id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.115 Rolnummer: A. 51951/XII-1104 Zaak: Arrest 146115 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 18:06 Fiche Arrest nr 146.115 van 16 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.115 van 16 juni 2005 in de zaak A. 51.951/XII-
- In zake :
- de NV IMMO DE WITTE,
- Hendrik VAN GESTEL,
- Maria DYCKMANS,
- César DE WITTE,
- Odette BEL, die woonplaats kiezen bij advocaten H. Sebreghts en D. Bogman, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 33 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat P. Taelman, kantoor houdende te Gent, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Immo De Witte, Hendrik Van Gestel, Maria Dyckmans, César De Witte en Odette Bel op 28 mei 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 december 1992 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnen- landse Aangelegenheden tot goedkeuring van de beslissing van 5 april 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij te Retie een gedeelte van de voetwegen nrs. 40 en 51 wordt afgeschaft, een gedeelte van de voetweg nr. 40 wordt verlegd en een nieuwe voetweg wordt geopend tussen de Nieuwstraat en de buurtweg nr. 20, Meiereind; Gelet op het arrest nr. 119.301 van 13 mei 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd F. De Buel; XII-1104-1/6 Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Sebreghts, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat P. Taelman verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat op 5 april 1990 de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen beslist, op voorstel van de gemeenteraad van Retie en onder verwijzing naar artikel 27 en volgende van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, om een gedeelte van de voetwegen nrs. 40 en 51 af te schaffen, om een gedeelte van de voetweg nr. 40 te verleggen en om een nieuwe voetweg te openen tussen de Nieuwstraat en de buurtweg nr. 20, Meiereind; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de beslissing op 14 december 1992 goedkeurt; Overwegende dat ter terechtzitting verzoekers verklaren afstand te doen van hun vordering in zoverre zij tot de vernietiging strekt van de goedkeuring, door de Vlaamse minister, van de afschaffing van een gedeelte van de voetwegen nrs. 40 en 51; dat, zoals reeds vastgesteld in het arrest nr. 119.301 van 13 mei 2003, deze afschaffing betrekking heeft op twee stukken voetweg die binnen de rooilijnen van de Nieuwstraat gelegen zijn, en alleen beoogt een einde te stellen aan het dubbel statuut dat deze stukken om die reden hebben én van buurtweg én van XII-1104-2/6 gewone gemeenteweg; dat de goedkeuring van de afschaffing afsplitsbaar is van de rest van de bestreden beslissing; dat de afstand geen bezwaren oproept; dat de wettigheid van dat gedeelte van het goedkeuringsbesluit dan ook niet verder onderzocht wordt; Overwegende dat verzoekers in een tweede middel onder meer aanvoeren dat artikel 28bis van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen is geschonden doordat “er geen rooilijnplan is opgemaakt volgens de voorgeschreven procedure, noch minder is goedgekeurd door de Koning”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat het aangevoerde artikel 28bis niet van toepassing is op de verlegging van voetpaden, “want de bedoeling van deze wetsbepaling betreft alleen de wegen die deel uitmaken van het wegennet”; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord opmerken dat verwerende partij niet de toepasselijkheid te dezen van de wet op de buurtwegen betwist, maar alleen van het artikel 28bis ervan, dat de tekst van de wet als een geheel moet worden bekeken, dat nergens in de wet een onderscheid wordt gemaakt tussen buurtwegen en voetpaden, en dat “[d]e enige logische constructie is dat de wet volledig op deze situatie van toepassing is”; Overwegende dat in zijn laatste memories de verwerende partij benadrukt dat artikel 28bis niet van toepassing is op de verlegging van voetpaden omdat de bepaling alleen wegen beoogt die deel uitmaken van het wegennet, omdat voor voetpaden geen algemeen rooiplan als bedoeld in artikel 28bis wordt opgesteld, omdat de wet van 9 augustus 1948 wel in het artikel 9, maar niet in het artikel 6 -dat artikel 28bis in de wet van 10 april 1841 invoegt- van “buurtwegjes” (sentiers) gewaagt, en omdat artikel 28bis een “uitzondering maakt op art. 28”, en bijgevolg restrictief te interpreteren is; Overwegende dat uit de artikelen 27 en 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen volgt dat aan de bestendige deputatie de beslissing over de afschaffing, de wijziging of de aanleg van een buurtweg toekomt, en aan de Koning, thans de gewestregering, een goedkeuringstoezicht met betrekking tot de beslissing van de bestendige deputatie; dat weliswaar, wanneer de beslissing van de bestendige deputatie genomen is na een initiatief van de gemeenteraad -zoals te dezen het geval XII-1104-3/6 is-, dit goedkeuringstoezicht gelet op artikel 28, tweede lid, slechts aan de orde komt ingeval de gemeente of een belanghebbende derde het in artikel 28, tweede en vierde lid, bedoelde beroep instellen; Overwegende dat de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen aan die regeling het voorschrift van artikel 28bis heeft toegevoegd, volgens hetwelk een buurtweg slechts na de goedkeuring door de Koning van een algemeen rooiingsplan mag worden aangelegd of rechtgetrokken, de bestendige deputatie gehoord; dat, luidens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de vermelde wet heeft geleid, “[h]et past dat aan de Staat het middel worde gegeven om de aan het buurtwegennet aan te brengen wijzigingen van dichterbij te controleren”; dat als zodanig het voorschrift er niet toe strekt de beslissingsbevoegdheid over de aanleg of rechttrekking van de buurtweg te onttrekken aan de bestendige deputatie, aan wie de artikelen 27 en 28 die bevoegdheid hebben opgedragen, maar wezenlijk tot doel heeft te verzekeren dat, hoe dan ook, in geval van een beslissing tot aanleg of rechttrekking van een buurtweg het ontworpen traject aan de goedkeuring van de Koning wordt onderworpen; Overwegende dat de beslissing van 5 april 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen te Retie voorziet in de verlegging van een gedeelte van de voetweg nr. 40, opgenomen in de atlas der buurtwegen (detailplan nr. 18), en in de aanleg van een nieuwe voetweg; dat niet betwist is dat niet aan voormeld artikel 28bis is voldaan; dat verwerende partij daarvoor als enige verontschuldiging aanvoert dat het artikel niet van toepassing is op voetwegen; Overwegende dat het artikel 28bis moet worden gelezen en begrepen in de context waarin het voorkomt; dat het is ingelast vlak na de artikelen 27 en 28 omtrent, onder meer, de aanleg en de rechttrekking van een “buurtweg”; dat buiten kijf staat dat in die artikelen het begrip “buurtweg” ook slaat op een voetweg zoals de voetweg nr. 40 te Retie; dat het dan ook met toepassing is van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, inzonderheid artikel 27 en volgende, dat de bestendige deputatie tot de verlegging van een gedeelte van genoemde voetweg nr. 40 en de aanleg van een nieuwe voetweg heeft beslist, én dat verwerende partij die beslissing heeft goedgekeurd; dat, als gezien, artikel 28bis die artikelen alleen maar aanvult, door bijkomend te vereisen dat de beslissing over de aanleg of rechttrekking van een “buurtweg” wordt voorafgegaan door de goedkeuring door de Koning van een algemeen rooiplan; dat het zich in die omstandigheden als logisch noodzakelijk XII-1104-4/6 opdringt dat het begrip “buurtweg” in artikel 28bis dezelfde inhoud heeft als in de artikelen die er aan voorafgaan en dat het met andere woorden ook de voetwegen geldt; dat het voor de toepassing van dat artikel, zoals voor de toepassing van de ganse wet van 10 april 1841, niet ter zake doet of de betrokken buurtweg al dan niet slechts een “buurtwegje” is; Overwegende dat het enige argument van verwerende partij ter verantwoording dat te dezen geen toepassing is gemaakt van artikel 28bis niet wordt aangenomen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 14 december 1992 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden in zoverre het de beslissing van 5 april 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen om te Retie een gedeelte van de voetweg nr. 40 te verleggen en een nieuwe voetweg te openen tussen de Nieuwstraat en de buurtweg nr. 20, Meiereind, goedkeurt. Artikel
- Wat het overige van het bestreden besluit betreft wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 495,80 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-1104-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1104-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.115 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.301 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.