihinder betrekking heeft op de uitbating van het transportbedrijf van de tussenkomende partij en niet op de aangevochten stedenbouwkundige vergunning, dat de tussenkomende partij haar activiteiten ter plaatse sedert het voorjaar van 2002 uitoefent zonder dat enige klacht wegens overlast is ingediend, dat de voorgehouden lawaaihinder zich dus nog niet heeft voorgedaan, dat die hinder enkel betrekking heeft op het vertrek van vrachtwagens rond half negen 's ochtends en het gevolg is van de exploitatie waarvan melding werd gedaan, dat de hinder van warmdraaiende motoren en van hogedrukreinigers derhalve al bestond vooraleer de bestreden X-11.610-4/8 stedenbouwkundige vergunning werd gegeven en dat de verzoekende partijen geen ernstig en zeker geen onherstelbaar nadeel aantonen; 3.2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens aanvoeren waaruit blijkt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel verschaft, dat de verzoekende partijen beweren hinder te ondervinden van de exploitatie doch niet van de vergunde constructie, dat het een bestaand bedrijf betreft, dat tot heden niemand klachten had en dat de verzoekende partijen een verkeerde voorstelling van de feiten geven, onder meer betreffende de grootte van de constructie en het aantal vrachtwagens; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij er aan toevoegt dat de beweerde lawaaihinder ten gevolge van de bestreden stedenbouwkundige vergunning zich nog niet heeft voorgedaan en derhalve zuiver hypothetisch is, dat de vergunde autobergplaats niet voor 8 maar voor 3 vrachtwagens dient, dat die autobergplaats geen 369,5 m² maar slechts 140 m² beslaat, dat de verzoekende partijen met de algemene bewering in hun verzoekschrift dat een zware vrachtwagen op 15 meter afstand met een geluid van 90 dB zeer hinderlijk is en zelfs gehoorbeschadiging tot gevolg heeft, geen concrete en precieze gegevens aanvoert die een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk maken, dat de motoren 's nachts met een geluidloos accusysteem worden opgeladen, dat de hogedrukreiniger enkel 's zaterdags tussen 9 en 13u wordt gebruikt, dat ter plaatse geen grote herstellingen worden uitgevoerd, dat de voertuigen op 80 meter van het perceel van de verzoekende partijen staan, dat de vrachtwagens het perceel langs de achterzijde en dus geenszins langs de woning van de verzoekende partijen verlaten, dat over de Abdijlaan tractoren rijden met een geluidsproductie van 80 dB, dat noch de verzoekende partijen noch andere buurtbewoners sedert de uitbating van het transportbedrijf klachten hebben geformuleerd, dat de voorgehouden hinder ingevolge de stedenbouwkundige vergunning niet wordt aangetoond, dat die hinder overigens betrekking heeft op de uitbating van de activiteiten van de tussenkomende partij en niet op de stedenbouwkundige vergunning en dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel derhalve niet is bewezen; 3.2.
- Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van X-11.610-5/8 de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat bij de beoordeling van het nadeel dat voortvloeit uit de uitvoering van een stedenbouwkundige vergunning geen rekening kan worden gehouden met de hinder die voortvloeit uit de exploitatie van een milieuvergunningsplichtige inrichting; dat de tussenkomende partij echter enkel een meldingsplichtige inrichting uitbaat, zodat in casu ook het aangevoerde nadeel dat voortvloeit uit het gebruik van de vergunde constructie en betrekking heeft op milieuhinder, moet worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partijen de wijziging van de bestemming en het uitzicht van het kwestieuze perceel in het midden van een woonzone met landelijk karakter aanhalen; dat zij zich beperken tot het weergeven van een algemene stelling en enkel specifiëren dat hun perceel "zich op amper drie meter van de geplande locaties bevindt"; dat zij geen concrete gegevens bijbrengen over de omgeving, het landschap en de aard van het uitzicht, over de mate waarin uitzicht door de vergunde constructie wordt geschaad of over de ligging van hun woning ten opzichte van de vergunde constructie; dat de door de verzoekende partijen aangehaalde afstand van 3 meter enkel de afstand van de vergunde constructie tot de perceelsgrens betreft, hetgeen echter niets zegt over de afstand tot hun woning, het uitzicht en dergelijke meer; Overwegende dat de verzoekende partijen tevens verwijzen naar lawaaihinder; dat de inrichting van de tussenkomende partij slechts een klein familiebedrijf met drie vrachtwagens blijkt te omvatten, dat sedert april 2002 ter plaatse wordt uitgebaat, ook zonder dat de thans vergunde constructie is opgetrokken; dat geen enkel element wijst op een schaalvergroting van de inrichting X-11.610-6/8 die reeds wordt uitgebaat, temeer daar slechts akte is verleend voor de melding van "een stalplaats voor max. 3 vrachtwagens en/of aanhangwagens" en de vergunde constructie slechts 140 m² groot is; dat, daargelaten de vraag of het voorgehouden nadeel een gevolg is van de uitvoering van de vergunde bouwwerken dan wel reeds bestaat, de verzoekende partijen niet met concrete gegevens aannemelijk maken dat de uitbating van een transportbedrijf met slechts drie vrachtwagens een ernstig nadeel zou vormen op het vlak van de aangevoerde milieuhinder; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen niet blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. JITITRANS in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.610-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juni 2005, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.610-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.838 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.