id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.117 Rolnummer: A. 83243/XII-1963 Zaak: Arrest 146117 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 18:07 Fiche Arrest nr 146.117 van 16 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.117 van 16 juni 2005 in de zaak A. 83.243/XII-
- In zake : Joseph BOETS, wonende te Diest, Schoonaerde 8 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joseph Boets op 31 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 december 1998 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dat hijzelf, zijn echtgenote Lyliane Blommaerts en hun kinderen An en Tom Boets op 17 september 1996 dienen te worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder, Weigersberg 18, komende van Schoonaerde 8 te Diest; Gelet op het arrest nr. 80.038 van 4 mei 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 8 juni 1999 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; XII-1963-1/21 Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Bij brief van 8 februari 1995 dienen zeven S.P.-gemeenteraads- leden van Diest bij de gouverneur van Vlaams-Brabant klacht in tegen de verkiezing, tijdens de gemeenteraadszitting van 23 januari 1995, van verzoeker als eerste opvolger van de tot effectief lid verkozen Jacques Celis in de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Diest. Zij doen gelden dat verzoeker niet voldoet aan de bepalingen van artikel 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, naar luid waarvan men tot werkend lid van de raad voor XII-1963-2/21 maatschappelijk welzijn of tot opvolger kan worden gekozen op voorwaarde, onder meer, dat men op de dag van de verkiezing zijn hoofdverblijfplaats heeft in de gebiedsomschrijving van het centrum. Zij staven deze stelling met concrete gegevens waaruit zij menen te mogen afleiden dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats niet heeft op het adres Schoonaerde 8 te Diest maar op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder. 1.
- Op 22 februari 1995 onderzoeken de waarnemend arrondissementscommissaris van Leuven en de brigadecommissaris van de landelijke politie van het arrondissement Leuven, in opdracht van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant, verzoekers verblijfstoestand. Het onderzoek levert volgende informatie op: S de bevolkingsdienst van Diest deelt mee dat verzoeker reeds sinds de fusies van gemeenten is ingeschreven op het adres Schoonaerde 8 te Diest; S de stadsontvanger van Diest bevestigt dat verzoeker is ingeschreven op de belastingrol voor het jaar 1994 met het oog op de invordering van de milieubelasting; S het gemeentesecretariaat deelt mee dat verzoeker door de gemeenteraad van Diest tijdens de zitting van 11 februari 1988 werd aangesteld als gemeenteraadslid, hij werd opnieuw als gemeente- raadslid aangesteld voor een nieuwe legislatuur met ingang van 2 januari 1989; S de politiecommissaris van Diest deelt mee dat verzoeker inderdaad “woonachtig” is op het adres Schoonaerde 8 te Diest, maar er zeer zelden aanwezig is; S Pelsers, eigenares van de panden Schoonaerde nrs. 8 en 10, verklaart dat verzoeker het pand nr. 8 huurt en dagelijks naar zijn woonst komt; S ter plaatse wordt vastgesteld dat het pand nr. 8 zich in een eerder armtierige staat bevindt, maar best bewoonbaar is; XII-1963-3/21 S de bevolkingsdienst van Heusden-Zolder bevestigt dat verzoeker niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente; S de gemeenteontvanger van Heusden-Zolder deelt mee dat verzoeker als tweede verblijfhouder is geregistreerd op het adres Weigersberg 18; S ter plaatse wordt vastgesteld dat de woning op het adres Weigersberg 18 zeer ruim is, maar slechts gedeeltelijk afgewerkt, verzoeker is aanwezig en verklaart dat hij dagelijks in zijn woning op het adres Schoonaerde 8 te Diest komt, maar dat hij noodgedwongen een tweede verblijf heeft in Heusden-Zolder omdat zijn vrouw daar haar beroepsbezigheden uitoefent en door haar werkgever wordt verplicht in de gemeente te wonen, hij deelt ook mee dat hij het grootste deel van zijn tijd doorbrengt in Heusden-Zolder omdat hijzelf lesgeeft aan meerdere hogere onderwijs-instellingen in de provincie Limburg. De arrondissementscommissaris en de brigadecommissaris besluiten het volgende : “Ongeacht het feit dat dhr Boets veel van zijn tijd doorbrengt in zijn tweede verblijf te Heusden-Zolder om redenen aangehaald door betrokke[ne], zijn wij van oordeel dat Diest als zijn hoofdverblijfplaats moet beschouwd worden. Hij is geboren te Schaffen en is altijd in de gemeente ingeschreven geweest. (zie copie bevolkingsdienst) Hij heeft er meerdere jaren een politiek mandaat uitgeoefend. Volgens dhr Boets is hij vanaf 1981 O.C.[M.]W.-raadslid geweest (dit werd door ons niet gekontroleerd) Hij is gemeenteraadslid geweest sedert 1988 (dit werd ons bevestigd door de gemeentesecretaris) tot 2.1.
- Indien er enig bezwaar omtrent de verblijfplaats was van dhr Boets. waarom heeft men daar dan niet vroeger tegen geageerd?”. 1.
- De bestendige deputatie van Vlaams-Brabant beslist op 27 februari 1995 dat het ingediende bezwaar met betrekking tot de verkiesbaarheid van verzoeker niet ontvankelijk is. De verkiezingen voor de samenstelling van de raad van het plaatselijk openbaar centrum voor XII-1963-4/21 maatschappelijk welzijn die op 23 januari 1995 te Diest plaatsvonden, worden geldig verklaard. In de overwegingen stelt de bestendige deputatie vast dat het bezwaar met betrekking tot de verkiesbaarheid van verzoeker niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend en derhalve niet ontvankelijk is, maar dat toch “een aantal gegevens van het dossier kunnen doen twijfelen aan de effectieve hoofdverblijfplaats van de h. Boets”. Na het onderzoek van de arrondissementscommissaris en de brigadecommissaris blijkt volgens de bestendige deputatie niet afdoende dat het vermoeden dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente waar hij is ingeschreven, werd weerlegd. Niettemin wordt het onderzoek voortgezet “voor het geval de betrokkene als effectief OCMW-raadslid zou worden geïnstalleerd”. 1.
- Met een schrijven van 17 maart 1995 vraagt de gouverneur van Vlaams-Brabant aan de minister van Binnenlandse Zaken een advies over de werkelijke hoofdverblijfplaats van verzoeker. 1.
- Op 3 april 1995 wordt verzoeker geïnstalleerd als effectief lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Diest. 1.
- Met brief van 7 augustus 1995 deelt de directie van de verkiezingen en van de bevolking (hierna: de directie) aan de gouverneur mee dat uit het bevolkingsonderzoek is gebleken dat verzoeker en diens echtgenote en kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder. Het dossier van het bevolkingsonderzoek, dat door de gouverneur wordt opgevraagd, bevat volgende relevante documenten : S een schrijven van 21 april 1995 van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening over het waterverbruik op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder; S een schrijven van 25 april 1995 van Interelectra over het elektriciteitsverbruik op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder; XII-1963-5/21 S een schrijven van 26 april 1995 van Pligas over het gasverbruik op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder; S een politieverslag van Diest van 27 april 1995; S een politieverslag van Heusden-Zolder van 16 mei 1995; S een schrijven van Belgacom van 17 mei 1995 met betrekking tot de telefoonaansluiting op het adres Schoonaerde 8 te Diest; S een schrijven van 23 mei 1995 van Iverlek over het gasverbruik op het adres Schoonaerde 8 te Diest; S een verslag van de bevolkingsinspecteurs M. Peeters en R. Meuris van 29 mei 1995; S een schrijven van 26 juni 1995 van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening over het waterverbruik op het adres Schoonaerde 8 te Diest; S een verslag van de bevolkingsinspecteur B. Vermeyen van 28 juni 1995; S een schrijven van de waarnemend postontvanger van Diest met betrekking tot de postbedeling op het adres Schoonaerde 8 te Diest. Met brief van 29 september 1995 deelt de gouverneur aan verzoeker de conclusies mee van het door de diensten van de minister van Binnenlandse Zaken gevoerde onderzoek. Tevens wordt hem een kopie bezorgd van de stukken van het onderzoeksdossier en wordt hem meegedeeld dat hij over een termijn van vijftien dagen beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen mee te delen. Met een schrijven van 17 oktober 1995 bezorgt verzoeker aan de gouverneur een uitvoerig verweerschrift met verantwoordingsstukken. Dit verweerschrift wordt door de gouverneur bij brief van 20 november 1995 voor advies aan de minister van Binnenlandse Zaken bezorgd. Met brief van 6 januari 1996, gericht aan de gouverneur, voegt de directie een aantal “preciseringen” toe aan het dossier. Deze strekken ertoe verzoekers verweer te weerleggen. De directie handhaaft de met schrijven van XII-1963-6/21 7 augustus 1995 meegedeelde conclusies van het door haar diensten gevoerde onderzoek. 1.
- Bij brief van 6 februari 1996 wordt verzoeker door de provinciegriffier van Vlaams-Brabant uitgenodigd om op 5 maart 1996 op de vergadering van de bestendige deputatie te verschijnen. Tevens wordt hem een afschrift bezorgd van de briefwisseling met het ministerie van Binnenlandse Zaken. In openbare vergadering van 5 maart 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant wordt verzoeker gehoord. Er worden ten behoeve van de bestendige deputatie nog enkele verantwoordingsstukken ingediend, waaruit onder meer blijkt dat verzoeker op 25 januari 1995 werd geïnstalleerd als gemeenteraadslid-titularis van de gemeenteraad van Diest. Nog steeds op 5 maart 1996 beslist de bestendige deputatie verzoeker vervallen te verklaren van zijn mandaat als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Diest met uitwerking vanaf de betekening van deze beslissing. Met een op 13 maart 1996 door hem ontvangen brief, wordt verzoeker in kennis gesteld van de beslissing van de bestendige deputatie. Aan de minister van Binnenlandse Zaken wordt een afschrift de betrokken beslissing bezorgd. Met een op 22 maart 1996 ter post aangetekend verzoekschrift stelt verzoeker tegen voormeld besluit een hoger beroep in bij de Raad van State. 1.
- Op 8 mei 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van Heusden-Zolder het gezin Boets ambtshalve in te schrijven op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder. 1.
- Op 29 mei 1996 brengen de bevolkingsinspecteurs M. Peeters en R. Meuris verslag uit over het kort aanvullend onderzoek dat zij met betrekking XII-1963-7/21 tot het verblijf van verzoekers gezin voerden. Zij handhaven de conclusie dat het gezin dient te worden ingeschreven op het adres Weigersberg 18 te Heusden- Zolder. Op 31 mei 1996 rapporteert bevolkingsinspecteur B. Vermeyen over het aanvullend onderzoek op het adres Schoonaerde 8 te Diest. Zij besluit dat verzoekers gezin niet woont op voormeld adres. 1.
- Op 17 september 1996 beslist de bestendige deputatie verzoeker ook vervallen te verklaren van zijn mandaat van gemeenteraadslid. Verzoeker stelt met een op 4 oktober 1996 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift ook tegen dit besluit van de bestendige deputatie hoger beroep in bij de Raad van State. 1.
- Bij arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 bevestigt de Raad van State het besluit van 5 maart 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams- Brabant. Het arrest overweegt dat een aantal elementen uit de door de diensten van het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgevoerde onderzoek, in redelijkheid het vermoeden weerleggen dat het gezin Boets zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Schoonaerde 8 te Diest en het aannemelijk maken dat die hoofdverblijfplaats gesitueerd is op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder, “te meer” omdat verzoeker er niet in slaagt de betreffende gegevens op een overtuigende wijze te weerleggen. Bij arrest nr. 72.861 van 31 maart 1988 wordt bij gebrek aan een memorie van wederantwoord ook verzoekers beroep tegen het besluit van 17 september 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant door de Raad van State verworpen, op grond van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 1.
- Met brieven van 25 juni 1998 deelt de directie aan verzoeker, diens echtgenote en diens raadsman, aan de burgemeesters van Diest en Heusden-Zolder en aan de raadsman van Diest mee dat zij voornemens is betrokkenen “overeenkomstig de beslissingen van de Bestendige Deputatie van de XII-1963-8/21 Provincie Vlaams-Brabant dd. 5 maart 1996 en 17 september 1996 en na de beroepsprocedures ingesteld [...] voor de Raad van State [...] op datum van 17 september 1996 aan dit adres in het bevolkingsregister in te schrijven”. De geadresseerden wordt ook meegedeeld dat zij opmerkingen of nieuwe gegevens binnen vijftien dagen schriftelijk kunnen bezorgen en dat zij het recht hebben het administratief dossier in te zien en te worden gehoord. De brief, bestemd voor verzoeker en zijn echtgenote, is gericht aan het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder, maar wordt door de post teruggestuurd met de vermelding “geweigerd”. Dezelfde brief wordt op 7 juli 1998 opnieuw verzonden, ditmaal gericht aan het adres Schoonaerde 18 te Diest. Laatstgenoemd schrijven wordt in ontvangst genomen. Bij brief van 14 juli 1998 vraagt verzoeker om inzage in het administratief dossier en om te worden gehoord. Bij brief van 24 juli 1998 betwisten verzoeker, zijn echtgenote en hun kinderen dat zij hun hoofdverblijfplaats zouden hebben op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder. Op 9 september 1998 wordt verzoeker gehoord door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 15 december 1998 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing die, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wetgeving en reglementering, steunt op volgende motieven : “Overwegende dat uit het onderzoek dd. 11 april 1995, 3, 17, 18 mei 1995 en 1, 20 en 21 juni 1995 en de aanvullende onderzoeken dd. 10, 14, 15, 21 en 22 mei 1996 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) voldoende is gebleken dat de heer Joseph Boets en zijn gezin werkelijk woont te Heusden-Zolder, Weigersberg 18; [...] XII-1963-9/21 Overwegende dat de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams- Brabant, zetelend als administratief rechtscollege in eerste aanleg, dd. 17 september 1996 de heer Joseph Boets vervallen heeft verklaard van zijn mandaat van gemeenteraadslid van de stad Diest omdat hij zijn hoofdverblijf niet heeft aan Schoonaerde 8 te Schaffen/Diest; Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 van de Xe kamer van de afdeling administratie het beroep van de heer Joseph Boets tegen het besluit dd. 5 maart 1997 van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant houdende de vervallenverklaring van zijn mandaat van O.C.M.W.-raadslid heeft verworpen en de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 5 maart 1996 heeft bevestigd aangezien het gezin Boets zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder en niet op het adres Schoonaerde 8 te Diest; Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 72.861 van 31 maart 1998 van de XIIe kamer van de afdeling administratie het beroep van de heer Joseph Boets tegen het besluit dd. 17 september 1996 van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant houdende de vervallenverklaring van zijn mandaat van gemeenteraadslid van de stad Diest heeft verworpen wegens gebrek aan belang; [...] Overwegende dat het gemeentebestuur van Heusden-Zolder, dat bij brief dd. 25 juni 1998 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen heeft medegedeeld; Overwegende dat de heer M. Decat, raadsman van de heer Joseph Boets, die bij brief dd. 25 juni 1998 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen heeft medegedeeld; Overwegende dat de heer N. Baets, raadsman van de stad Diest, ingevolge het aangetekend schrijven van het departement aan hem en de stad Diest dd. 25 juni 1998, bij fax dd. 1 juli 1998 horing vraagt betreffende het administratief dossier, hetgeen hem werd toegestaan bij brief dd. 7 juli 1998, maar de heer N. Baets bij fax dd. 20 juli 1998 mededeelt dat hij niet aanwezig zal zijn op de horing dd. 28 juli 1998 en er door hem of de stad Diest geen nieuwe elementen werden medegedeeld die een invloed zouden kunnen hebben op de voorgestelde beslissing; Overwegende dat de brief dd. 25 juni 1998, die hieromtrent door het departement werd gestuurd naar de heer en mevrouw Joseph Boets-Lyliane Blommaerts aan de Weigersberg 18 te 3550 Heusden-Zolder, door De Post werd teruggestuurd met de vermelding : Overwegende dat de heer Joseph Boets ingevolge de brief dd. 7 juli 1998, die hieromtrent door het departement werd gestuurd aan het adres te Schaffen/Diest, Schoonaerde 8, bij brief dd. 14 juli 1998 inzage en horing vraagt in het administratief dossier en hij tevens mededeelt dat hij afziet van de diensten van zijn raadsman, de heer M. Decat; Overwegende dat de heer en mevrouw Joseph Boets-Lyliane Blommaerts in afwachting van de inzage in het administratief dossier bij brief dd. 24 juli XII-1963-10/21 1998 mededelen dat het gezin zijn hoofdverblijfplaats heeft te Diest, Schoonaerde 8, ze de intentie hebben deze in de toekomst te behouden en ze tevens volgende bijkomende gegevens wensen mede te delen : * in het arrest van de Raad van State nr. 66.922 van 24 juni 1997 werd geen rekening gehouden met de memorie neergelegd op de openbare zitting van 11 februari 1997, als repliek op het verslag van de auditeur van 26 juni 1996; * doordat zijn raadsman, de heer M. Decat, geen wederwoord heeft ingediend op de memorie van 28 januari 1997 van de verwerende partij, de stad Diest, de Raad van State verplicht was in haar arrest nr. 72.861 van 31 maart 1998 vast te stellen dat het vereiste belang ontbrak om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant aangaande de vervallenverklaring van zijn mandaat als gemeenteraadslid te Diest; * op 23 december 1997 werd een verzoekschrift gericht aan de Europese Commissie, ingesteld door “Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden” te Straatsburg; Overwegende dat de kinderen An en Tom Boets, ingevolge het schrijven van het departement dd. 7 juli 1998, bij brieven dd. 24 juli 1998 mededelen dat hun hoofdverblijfplaats gelegen is te Diest, Schoonaerde 8 en ze bijgevolg hun hoofdverblijfplaats niet hebben te Heusden-Zolder, doch verder geen nieuwe elementen aanbrengen die een invloed zouden kunnen hebben op de voorgestelde beslissing; Overwegende dat de heer Joseph Boets dd. 13 augustus 1998 inzage heeft genomen van het administratief dossier en hij op datum van 9 september 1998 gehoord werd door de heer Directeur-generaal, L. Vanneste; Overwegende dat de heer Joseph Boets tijdens de horing dd. 9 september 1998 verklaart dat de klacht die tegen hem indertijd is geformuleerd het gevolg is van een politieke wraakactie en zowel het Provinciebestuur als het Ministerie van Binnenlandse Zaken niet nagegaan hebben of de klacht gefundeerd was, maar het hoofdbestuur erop wijst dat het onderzoek naar zijn verblijfstoestand gebeurd is na verzoek van het Provinciebestuur, het Departement gebonden is door de beslissingen van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant als rechtsprekend college dd. 5 maart 1996 en dd. 17 september 1996 en hiertegen enkel beroep mogelijk is bij de Raad van State, maar hij de mogelijkheid heeft om alle volgens hem nog ontbrekende stukken in het dossier alsnog neer te leggen; Overwegende dat er verder geen nieuwe elementen werden aangehaald ingevolge de horing dd. 9 september 1998 van de heer Joseph Boets en dat uit het bevolkingsonderzoek, de beslissingen van de Bestendige Deputatie en de arresten van de Raad van State voldoende gebleken is dat het gezin van de heer Joseph Boets zijn hoofdverblijf niet heeft gevestigd in Schoonaerde 8 te Diest, maar wel aan de Weigersberg 18 te Heusden-Zolder, [...]” XII-1963-11/21 1.
- Overwegende dat de directie met brieven van 17 december 1998 een afschrift van de bestreden beslissing bezorgt aan de burgemeesters van Diest en Heusden-Zolder, met het verzoek over te gaan tot de uitvoering ervan. Bij brief van 24 december 1998 zendt het gemeentebestuur van Heusden-Zolder een afschrift van de bestreden beslissing aan verzoeker en zijn echtgenote op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder. De brief wordt door de post teruggestuurd met de vermelding “woont niet meer op aangeduid adres”. Op 3 februari 1999 overhandigt de politie van Heusden-Zolder op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder aan verzoekers echtgenote een aan haar gerichte brief van 6 januari 1999 van de burgemeester waarbij een afschrift van de bestreden beslissing is gevoegd. Op 4 februari 1999 haalt verzoeker een gelijkaardige brief af op het politiekantoor van Heusden-Zolder.
- De ontvankelijkheid. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord in een eerste exceptie betoogt dat het beroep onontvankelijk is in zoverre verzoeker zegt het ook in te stellen “namens zijn gezin”; dat zij in een tweede exceptie doet gelden dat het verzoekschrift laattijdig is omdat het werd ingediend meer dan zestig dagen na de eerste betekening van de bestreden beslissing bij brief van 24 december 1998; Overwegende dat in het auditoraatsverslag met betrekking tot de eerste exceptie wordt geconcludeerd dat er geen reden is om aan te nemen dat verzoeker zou beogen het annulatieberoep mee te laten uitgaan van zijn echtgenote en meerderjarige kinderen; dat aangaande de tweede exceptie wordt besloten dat het beroep tijdig is ingediend; dat verwerende partij zich ter zake in de laatste memorie er toe beperkt zich aan te sluiten bij het auditoraatsverslag; dat zij zodoende geacht wordt van de excepties afstand te doen; XII-1963-12/21
- De grond van de zaak. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel put uit machtsoverschrijding; dat hij stelt dat de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant in haar beslissing van 17 september 1996 niet uitdrukkelijk heeft vermeld dat hij samen met zijn gezin vanaf die datum moest worden ingeschreven op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder, dat bijgevolg de retroactiviteit die de bestreden beslissing geeft aan de inschrijving in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder van hemzelf en zijn gezin, rechtsgrond mist, dat de raadsman van de stad Diest tijdens een verhoor door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 17 februari 1997 verklaarde dat de bestendige deputatie niet bevoegd is om een wijziging van een inschrijving te bevelen, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken bij ministerieel besluit van 11 maart 1998 werd gemachtigd om moeilijkheden en betwistingen in verband met het bepalen van een hoofdverblijfplaats te beslechten zodat hij onmogelijk beslissingen kan nemen die uitwerking hebben voor deze datum, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissings-bevoegdheid niet retroactief kan uitoefenen, dat de arrondissementscommissaris van Leuven bij het onderzoeken van zijn verblijfstoestand buiten zijn ambtsgebied optrad zodat de beslissingen van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant gegrond waren op gegevens die op onwettige wijze werden verzameld; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel stelt dat er te dezen sprake is van “valsheid in geschrifte en kwade trouw”; dat hij betoogt dat het schrijven van 2 mei 1996 van de politiecommissaris van Heusden-Zolder aan het ministerie van Binnenlandse Zaken betreffende het onderzoek dat de politie voerde naar de verblijfssituatie van verzoekers gezin, alsook de brief van 14 mei 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Heusden-Zolder aan de minister van Binnenlandse Zaken houdende weigering verzoekers gezin ambtshalve in te schrijven in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder, opzettelijk niet werden opgenomen in de inventaris en het dossier waarop de bestreden beslissing steunt, dat bovendien met beide stukken geen rekening werd XII-1963-13/21 gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing, dat derhalve documenten die de inschrijving van zijn gezin in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder niet rechtvaardigen te kwader trouw uit het dossier werden geweerd, dat de verslagen van 29 en 31 mei 1996 van de aanvullende onderzoeken van de bevolkingsinspecteurs vals zijn daar zij naar zijn mening onjuiste verklaringen en foutieve vaststellingen vermelden; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel doet gelden dat het telefoongeheim werd geschonden aangezien de bevolkingsinspecteurs in hun verslag van 29 mei 1996 op basis van twee telefonische contacten met zijn dochter besluiten dat zijn gezin moet worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder, dat de bevolkingsinspecteurs aldus op illegale wijze informatie hebben vergaard aangezien het betrokken telefoonnummer geheim is en hij het nooit openbaar heeft gemaakt, dat het voormelde ook een schending inhoudt van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna : het E.V.R.M.) en van artikel 22 van de Grondwet, dat de bevolkingsinspecteurs zonder zijn toestemming inlichtingen hebben ingewonnen over zijn telefoonverbruik, hetgeen krachtens artikel 109ter D van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheids- bedrijven, verboden is; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel doet gelden dat het briefgeheim werd geschonden doordat bij het onderzoeken van de verblijfstoestand van zijn gezin bij de postontvanger te Diest werd geïnformeerd op wiens naam de brieven aan het adres Schoonaerde 8 te Diest werden besteld, dat immers artikel 29 van de Grondwet de onschendbaarheid van het briefgeheim waarborgt, dat de postdienst het bestaan van brieven niet mag bekendmaken, dat de artikelen 16 en 21 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna : het koninklijk besluit van 16 juli 1992) ondergeschikt zijn aan en in strijd zijn met de artikelen 22 en 29 van de Grondwet, artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de XII-1963-14/21 mens en artikel 8, eerste lid, van het E.V.R.M., dat bijgevolg op illegale wijze informatie werd ingewonnen; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel woonstschennis en huisvredebreuk aanklaagt; dat hij uiteenzet dat de bevolkings- inspecteurs en de arrondissementscommissaris van Leuven zich schuldig hebben gemaakt aan de in artikel 148 van het Strafwetboek omschreven misdrijven en dat artikel 15 van de Grondwet, dat bepaalt dat de woning onschendbaar is, meermaals werd geschonden, dat ook artikel 22 van de Grondwet werd geschonden, alsook artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en artikel 8, eerste lid, van het E.V.R.M.; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel aanvoert dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur werd geschonden, dat elektriciteits-, gas- en watermaatschappijen geen “besturen” zijn die krachtens artikel 21, derde lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 gehouden zijn inlichtingen te verstrekken die van nut zijn voor het onderzoek, dat de ingewonnen informatie aan het “opdrachtgevend administratief rechtscollege” werd bezorgd zonder verzoeker voorafgaandelijk het dossier te laten inzien teneinde gegevens te laten verbeteren en/of aan te vullen, hetgeen in strijd is met artikel 5 van voormelde wet betreffende de openbaarheid van bestuur; 3.
- Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de bestreden beslissing steunt op de beslissingen van 5 maart 1996 en 17 september 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant waarbij verzoeker vervallen wordt verklaard van zijn mandaten van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en van gemeenteraadslid en op de arresten van de Raad van State nr. 66.922 van 24 juni 1997 en nr. 72.861 van 31 maart 1998 waarbij verzoekers beroepen tegen voormelde besluiten van de bestendige deputatie worden verworpen, dat het gezag van gewijsde waarmee voornoemde arresten zijn bekleed met zich meebrengt dat zij naar recht kon beslissen dat verzoeker met ingang van 17 september 1996 zijn hoofdverblijfplaats te Heusden-Zolder heeft, dat dit des te meer het geval is daar XII-1963-15/21 verzoeker tijdens het na voormelde arresten van de Raad van State voortgezette administratief onderzoek, geen nieuwe elementen heeft aangevoerd; dat zij voorts verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 van de Raad van State waarin volgens haar werd geantwoord op alle door verzoeker aangevoerde middelen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de door verwerende partij ingeroepen besluiten van de bestendige deputatie en arresten van de Raad van State enkel steunen op de door hem ten zeerste betwiste onderzoeken van de bevolkingsinspecteurs, vermeld in de verslagen van 29 mei 1995 en 28 juni 1995, terwijl de bestreden beslissing mee gebaseerd is op aanvullende onderzoeken van mei 1996 die op onwettelijke basis tot stand kwamen en geen objectieve weergave bieden van de feitelijke toestand, dat hij slechts kennis heeft genomen van de aanvullende onderzoeken bij zijn inzage van het dossier, dat de weigering van de gemeente Heusden-Zolder om zijn gezin ambtshalve in te schrijven in het bevolkingsregister door het ministerie van Binnenlandse Zaken uit het dossier werd geweerd, nooit werd opgenomen in de inventaris en door het ministerie van Binnenlandse Zaken niet ter kennis van de Raad van State werd gebracht; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie als “nieuwe gegevens” aanbrengt, 1/ dat hij samen met zijn gezin op 21 juni 1999 opnieuw werd ingeschreven in het bevolkingsregister van Diest op het adres Schoonaerde 8, 2/ dat hij opnieuw kandidaat was bij de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000, zonder dat daartegen bezwaar werd ingediend, en 3/ dat de “aanvullende betwiste onderzoeken” van mei 1996 plaatsvonden na het besluit van 5 maart 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant, waartegen hij op 22 maart 1996 een annulatieberoep bij de Raad van State instelde, en bijgevolg moeten worden geweerd volgens het beginsel dat de bestuurlijke overheid zich dient te onthouden van elke, zij het indirecte, ingreep wanneer bij een rechtscollege een geding aanhangig is, naar aanleiding waarvan dit rechtscollege zich moet uitspreken over de al dan niet regelmatigheid van de XII-1963-16/21 inschrijving van de betrokkene in de bevolkingsregisters en dit om redenen van elementaire voorzichtigheid; 3.5.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 met gezag van gewijsde heeft overwogen “dat de bestendige deputatie [...] op grond van de gegevens van het bevolkingsonderzoek aangebracht door de bevoegde diensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat het gezin BOETS zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Weigersberg 18 te 3550 Heusden-Zolder en niet op het adres Schoonaerde 8 te 3290 Diest”; dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken zich met de bestreden beslissing heeft gevoegd naar de conclusies die de Raad van State, in de motieven die de noodzakelijke grondslag vormen van zijn arrest, heeft afgeleid uit de feitelijke bevindingen van het onderzoek van de bevolkingsinspecteurs; dat indien de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken anders had geoordeeld, hij afbreuk zou hebben gedaan aan het gezag van gewijsde van het arrest, tenzij zijn afwijkende oordeel zou zijn gegrond geweest op nieuwe gegevens die niet aan de Raad van State zijn, noch konden worden, onderworpen; Overwegende dat verzoeker geen nieuwe gegevens bijbrengt waarmee de Raad van State in het voornoemde arrest geen rekening heeft kunnen houden en die de gemachtigde van de minister ertoe hadden moeten brengen om het hoofdverblijf van verzoeker te Diest, in plaats van te Heusden-Zolder te situeren; dat die nieuwe gegevens ook niet in verzoekers laatste memorie kunnen worden gevonden; dat, als zodanig, noch verzoekers inschrijving van 21 juni 1999 in het bevolkingsregister van Diest, noch zijn deelname op 8 oktober 2000 aan de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen van aard zijn de feitelijke grondslag te vitiëren van de bestreden beslissing, die immers van ruim voordien dateert; dat zij niet nuttig worden aangevoerd; dat dan weer de aanvullende onderzoeken van mei 1996 slechts bevestigen wat eerder door onder meer het arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 met gezag van gewijsde is vastgesteld, namelijk dat verzoeker alleszins toentertijd zijn hoofdverblijf te Heusden-Zolder had; XII-1963-17/21 3.5.
- Overwegende, in verband met de terugwerkende kracht van de bestreden beslissing, dat de beslissing waarbij de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak doet over een moeilijkheid of betwisting inzake het vaststellen van iemands hoofdverblijfplaats, wettig kan terugwerken tot op de dag waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat op die dag de feitelijke toestand die door de betrokken beslissing wordt bekrachtigd, reeds aanwezig was; dat de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant op 17 september 1996 heeft gewezen dat de motieven met betrekking tot verzoekers hoofdverblijfplaats waarop het deputatiebesluit van 5 maart 1996 houdende vervallenverklaring van verzoeker van zijn mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn was gesteund, evenzeer golden met betrekking tot verzoekers mandaat van gemeenteraadslid; dat de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant aldus op 17 september 1996 met gezag van gewijsde heeft aangenomen dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats toentertijd had te Heusden-zolder en niet te Diest; dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aldus vermocht te beslissen dat verzoeker en zijn gezin op voormelde datum in het bevolkingsregister van Heusden-Zolder dienden te worden ingeschreven; dat het gegeven dat de bestreden beslissing is gesteund op de bevoegdheidsdelegatie die de minister van Binnenlandse Zaken bij ministerieel besluit van 11 maart 1998 aan de directeur-generaal van de algemene directie van de wetgeving en van de nationale instellingen of aan de ambtenaar die deze in zijn taken vervangt, heeft gegeven, aan deze terugwerking niet in de weg staat; dat, daargelaten nog het feit dat er reeds vóór voormeld ministerieel besluit een delegatie bestond, de door verzoeker bekritiseerde terugwerking hoe dan ook niet de bevoegdheid van voornoemde directeur-generaal als zodanig betreft, doch wel de beslissing die in de uitoefening van deze bevoegdheid werd genomen; dat, zoals gezien, de bestreden beslissing mag terugwerken tot op de dag waarop de feitelijke toestand die zij bekrachtigt met zekerheid bestaat; 3.5.
- Overwegende, in zoverre de aangevoerde machts- overschrijding, schending van het telefoon- en briefgeheim, woonst-schennis en huisvredebreuk en schending van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur betrekking hebben op de onderzoeksverrichtingen van XII-1963-18/21 de arrondissementscommissaris van Leuven en van de diensten van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat de Raad van State de middelen niet zou kunnen bijvallen zonder afbreuk te doen aan het gezag van gewijsde waarmee het besluit van 17 september 1996 van de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant en het arrest nr. 66.922 van de Raad van State bekleed zijn; dat de bestendige deputatie en de Raad van State op grond van de bevindingen van de arrondissementscommissaris en de diensten van het ministerie tot verzoekers vervallenverklaring van zijn mandaat van gemeenteraadslid, respectievelijk tot zijn vervallenverklaring van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben besloten; dat verzoeker de middelen had kunnen en moeten aanvoeren in de loop van de procedures die tot deze jurisdictionele beslissingen hebben geleid; 3.5.
- Overwegende, wat de in het tweede en derde middel aangevoerde onwettigheid van de verslagen van 29 en 31 mei 1996 van de bevolkingsinspecteurs betreft, dat hoe dan ook moet worden vastgesteld, en herhaald, dat zij slechts bevestigen wat reeds met gezag van gewijsde werd vastgesteld door het besluit van 17 september 1996 van de bestendige deputatie en het arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 van de Raad van State, te weten dat verzoeker en zijn gezin hun hoofdverblijfplaats hebben op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder; dat zelfs indien de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken deze verslagen, om de redenen die door verzoeker worden aangevoerd, niet in aanmerking zou hebben mogen nemen, hij, gelet op hetgeen reeds met gezag van gewijsde door de bestendige deputatie en de Raad van State werd vastgesteld en bij ontstentenis van overtuigende, nieuwe gegevens die wijzen op een hoofdverblijf van verzoeker en zijn gezin op het adres Schoonaerde 8 te Diest, dan nog had moeten beslissen zoals hij heeft gedaan; 3.5.
- Overwegende ten slotte, met betrekking tot het beweerde gebrek aan kennis van de Raad van State van de weigering van de gemeente Heusden-Zolder om verzoekers gezin ambtshalve in te schrijven in het bevolkingsregister, dat deze bewering niet dienstig is; dat het arrest nr. 66.922 van XII-1963-19/21 24 juni 1997 bij de uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de zaak uitdrukkelijk melding maakt van het besluit van 8 mei 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Heusden-Zolder om niet over te gaan tot een ambtshalve inschrijving van verzoeker en zijn gezin in het bevolkingsregister van de gemeente; dat de Raad van State hiervan dus wel degelijk kennis had; dat het betrokken besluit van het college van burgemeester en schepenen als bijlage bij de brief van 24 juli 1998 van verzoeker en zijn echtgenote aan het ministerie van Binnenlandse Zaken is opgenomen in het administratief dossier waarop de bestreden beslissing steunt; Overwegende dat ook verzoekers opmerking dat het schrijven van 2 mei 1996 van de politiecommissaris van Heusden-Zolder aan de directie betreffende het onderzoek dat de politie voerde naar het verblijf van verzoeker en zijn gezin op het adres Weigersberg 18 niet zou zijn opgenomen in de inventaris en het administratief dossier waarop de bestreden beslissing steunt, niet dienstig is; dat het betrokken schrijven zich immers in het administratief dossier bevindt als bijlage bij de brief van 24 juli 1998 van verzoeker en zijn echtgenote aan het ministerie van Binnenlandse Zaken; dat overigens het schrijven van 2 mei 1996 van de politiecommissaris veeleer bevestigt dat verzoeker regelmatig in zijn woning op het adres Weigersberg 18 te Heusden-Zolder kon worden aangetroffen en dat aan die woning tekenen van bewoning konden worden vastgesteld; dat uit dat schrijven alleszins geen nieuwe, overtuigende gegevens blijken die de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken tot het besluit hadden moeten brengen dat, niettegenstaande hetgeen de bestendige deputatie op 17 september 1996 en de Raad van State in zijn arrest nr. 66.922 van 24 juni 1997 met gezag van gewijsde met betrekking tot verzoekers hoofdverblijfplaats hadden vastgesteld, verzoeker en zijn gezin hun inschrijving in het bevolkingsregister van Diest, op het adres Schoonaerde 8, dienden te behouden; 3.5.
- Overwegende dat alle door verzoeker aangevoerde middelen dienen te worden verworpen, XII-1963-20/21 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1963-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.117 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.80.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.