id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.067 Rolnummer: A. 127979/XIV-12122 Zaak: Arrest 146067 - - 15/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche Arrest nr 146.067 van 15 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.067 van 15 juni 2005 in de zaak A. 127.979/XIV-12.
- In zake : XXX, wonende te 1080 BRUSSEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 12 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 augustus 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-12.122-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.-P. DOCQUIR, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Georgische nationaliteit, komt op 11 mei 2000 België binnen en vraagt op 12 mei 2000 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 28 mei 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 12 juni 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 27 juni 2002 beslist de Voorzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep, dat “kennelijk ongegrond voorkomt”, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 30 augustus 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat J.-P. DOCQUIR, gehoord. 1.
- Op 30 augustus 2002 neemt de Voorzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt luidt: “U bent een Georgisch staatsburger. Uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt u uw land van herkomst te zijn ontvlucht wegens problemen, veroorzaakt door uw lidmaatschap van de Labour Party. XIV-12.122-2/9 In januari 1999 werd u lid van de Georgian Labour Party U had als taak de bevolking te informeren. Op 31 oktober 1999 was u, in opdracht van uw partij, in de regio Martvili waarnemer bij de parlementsverkiezingen. De regeringspartij verzegelde er vroegtijdig de stembussen omdat er gefraudeerd zou zijn. Ook werd de broer van Pridon Ingia, de kandidaat van uw partij die in Martvili aan de winnende hand was, gearresteerd. Een journaliste die u vergezelde filmde deze gebeurtenissen. Na afloop van de stembusgang vertrok u met twee partijleden en de journaliste naar Tbilisi, waar jullie het materiaal aan de leiders van uw partij wilden afgeven. Onderweg werden jullie tegengehouden en naar het politiekantoor van de wijk Digomi in Tbilisi gebracht. Daar werd u beledigd, bedreigd en geslagen. Op 7 november 1999 werd u vrijgelaten. Men eiste dat u uw politieke activiteiten stopzette. U ging verder met het verspreiden van informatie onder de bevolking. Twee keer werd u door het Ministerie van Binnenlandse Zaken gewaarschuwd. Wegens gezondheidsproblemen vertrok u in januari 2000 naar uw ouders in Svaneti, terwijl uw vrouw, die zwanger was, naar haar ouders in Tskneti ging. Ook in Svaneti informeerde u de mensen. Tevens bezorgde u de krant “Svaneti” informatie over het verloop van de verkiezingen en organiseerde u vergaderingen over de nakende presidentsverkiezingen van 9 april
- Op aanraden van uw partij verbleef u in de periode voor de verkiezingen bij verschillende familieleden in Svaneti. Op 18 maart 2000 werd uw ouderlijk huis omsingeld door leden van de OMON, die naar u op zoek waren. Enkel uw grootmoeder en zus waren toen aanwezig. Uw grootmoeder werd geslagen en uw hond gedood. De dag nadien diende uw familie een klacht in bij de afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Mestie. Politieagenten ondervroegen uw grootmoeder in uw ouderlijk huis en beloofden hulp. Omdat uw ouders u verzocht hadden hun huis te verlaten, vertrok u op 6 april 2000 naar Gardabani, waar u drie dagen later aankwam. De presidentsverkiezingen, gewonnen door Shevardnadze, verliepen frauduleus. Terwijl zij alleen thuis was, vielen op 10 april 2000 drie mensen het ouderlijk huis van uw vrouw binnen. Zij vroegen naar uw verblijfplaats en bedreigden en duwden haar. Hierdoor kreeg uw vrouw een miskraam. Nog diezelfde dag zocht u haar op in het ziekenhuis. Jullie dienden een klacht in bij Elena Tevdoradze, de voorzitster van de parlementaire commissie voor mensenrechten. Op 14 april 2000 overleed uw vrouw. Hierna achtte u het in Georgië niet veilig meer. Op 1 mei 2000 haalde u spullen op in uw appartement in Tbilisi, waar uw neef verbleef Later vernam u van hem dat uw appartement in de nacht van 1 mei door een zestal mensen doorzocht werd. Op aanraden van leden van uw partij, vrienden en familie verliet u Georgië op 6 mei
- Vijf dagen later kwam u in België aan. U diende uw asielaanvraag in op 12 mei
- U bent in het bezit van uw rijbewijs, partijkaart en van kopies van uw identiteitskaart. Niettegenstaande de initiële ontvankelijkheidsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, moet in de gegrondheidsfas(z)e worden vastgesteld dat uw asielrelaas niet kan leiden tot het toekennen van het vluchtelingenstatuut. Vooreerst blijkt, uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, dat leden van de Labour Party door de huidige Georgische machthebbers niet worden vervolgd (zie “Missie naar Georgië, 23 oktober tot 1 november 2001: analyserapport”, Cedoca, januari 2002, p.10). Dit ondermijnt de actuele vrees voor vervolging die u jegens uw land van herkomst zou koesteren. Vervolgens dient te worden vastgesteld dat de ernst van de door u aan gehaalde problemen die u volgens uw verklaringen kende tussen oktober 1999 en mei 2000 met de Georgische autoriteiten wegens uw activiteiten voor de Labour Party, niet worden bevestigd door de bronnen waarover het Commissariaat-generaal beschikt, Volgens deze bronnen maken leden van de Georgian Labour Party namelijk geen voorwerp uit van vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève (zie “Missie naar Georgië, 23 oktober tot 1 november 2001: analyserapport”, Cedoca, januari 2002, p. 6-7 en 9- 10). Eveneens dient de geloofwaardigheid van uw verklaring volgens dewelke u in april 2000 bij Elena Tevdoradze een klacht indiende over de door u ondervonden problemen in twijfel te worden getrokken. Immers, mevrouw Tevdoradze bevestigt dat er geen gevallen van vervolging van LP-leden bekend zijn en dat verklaringen over vervolging door de staat jegens leden van de Labour Party niet geloofwaardig zijn (zie “Missie naar XIV-12.122-3/9 Georgië, 23 oktober tot 1 november 2001: analyserapport”, Cedoca, januari 2002, p. 10). Uit het voorgaande volgt, dat in uw hoofde geen gegronde vrees voor vervolging, in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, kan worden weerhouden. De door u neergelegde documenten, namelijk uw rijbewijs, partijkaart en kopies van uw identiteitskaart, wijzigen het voorgaande niet. Dit alles bleek duidelijk uit het administratief dossier zodat ik het niet nodig achtte u persoonlijk te horen.”; Overwegende dat appellant stelt dat er, na een gunstige beslissing bij de (de) Dienst Vreemdelingenzaken, geen verhoor ten gronde was bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat hij in zijn vraagformulier stelde dat hij geen bijkomende informatie kon geven omdat hij reeds alles verteld had bij het eerste interview (de Dienst Vreemdelingenzaken); dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is een kandidaat-vluchteling te horen ten gronde indien hij over voldoende elementen beschikt om een beslissing te nemen; dat de procedure bij de VBV mondeling is en appellant ter zitting gehoord wordt; Overwegende dat de verklaringen van de appellant een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn; dat de verklaringen van de appellant coherent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel rust op de appellant en hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat het vervolgens de taak is van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaardigheid van de verklaringen van betrokkene te beoordelen (zie onder meer UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, september 1979, 53); 1) Overwegende dat appellant noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet of in België aankwam, bewijst; dat hij stelt op 6 mei 2000 per minibus vertrokken te zijn, via Turkije gereisd te hebben en op 11 mei 2000 in België toegekomen te zijn; dat hij volgens zijn verklaringen nergens gestopt is; dat hij geen enkele bijzonderheid meedeelt over zijn reis; dat hij daarenboven tegenstrijdige verklaringen aflegt met betrekking tot het bezit van een paspoort; dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat hij zijn paspoort in Georgië achtergelaten heeft; dat hij ter zitting stelt dat hij nooit over een Georgisch paspoort beschikte; dat de verklaringen van appellant met betrekking tot zijn reisweg niet geloofwaardig zijn en wijzen op een gebrek aan medewerking; 2) Overwegende dat appellant bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 7 en 10 juli 2000 stelde dat er op 18 maart 2000 een inval van de politie plaatshad in het huis van zijn ouders, waar op dat ogenblik alleen zijn grootmoeder verbleef; dat de hond gedood werd en de grootmoeder opzij geduwd; dat zij gevallen is en hierdoor nog altijd te bed ligt; dat er de volgende dag klacht ingediend werd, maar de grootmoeder thuis bleef omwille van haar val en de arts naar hun huis kwam; dat de politie thuiskwam om haar te ondervragen; dat hieruit blijkt dat de politie na de klacht en dus ten vroegste op 19 maart de grootmoeder thuis heeft kunnen ondervragen; dat er geen vermelding is van een hospitalisatie maar van het feit dat de grootmoeder "nog altijd te bed ligt"; dat appellant een getuigschrift van 3 juni 2000 van het regionaal hospitaal van Mestia neerlegt waarin gesteld wordt dat de grootmoeder van appellant van 18 maart tot 20 mei 2000 gehospitaliseerd werd; dat volgens de verklaringen van appellant zijn grootmoeder op 19 maart nog thuis verbleef en er ondervraagd werd door de politie; dat hij ook een attest van de gemeente neerlegt waarin gesteld wordt dat er op 18 maart 2000 een aanval was op het huis van de familie Javjani, dat de hond gedood werd en de grootmoeder gehospitaliseerd; dat deze getuigschriften strijdig zijn met de verklaringen van appellant voor wat de hospitalisatie van zijn grootmoeder betreft; dat dergelijke documenten een relatieve bewijswaarde hebben en bij gebrek aan overeenstemming met de verklaringen van appellant geen bewijswaarde hebben; 3) Overwegende dat appellant bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat hij actief was voor zijn partij met betrekking tot de presidentsverkiezingen van 9 april 2000; dat hij de juiste informatie gaf over de organisatie van deze verkiezingen, de wijze om te stemmen en dat niemand in de plaats van een andere persoon kon stemmen; dat hij om XIV-12.122-4/9 dit alles te bereiken samen met andere leden van zijn partij vreedzame vergaderingen en meetings organiseerde; dat er tijdens de verkiezingen veel waarnemers aanwezig waren en er veel gefraudeerd werd; dat zij probeerden deze gevallen van fraude te vermijden; dat uit de beschikbare documentatie echter blijkt dat de Labor Party de presidentsverkiezingen van 9 april 2000 heeft geboycot (CEDOCA, Missie naar Georgië, 23 oktober 2001 tot 1 november 2001, Politieke partij: de Labour Party, blz. 4 en 6); dat geconfronteerd met deze vaststelling ter zitting, appellant bevestigt dat de presidentsverkiezingen geboycot werden door zijn partij; dat hij dit voorheen niet vermeld heeft; dat nader ondervraagd waarom hij de boycot van de verkiezingen door zijn partij niet opvolgde appellant stelt dat "het volk" vroeg dat hij en andere partijleden actief zouden zijn tijdens de verkiezingen; dat hij dit niet nader bepaalt; dat de verklaringen van appellant niet overtuigen; 4) Overwegende dat appellant stelt dat zijn vrouw naar aanleiding van een huiszoeking op 10 april 2000 terwijl men naar hem op zoek was mishandeld werd; dat zij zwanger was en een bloeding kreeg en onmiddellijk naar het ziekenhuis moest; dat zij op 14 april 2000 overleden is; dat appellant in dit verband klacht zou ingediend hebben bij Elene Tevodoradze, voorzitter van de commissie voor mensenrechten in het parlement; dat de commissie vaststelt dat appellant geen bewijzen neerlegt in dit verband, noch van het overlijden van zijn echtgenote, noch van zijn klacht bij mevrouw Tevodoradze; dat mevrouw Tevodoradze naar aanleiding van een gesprek op 30 oktober 2001 verklaarde dat ze geen weet heeft van vervolgingen ten aanzien van de Labor Party en zijn leden en dat zij van mening was dat de beweringen van vervolging door de staat jegens leden van de Labor Party niet geloofwaardig zijn; Dat appellant stelt dat de verklaringen van mevrouw T. niet door haar ondertekend zijn en vermeld zijn in een rapport dat opgesteld is door CEDOCA met vermelding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; dat vragen gesteld kunnen worden over de onafhankelijkheid van deze dienst; Dat het CEDOCA verslag weliswaar niet concreet handelt over de door appellant aangehaalde feiten; dat het echter een aanwijzing biedt met betrekking tot de eventuele vervolging van partijleden van de Labor Party; dat er appellant ter zitting op gewezen werd dat er in mensenrechtenverslagen geen bevestiging gevonden werd van de door hem aangehaalde zeer ernstige feiten; dat appellant hierop stelt dat hij geen bewijzen moet voorleggen daar hij "over een voldoende sterk relaas beschikt"; dat de bewijslast rust op appellant en hij tot taak heeft de bewijzen die hij kan voorleggen met betrekking tot de aangehaalde feiten voor te leggen; dat hij geen verklaring geeft voor het feit dat hij weliswaar bepaalde bewijzen voorlegt met betrekking tot zijn grootmoeder, maar zelfs geen begin van bewijs voorlegt met betrekking tot de zeer ernstige feiten met betrekking tot zijn echtgenote; 5) Overwegende dat appellant een lidkaart van de Labor Party evenals een verklaring van deze partij heeft voorgelegd; dat deze verklaring stelt dat betrokkene het voorwerp van beperkingen was door de staatsoverheden tijdens zijn verblijf in Georgië en verplicht was het land te verlaten; dat dit getuigschrift niet nader bepaalt wat de activiteiten of problemen waren van de appellant; dat appellant nochtans volgens zijn verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 7 november 1999 samen met twee andere leden van de partij vrijgekomen zou zijn dankzij de tussenkomst van de Labor Party; dat getuigschriften van een politieke beweging geen officiële documenten zijn; dat zij een bijkomend bewijs kunnen zijn van de door appellant aangehaalde feiten; dat dergelijke getuigschriften op zich niet voldoende zijn om het gebrek aan geloofwaardigheid van het relaas van een asielzoeker te herstellen; dat dit getuigschrift de door appellant aangehaalde feiten niet vermeldt en niet bewijst; 6) Overwegende dat appellant oproepingen voorlegt van de onderzoeksrechter om te verschijnen als getuige; dat hier niet uit blijkt dat hij het voorwerp is van gerechtelijke vervolging; dat dit geen bewijs is van het feit dat appellant het voorwerp van vervolging zou zijn in geval van terugkeer naar zijn land; 7) Overwegende dat appellant na de oproeping om te verschijnen voor een alleenzetelend rechter bijkomende bewijzen heeft neergelegd; dat deze nieuwe bewijselementen geen bewijs zijn van de aangehaalde feiten; XIV-12.122-5/9 Overwegende dat de appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Jajvani Davit de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), in samenlezing met artikel 57/17 van de Vreemdelingenwet, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is overgegaan tot een “dénaturation du récit”,
(1)dat zijn reisweg voordien nooit in twijfel werd getrokken en het desbetreffend motief ongegrond is,
(2)dat het voorgelegde getuigschrift enkel vermeldt dat zijn grootmoeder gehospitaliseerd werd ten gevolge van een aanval die plaatsvond op die dag, doch niet dat de hospitalisatie onmiddellijk na de aanval plaatsvond of dat zij plaatsvond “de telle date à telle date”,
(3)dat uit het verhoorverslag duidelijk blijkt dat hij verklaarde dat hij de slecht ingelichte bevolking beter wou informeren over hun rechten, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, wat de boycot van de Labor Party betreft, hieruit een verkeerde conclusie trekt,
(4)dat hij, wat het gebrek aan bewijzen met betrekking tot de dood van zijn vrouw betreft, een aantal documenten heeft neergelegd om zijn asielaanvraag te staven, dat de voorzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen evenwel verklaarde “c’est toujours la même chose avec les gens de l’Est, ils ne viennent jamais avec des preuves, cela doit être une caractéristique”, hetgeen getuigt van een gebrek aan objectiviteit, dat een gestructureerd verhaal vergezeld van “normale” bewijzen volstaat, dat “het absolute bewijs” in vervolgingszaken slechts zelden bestaat, zodat de eisen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen onredelijk zijn,
(5)dat het a posteriori eisen dat het getuigschrift van de Labor Party zijn gedetailleerd vervolgingsrelaas zou moeten overdoen, een eis is die in geen enkele (wet)tekst is opgenomen,
(6)dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de oproeping van de onderzoeksrechter uit zijn globale context rukt, hetgeen strijdig is met de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen, dat, wat de bijkomende bewijzen betreft die werden neergelegd na de oproeping om te verschijnen voor een alleenzetelend rechter, de wet nergens verbiedt dat nog stukken worden neergelegd nadat de partijen werden opgeroepen voor de zitting, zodat ze in aanmerking moeten worden genomen, en
(7)dat hij, zoals hij reeds ter zitting meedeelde en in het verhoorverslag zou moeten zijn opgenomen, na de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een nota met opmerkingen heeft neergelegd, die echter zonder enige motivering werd genegeerd; XIV-12.122-6/9 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker, onder het mom van een schending van de motiveringsplicht, een herbeoordeling van zijn zaak beoogt, hetgeen niet binnen de bevoegdheid van de Raad van State valt, dat, wat zijn reisweg betreft, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een nieuwe beoordeling maakt en in het licht van de door haar gedane vaststellingen terecht heeft geoordeeld dat verzoeker op dit punt in gebreke is gebleven, dat, wat de hospitalisatie van zijn grootmoeder betreft, verzoeker volkomen ten onrechte stelt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen rekening zou hebben gehouden met de gegevens van het dossier, dat het immers niet is omdat in de bestreden beslissing niet op elk detail van het administratief dossier wordt ingegaan, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen deze gegevens zou hebben miskend bij de beoordeling van zijn dossier, dat, wat de vervolgingen betreft, verzoeker er niet in slaagt aannemelijk te maken dat hij het voorwerp is van gerechtelijke vervolging en ten onrechte beweert dat van hem wordt verwacht sluitende bewijzen te leveren, dat verzoeker niet toelicht op welke wijze hij het ingeroepen artikel 57/17 van de Vreemdelingenwet geschonden acht; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal verwijst naar de uiteenzetting in zijn inleidend verzoekschrift; 2.4.
- Overwegende dat er niet in het minst wordt toegelicht op welke wijze artikel 57/17 van de Vreemdelingenwet door de bestreden beslissing geschonden wordt geacht; dat, bij ontstentenis van deze toelichting, dit onderdeel van het enig middel onontvankelijk is; 2.4.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat, zoals in meerdere consideransen omstandig wordt toegelicht, geen geloof kan worden gehecht aan het voorgehouden asielrelaas; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; 2.4.
- Overwegende dat door het hoger beroep de zaak voor een volledig nieuw onderzoek aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat deze het ontbreken van een bewijs in verband met de reisweg in haar oordeelsvorming kan betrekken, ook al hadden de Dienst Vreemdelingenzaken en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daaraan voordien niet getwijfeld; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, het motief, ontleend aan de tegenstrijdige verklaringen omtrent het bezit van een paspoort, steun vindt in het administratief dossier, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins haar appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan; 2.4.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, het door hem neergelegde en van een vertaling voorziene medisch getuigschrift wel degelijk XIV-12.122-7/9 vermeldt -zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op goede gronden vaststelt- dat de hospitalisatie van zijn grootmoeder plaatsvond van 18 maart tot 20 mei 2000; 2.4.
- Overwegende dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of verzoekers verklaringen met betrekking tot de boycot door de Labor Party tijdens de presidentsverkiezingen voldoende overtuigen; dat, voor zover verzoeker in het middel een aannemelijke verklaring poogt te geven, het ertoe strekt deze beoordeling te laten overdoen en kan het niet in aanmerking worden genomen; 2.4.
- Overwegende dat de Voorzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tijdens het verhoor zou hebben gezegd dat het blijkbaar een kenmerk is dat kandidaat-vluchtelingen uit Oost-Europese landen nooit bewijzen voorleggen, een loutere bewering is die niet in het minst wordt gestaafd en bovendien geen enkele steun vindt in de stukken van het dossier, waaronder inzonderheid het verslag van de zitting; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling verkeert om stavingsstukken voor te brengen, over de bewijswaarde van de voorgelegde stukken en of de voorgelegde stavingsstukken volstaan; dat niets de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen belet te oordelen dat een stuk de aangehaalde feiten onder meer te beknopt weergeeft om als bewijs ervan te kunnen worden aangenomen; dat, zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, ook de kandidaat-vluchteling moet aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is; dat hij dan ook, in de mate van het mogelijke, geschreven bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook terecht stelt “dat de bewijslast rust op appellant en hij tot taak heeft de bewijzen die hij kan voorleggen met betrekking tot de aangehaalde feiten voor te leggen”; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet eist dat hij “een absoluut bewijs” zou voorleggen, doch enkel vaststelt “dat hij geen verklaring geeft voor het feit dat hij weliswaar bepaalde bewijzen voorlegt met betrekking tot zijn grootmoeder, maar zelfs geen begin van bewijs voorlegt met betrekking tot de zeer ernstige feiten met betrekking tot zijn echtgenote”; 2.4.
- Overwegende dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient en bijgevolg geen afdwingbare rechtsregels bevat; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker laat uitschijnen, uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de stavingsstukken, die hij neerlegde nadat hij voor de terechtzitting werd opgeroepen, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in overweging werden genomen, doch werden afgewezen omdat zij “geen bewijs zijn van de aangehaalde feiten”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op onaantastbare wijze oordeelt over de bewijskracht van de haar overgelegde bescheiden waaruit de feitelijke toedracht van de zaak zou moeten XIV-12.122-8/9 blijken; dat het feit dat ze hieruit een ander besluit trekt dan de vreemdeling, niet betekent dat zij de bewijskracht van deze stukken zou hebben miskend; 2.4.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de nota met opmerkingen pas heeft ontvangen op 9 september 2002, met andere woorden nadat de bestreden beslissing van 30 augustus 2002 reeds was genomen, zodat zij niet verplicht was hier nader op in te gaan; dat nergens uit het verhoorverslag van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens blijkt dat verzoeker ter zitting zou hebben gemeld dat hij nog een nota met opmerkingen wenste neer te leggen na afloop van de zitting; dat uit het verhoorverslag -integendeel- blijkt dat de debatten onvoorwaardelijk werden gesloten na afloop van de zitting; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.122-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div