id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.970 Rolnummer: A. 140583/VII-30536 Zaak: Arrest 145970 - - 15/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 17:58 Fiche Arrest nr 145.970 van 15 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.970 van 15 juni 2005 in de zaak A. 140.583/VII-30.536 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. DE ROCKER, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bhutanese nationaliteit, op 12 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-30.536-1/7 Gelet op de beschikking van 26 april 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 1 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DE ROCKER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 31 januari 2003 en verklaarde zich op 3 februari 2003 vluchteling. 1.
- Op 6 maart 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 29 juli 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "A. Vluchtrelaas U verklaarde de Bhutaanse nationaliteit te bezitten en een lhotsampa te zijn afkomstig uit Batahare, blok Laureni in het district Chirang. Uw vader, K., was actief voor de “Bhutan People’s Party” (BPP). Hij werd door de politie doodgeschoten toen hij samen met uw oom Padam op 21 september 1990 deelnam aan een demonstratie tegen de regering te Jalgada. Uw oom vluchtte naar Siliguri (India) waar hij sindsdien woont. De identiteitskaarten en andere documenten van uw ouders werden in beslag genomen. Uw broer Chabilal verdween op 10 september
- U vermoedt dat hij op weg was naar Damphu. Op 17 september 2001 werd u thuis samen met uw moeder en VII-30.536-2/7 uw broer Puskar gearresteerd. U werd tijdens de arrestatie door een agent verkracht. De politie stak uw huis in brand. U werd allen naar een onbekende gevangenis overgebracht waar u samen met uw moeder werd opgesloten. U weet niet waar uw broer terechtkwam. Twee dagen later werd u met uw moeder ondervraagd over Chabilals activiteiten voor “BPP”. U ontkende alles. Uw moeder werd twee maanden na haar arrestatie ziek en stierf. In augustus 2002 werd u naar het kantoor gebracht waar u enkele documenten opgesteld in het Dzongkha moest ondertekenen. Enkele dagen later werd u met uw celgenoten in een jeep gezet en naar de grens met India te Mude gebracht. De agenten waarschuwden u niet meer naar het land terug te keren. U reisde met een andere gevangene naar uw oom Padam in Siliguri. U verbleef er ondergedoken bij uw oom tot zijn echtgenote vond dat u beter kon vertrekken. U reisde op 28 januari 2003 per trein naar Delhi vanwaar u op 31 januari 2003 een vlucht nam naar Parijs. U kwam er op 31 januari 2003 aan en reisde door naar België waar u diezelfde dag nog aankwam. Op 3 februari 2003 vroeg u hier asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat aan de hand van uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) ernstige twijfels gerezen zijn omtrent uw vermeende Bhutaanse herkomst, zodat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in het gedrang komt. Zo wist u niet hoe een “blok” in het Dzongkha genoemd wordt (CGVS, p. 9), en kende u het onderscheid niet tussen de termen “gup” en “mandal” (CGVS, p. 10). Uit informatie waarover het CGVS beschikt, en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat een “blok” de laagste bestuurlijke eenheid is, en dat “gup” en “mandal” twee verschillende termen zijn voor het hoofd van een blok. U beweerde dan weer dat een “gup” hoger staat dan een “mandal” (CGVS, p. 10). U gaf een foutief antwoord op de vraag welke districten aan Chirang grenzen (CGVS, p. 10): u noemde foutief Shemgang en Chhukha, maar vermeldde niet Dagana. Volgens u kent Bhutan achttien districten, terwijl het er volgens informatie waarover het CGVS beschikt 20 moeten zijn (CGVS, p. 10). U kon evenmin de vraag beantwoorden wat de hoofdstad is van uw eigen district, terwijl u toch van de stad Damphu gehoord heeft (CGVS, p. 10). U kon bovendien geen andere plaatsnamen noemen in uw district (CGVS, p. 11). Hoe men het hoofd van een district en subdistrict in het Dzongkha noemt wist u niet (CGVS, p. 11). U kon geen namen van natuurparken geven, terwijl Bhutan verschillende natuurparken en -reservaten kent (CGVS, p. 12). Dit blijkt uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd. Volgens u is een “dzong” een paleis (CGVS, p. 12). Uit informatie waarover het CGVS beschikt blijkt dat “dzongs” oorspronkelijk versterkte kloosters zijn die nu dienst doen als administratief en religieus districtscentrum. U weet niet hoe de Bhutaanse kalender werkt en beweerde foutief dat het festival “Tsechu” over het hele land van 22 tot 24 september gevierd wordt (CGVS, p. 14). Informatie waarover het CGVS beschikt bevestigt dat dit festival op verschillende data in de diverse districten gevierd wordt. U wist bovendien niet ter gelegenheid waarvan dit festival gehouden wordt (CGVS, p. 14). Uw relaas bevat trouwens een aantal bevreemdende elementen waardoor de geloofwaardigheid ervan nog meer in het gedrang komt. U vermeldde immers niet op DVZ dat de politie de identiteitsdocumenten en eigendomsakte van uw ouders in beslag nam in 1990 (CGVS, p. 8) . Ook beweerde u op het CGVS dat de politie na de dood van uw vader soms naar uw huis kwam en daarbij bezittingen van uw familie vernielde (CGVS, p. 14-15), dit vermeldde u echter niet op DVZ, alhoewel de politie bleef komen tot de verdwijning van uw broer in
- U verklaarde op DVZ na de verdwijning van Chabilal "overal naar hem gezocht te hebben" (DVZ, p. 10), terwijl uit uw relaas op het CGVS kan afgeleid worden dat uit angst niemand naar hem op zoek ging (CGVS, p. 16). Op DVZ beweerde u dat een andere gevangene vroeg wat de inhoud was van de documenten in het Dzongkha die u van de politie moest ondertekenen (DVZ, p. 10), terwijl u op het CGVS beweerde niet te weten wat in deze documenten stond en dat niemand van de gevangenen naar de inhoud durfde vragen (CGVS, p. 19). Het is eveneens bevreemdend dat u niet weet in welke gevangenis u werd opgesloten terwijl u er verschillende maanden zou doorgebracht hebben (CGVS, p. 17). Door VII-30.536-3/7 bovenstaande opmerkingen komt de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas nog meer in het gedrang. Dat u India diende te verlaten omdat u in geval van een arrestatie naar Bhutan riskeerde gerepatrieerd te wodren (CGVS, p. 6) strookt niet met de informatie waarover het CGVS beschikt. Daaruit blijkt immers dat recentelijk geen repatriëringen gebeurd zijn en dat dat ook weinig waarschijnlijk is aangezien Bhutan lhotsampa’s niet als staatsburgers zou aanvaarden. U bent niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de materiële motiveringsplicht en van de formele motiveringsplicht, zoals uitgedrukt in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing betwist; dat zij de ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas tracht te weerleggen en het gebrek aan reis- en identiteitsdocumenten tracht te verklaren; Overwegende dat tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dan ook, wanneer men in staat is een schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, dit betekent dat de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht betreft, de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk VII-30.536-4/7 onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partij een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat die vaststellingen feitelijk onjuist zijn noch dat de gevolgtrekkingen die de commissaris-generaal daaruit afleidt kennelijk onredelijk zijn; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat de verzoekende partij verwijst naar mensenrechtenrapporten, zonder deze evenwel op haar eigen concrete toestand te betrekken; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat deze vaststellingen volstonden om de asielaanvraag van de verzoekende partij als bedrieglijk te verwerpen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de rechten van verdediging; dat de verzoekende partij stelt dat haar uitgebreide antwoorden bijzonder kort werden samengevat en dat zij tijdens het interview niet werd geconfronteerd met ‘de beschuldiging dat haar verklaringen ongeloofwaardig zijn’; VII-30.536-5/7 Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is in administratieve procedures die worden gevoerd in het raam van de Vreemdelingenwet; dat om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alle objectieve gegevens nagaat die hij nodig heeft om zijn beslissing te kunnen nemen; dat de verzoekende partij werd uitgenodigd voor een interview op het Commissariaat-generaal; dat zij aldus de mogelijkheid heeft gehad om haar asielmotieven omstandig uiteen te zetten en om eventueel aanvullende stukken neer te leggen; dat de commissaris-generaal niet verplicht is tijdens het verhoor de kandidaat-vluchteling te confronteren met de vastgestelde ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van het redelijkheidsbeginsel; dat de verzoekende partij aanvoert dat zowel de Dienst Vreemdelingenzaken als de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen enkel oog hebben voor details en dat een beslissing dient te steunen op alle aspecten van de zaak; Overwegende dat de motieven op basis waarvan de commissaris- generaal besloot tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag, worden vermeld in de bestreden beslissing; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de verzoekende partij er niet in slaagt de onredelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing aan te tonen; dat aldus moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij onvoldoende elementen aanbrengt op basis waarvan kan worden aangetoond dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-30.536-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-30.536-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div