← België

Arrest 145960 - - 15/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.960 Rolnummer: A. 124973/VII-27470 Zaak: Arrest 145960 - - 15/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-29 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 17:58 Fiche Arrest nr 145.960 van 15 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.960 van 15 juni 2005 in de zaak A. 124.973/VII-27.470 In zake :

  1. XXX
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Slowaakse nationaliteit, op 22 juli 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 juni 2002 waarbij hun aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk werd bevonden, alsook van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 21 juni 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; VII-27.470-1/6 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 1 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 25 oktober 1998 en verklaarden zich op 26 oktober 1998 vluchteling. Op 30 december 1998 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 18 juni 1999 besliste de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verder onderzoek noodzakelijk is. Op 29 september 2000 nam de commissaris-generaal de beslissingen houdende de weigering tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Op 7 december 2000 verklaarde de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de beroepen ontvankelijk doch ongegrond. 1.
  5. Op 15 januari 2001 vroegen de verzoekende partijen een machtiging tot voorlopig verblijf aan op grond van artikel 9, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). VII-27.470-2/6 1.
  6. Op 11 juni 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, lid 3, van de Vreemdelingenwet. De motivering luidt als volgt: "(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de beslissing van niet-erkenning genomen door de Vaste Beroepscommissie op 07/12/2000 en kennis gegeven op 19/12/
  7. Er dient opgemerkt dat het instellen van een procedure bij de Raad van State tot nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie niet verantwoordt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van Art. 9 van de wet van 15.12.1980 in België ingediend wordt. Het feit dat betrokkenen Nederlands spreken en hier in België veel kennissen hebben, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. ook de aanwezigheid van twee meerderjarige kinderen in België wijzigt niets aan bovenstaande bewering.". Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  8. Op 21 juni 2002 werd aan de verzoekende partijen het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering luidt als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "(...) Art. 7, al. 1 - 2/ van de wet van 15/12/80: Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. Art. 77 - K.B. van 08/10/1981; Werd niet erkend als vluchteling. Indien dit bevel niet op(ge)volgd wordt, loopt hij (zij) gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "(...) Art. 7, al. 1 - 2/ van de wet van 15/12/80: Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. Art. 77 - K.B. van 08/10/1981; Werd niet erkend als vluchteling. Indien dit bevel niet op(ge)volgd wordt, loopt hij (zij) gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de VII-27.470-3/6 verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.". Dit zijn de tweede en derde bestreden beslissing.
  9. Overwegende dat het aan de verzoekende partijen gegeven bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten zijn rechtsgrond vindt in artikel 7, lid 1, 2/, van de Vreemdelingenwet en artikel 77 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Overwegende dat artikel 77 van het voornoemd koninklijk besluit, luidt als volgt : “Art.
  10. Onder voorbehoud van de opschortende werking bedoeld bij artikel 57/11, § 1, derde lid, van de wet, moet de vreemdeling die niet als vluchteling erkend is, het grondgebied verlaten. De Minister of zijn gemachtigde geeft hem daartoe bevel. Aan de vreemdeling wordt kennis gegeven van de beslissing door afgifte van het document overeenkomstig het model van bijlage 13; (...)”; Overwegende dat de beslissing van 7 december 2000 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, als jurisdictionele beslissing, gezag van gewijsde heeft; dat zulks betekent dat iedere overheid door deze uitspraak gebonden is; dat uit dit gezag van gewijsde volgt dat bij een eventuele vernietiging van de thans bestreden bevelen, de verwerende partij niets anders vermag dan in uitvoering van het hiervoor aangehaalde artikel 77, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, opnieuw, na te hebben vastgesteld dat de verzoekende partijen, nu zij niet als vluchteling zijn erkend, zich op illegale wijze op het grondgebied van het Rijk bevinden, een bevel te verlenen het grondgebied te verlaten; dat derhalve een eventuele vernietiging van de tweede en derde bestreden beslissing aan de verzoekende partijen geen nut kan opleveren; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep tot nietigverklaring van de tweede en derde bestreden beslissing;
  11. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de Dienst Vreemdelingenzaken over een ruimere interpretatiemogelijkheid beschikt dan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat de discriminatie en mishandeling van de Roma in Slowakije uit tal van VII-27.470-4/6 mensenrechtenrapporten blijkt en dat niet wordt gemotiveerd waarom de inspanningen van de verzoekende partijen op het vlak van integratie niet worden beschouwd als uitzonderlijke omstandigheden; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpen; dat de verzoekende partijen dan ook geen belang hebben bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten, zij er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Dienst Vreemdelingenzaken niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die de Dienst Vreemdelingenzaken daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partijen niet aanvoeren, en bijgevolg evenmin aantonen, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat de problemen van de verzoekende partijen in hun land van herkomst het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag, welke op 7 december 2000 werd afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie houdende de weigering tot erkenning van vluchteling; dat bijgevolg deze problemen niet meer kunnen worden beschouwd als buitengewone omstandigheden en dit het determinerend motief is van de bestreden beslissingen; dat het louter stellen dat dit een “voorbeeld van stereotiepe motivering” zou zijn niet volstaat om aan te tonen dat de bestreden beslissingen niet behoorlijk zijn gemotiveerd; dat het middel niet gegrond is; VII-27.470-5/6
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.470-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.