id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.124 Rolnummer: A. 133143/VII-29044 Zaak: Arrest 146124 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 18:10 Fiche Arrest nr 146.124 van 16 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.124 van 16 juni 2005 in de zaak A. 133.143/VII-29.044 In zake : de v.z.w. IMELDA, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan 19. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. IMELDA op 18 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 11 december 2002 houdende uitvoering van artikel 102 van de wet op de ziekenhuizen (Belgisch Staatsblad van 20 december 2002); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT. Gelet op de beschikking van 7 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-29.044-1/15 Gelet op de beschikking van 14 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. GYSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. KNOCKAERT die, loco advocaat P. LEGROS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Juridisch kader Overwegende dat het juridisch kader als volgt kan worden weergegeven : Overeenkomstig artikel 97 van de gecoördineerde wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen (hierna : "de Ziekenhuiswet"), bepaalt de Koning de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen en van de onderscheiden bestanddelen van de ziekenhuizen. Artikel 97, § 1, van de Ziekenhuiswet luidt als volgt : "Art. 97. § 1. De Koning bepaalt, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering gehoord, de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen en van de onderscheidene bestanddelen. Zo bepaalt Hij onder meer :
- a)de periode voor dewelke het budget wordt toegekend;
- b)de splitsing van het budget in een vast gedeelte en een variabel gedeelte;
- c)de criteria en de modaliteiten van berekening, met inbegrip van de vastlegging van de verantwoorde activiteiten en de wijze van indexering;
- d)inzake het variabele gedeelte, de vergoeding van de activiteiten ten aanzien van een referentieaantal die meer gerealiseerd zijn of niet zijn gerealiseerd;
- e)de vaststelling van het referentieaantal, bedoeld in d), met betrekking tot de activiteitsparameters die in rekening worden gebracht;
- f)de voorwaarden en modaliteiten van herziening van sommige elementen;
- g)de verrekening met de vorige jaren, zoals bedoeld in artikel 104quater. Voor de toepassing van het tweede lid duidt de Koning de bepalingen aan die gelden voor de psychiatrische afdelingen in algemene ziekenhuizen en voor de VII-29.044-2/15 psychiatrische ziekenhuizen. Hij stelt specifieke regelen vast voor deze diensten en instellingen. De uitvoering van de in de vorige leden bedoelde bepalingen kan verschillen naargelang het soort van ziekenhuis of gedeelten van een ziekenhuis. De Koning kan de kosten van de ziekenhuizen vergelijken teneinde de ziekenhuizen met gelijksoortige opdracht en activiteiten werkzaam in gelijkaardige omstandigheden onder dezelfde voorwaarden te financieren". Hieraan werd uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Artikel 7 van dat koninklijk besluit van 25 april 2002 bepaalt dat het budget dat voor elk ziekenhuis wordt vastgesteld, bestaat uit drie delen : A, B en C. Van het deel B maakt het onderdeel B7 deel uit, met name "De specifieke kosten voor de specifieke taken op het gebied van de patiëntenzorg, het klinisch onderricht, het toegepast wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de evaluatie van de medische activiteiten". Het onderdeel B7 wordt gesplitst in een onderdeel B7A en B7B. Onderdeel B7A is bestemd voor de universitaire ziekenhuizen. Artikel 79, §1, van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt hoe het onderdeel B7A wordt vastgesteld en artikel 79, § 2, bepaalt hoe het onderdeel B7B wordt vastgesteld. Het thans bestreden koninklijk besluit geeft uitvoering aan artikel 102 van de Ziekenhuiswet, zoals gewijzigd door de wet van 14 januari 2002 inzake gezondheidszorg. Die bepaling luidt als volgt : "§1. De Staat kan een bijkomende toelage verlenen om specifieke kosten te dekken die verband houden met specifieke taken van een universitair ziekenhuis, een universitaire ziekenhuisdienst, een universitaire ziekenhuisfunctie of een universitair zorgprogramma, inzonderheid op het gebied van de patiëntenverzorging, het klinisch onderricht, het toegepast wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de evaluatie van medische activiteiten. De Koning bepaalt de regels en voorwaarden volgens dewelke deze bijkomende toelage wordt vastgesteld, toegekend en uitbetaald. De bepalingen van de artikelen 100 en 101 zijn toepasselijk op het budget van financiële middelen in ziekenhuizen met één of met meerdere universitaire diensten, functies of zorgprogramma's na aftrek van de bijkomende toelage. § 2. De Staat kan een bijkomende toelage verlenen om specifieke kosten te dekken die worden veroorzaakt door een uitgesproken zwak sociaal-economisch patiëntenprofiel van het ziekenhuis. De Koning bepaalt de regelen en voorwaarden volgens dewelke deze bijkomende toelage wordt vastgesteld, toegekend en uitbetaald. De bepalingen van de artikelen 100 en 101 zijn toepasselijk op het in artikel 87 bedoeld budget van financiële middelen, na aftrek van de in deze paragraaf bedoelde bijkomende toelage". VII-29.044-3/15 Het bestreden besluit luidt als volgt : "Artikel 1. De bijkomende toelage zoals bedoeld in artikel 102, § 1, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, is gelijk aan het bedrag van het onderdeel B7 van het budget van financiële middelen zoals bedoeld in artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 2002 en 11 november 2002. Art. 2. De bijkomende toelage zoals bedoeld in artikel 102, § 2, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, is gelijk aan het bedrag van onderdeel B8 van het budget van financiële middelen zoals bedoeld in artikel 80, 1/, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 2002 en 11 november 2002. Art. 3. Dit besluit heeft betrekking op de verschuldigde Staatssubsidie voor de verstrekkingen verleend vanaf 1 januari 2003. Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2003. Art. 5. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit"; 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.1.1.1. De verzoekende partij voert als eerste middel aan : "Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding. Doordat, de thans bestreden beslissing genomen wordt gelet op het Koninklijk Besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, Terwijl, dit Koninklijk Besluit met een absolute en manifeste onwettigheid behept is, Zodat, het thans bestreden besluit als gevolgakte van het onwettige Koninklijk Besluit zich niet kan steunen op dit besluit daar bij toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet dit onwettige uitvoeringsbesluit buiten toepassing dient te worden gelaten, Dat, aldus elke juridische grondslag voor het thans bestreden besluit ontbreekt, waardoor het thans op onwettige wijze tot stand is gekomen. Dat hierdoor tevens de in het middel aangehaalde artikelen en beginselen geschonden worden". VII-29.044-4/15 In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij dat zij het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen heeft aangevochten met een annulatieberoep en herneemt zij de middelen die zij in die annulatieprocedures heeft aangevoerd, waarbij die middelen in extenso worden geciteerd. 2.1.1.2. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het middel onontvankelijk is omdat het belang van de verzoekende partij bij het inroepen van het middel louter hypothetisch is daar het uitsluitend afhangt van een eventuele vernietiging van het koninklijk besluit van 25 april 2002, er niet kan worden vooruitgelopen op de uitspraak die de Raad van State terzake zal doen en het koninklijk besluit in de rechtsorde van kracht blijft en wordt geacht wettig te zijn zolang er geen eindarrest is. Vervolgens citeert zij het verweer dat zij voerde in het kader van de annulatieberoepen gericht tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002. 2.1.1.3. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij aangaande haar belang dat de huidige procedure in haar geheel niet is gebaseerd op noch afhankelijk is van de mogelijke vernietiging, door de Raad van State, van het koninklijk besluit van 25 april 2002. Zij wacht niet de vernietiging van dit koninklijk besluit af, maar steunt haar middel op de exceptie van onwettigheid die is neergelegd in artikel 159 van de Grondwet. Verder gaat zij in op de repliek die de verwerende partij gaf op de middelen die werden aangevoerd in de annulatieberoepen tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002. 2.1.1.4. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij hier nog aan toe dat de bijkomende toelage die het artikel 102 van de Ziekenhuiswet laat vaststellen wordt geacht gelijk te zijn aan het bedrag van het onderdeel B7 van het budget van financiële middelen zoals bedoeld in artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 april 2002, en dat, aangezien laatstgenoemd koninklijk besluit als manifest onwettig kan worden beschouwd, dit betekent dat het bestreden besluit een onwettige bijkomende toelage toekent en alzo zelf die onwettigheid incorporeert. De verzoekende partij stelt ook dat op het ogenblik dat haar het verslag in deze zaak betekend werd, haar nog geen verslag bekend was m.b.t. de beroepen die gericht waren tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002. Zij stelt dat zij niet over een termijn van dertig dagen beschikte om te repliceren; 2.1.2. Bespreking VII-29.044-5/15 Overwegende dat artikel 159 van de Grondwet zich richt tot de rechter en niet tot het bestuur; dat deze grondwetsbepaling derhalve niet kan geschonden zijn door het bestreden koninklijk besluit; dat niet valt in te zien hoe het feit dat het bestreden koninklijk besluit in zijn aanhef verwijst naar een ander koninklijk besluit, zonder dit laatste besluit evenwel als rechtsgrond in te roepen, het "motiveringsbeginsel" of het "zorgvuldigheidsbeginsel" zou kunnen schenden ; dat de nieuwe argumentatie die de verzoekende partij dienaangaande voor het eerst in hun laatste memorie ontwikkelt onontvankelijk is; dat het middel alleen hierom reeds niet kan worden aangenomen; 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.2.1.1. De verzoekende partij voert als volgt een tweede middel aan : "Het tweede middel is afgeleid, bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, uit de schending van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uit een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids-, en het rechtszekerheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding. Doordat het bestreden besluit aangeeft dat een verzoek tot spoedbehandeling werd gericht aan Uw Raad in het licht van de door Uw Raad te verstrekken advisering. En doordat de reden van de ingeroepen hoogdringendheid is : Terwijl uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat een dergelijke motivering geen bijzondere reden uitmaakt, in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zodat de in het middel aangehaalde rechtsbepalingen geschonden zijn"; In de toelichting bij het middel wijst zij er op dat de ingeroepen spoedeisendheid gesteund is op een drogreden. Zij betoogt dat men de budgettaire aanpassingen en verschuivingen reeds op 25 april 2002 had moeten onderkennen en desgevallend de uitzonderingsmogelijkheden van artikel 102 van de Ziekenhuiswet had moeten toepassen en dat de verwerende partij de ingeroepen spoedeisendheid zelf heeft gecreëerd . VII-29.044-6/15 2.2.1.2. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen bezwaren had tegen de motivering van de ingeroepen spoedeisendheid, dat zij de eerste is die deze motivering dient te beoordelen en dat, als er geen opmerkingen gemaakt worden, de overheid ervan uit mag gaan dat er geen wettigheidsbezwaar is; 2.2.1.3. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat het de afdeling administratie van de Raad van State toegestaan is de ingeroepen spoedeisendheid op haar regelmatigheid te toetsen, dat het principe volgens hetwelk, indien de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerkingen formuleert aangaande de ingeroepen spoedeisendheid, aan de tekst voortgang mag worden verleend zonder op een rechtmatigheidsbezwaar te stuiten, niet absoluut is en dat zulks met name niet het geval is indien, zoals in casu, de afdeling wetgeving is misleid of indien achteraf blijkt dat de aangehaalde redenen iedere overtuigingskracht ontbeerden. Zij voegt eraan toe dat de verwerende partij in een rondschrijven van 31 juli 2002 zelf kenbaar heeft gemaakt dat het koninklijk besluit dat mede het thans bestreden koninklijk besluit draagt "onwettig/onvolledig" is. 2.2.1.4. In de laatste memorie herhaalt de verzoekende partij dat de verwerende partij de spoedeisendheid zelf heeft gecreëerd; 2.2.2. Bespreking Overwegende dat, bij het voorleggen aan de afdeling wetgeving van de Raad van State van het ontwerp dat uitmondde in het thans bestreden koninklijk besluit, toepassing werd gemaakt van het toentertijd geldende artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat artikel 84, eerste lid, 2/ en het tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalden : "Het onderzoek van de zaken vindt plaats in de volgorde van de inschrijving ervan op de rol, uitgezonderd : (...) 2/ wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4. In dit geval wordt de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, overgenomen in de aanhef van de verordening. VII-29.044-7/15 Wanneer verzocht wordt om spoedbehandeling, mag het advies van de afdeling wetgeving, onverminderd artikel 2, § 1, tweede lid, zich beperken tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan"; dat in casu de spoedeisendheid als volgt wordt gemotiveerd : "Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat het gedeelte van het budget van financiële middelen dat ten laste is van de Staat gekend moet zijn vóór 1 januari 2003; dat de vaststelling van dit gedeelte geen bijkomende uitgaven voor de Staat mag meebrengen en dat de verzekeringsinstellingen hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht moeten worden"; dat in haar advies nr. 34.460/3 van 3 december 2002 de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerkingen maakte omtrent de ingeroepen spoedeisendheid; Overwegende dat de afdeling wetgeving de eerste beoordelaar is van de rechtmatigheid van de "bijzondere redenen" die in een haar overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er alsdan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet kan op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf -na de adviesaanvraag- aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die "bijzondere redenen" in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden; dat in gevallen als aangehaald de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat in casu de verzoekende partij niet aantoont dat de overheid de afdeling wetgeving van de Raad van State misleidend heeft voorgelicht; Overwegende dat de verzoekende partij als zodanig niet betwist dat het budget van financiële middelen dat ten laste is van de Staat voor 1 januari 2003 gekend diende te zijn; dat in die optiek kan worden aangenomen dat de VII-29.044-8/15 spoedeisendheid verantwoord is en dat ook na het uitbrengen van het advies van de afdeling wetgeving op 3 december 2002 het ontwerp met bekwame spoed verder werd afgehandeld : op 11 december 2002 werd het bestreden besluit definitief aangenomen, en op 20 december 2002 werd het in het Staatsblad gepubliceerd; Overwegende dat het argument dat de verwerende partij reeds samen met het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen had kunnen overgaan tot de vaststelling van de bijkomende toelage , niet overtuigt; dat, zoals in het eerste middel reeds gesteld, het koninklijk besluit van 25 april 2002 het bestreden besluit immers niet "draagt"; dat de verzoekende partij niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in haar laatste memorie nieuwe argumenten kan opwerpen ter staving van de stelling dat de verwerende partij de spoedeisendheid zelf heeft veroorzaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.3.1.1. De verzoekende partij voert als derde middel aan : "Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 97, 102 en 132 van de Wet op de Ziekenhuizen alsmede uit de schending (van) de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet, van het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, het fair-play beginsel, het gelijkheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding. Doordat, het bestreden besluit de bijkomende toelage bedoeld in artikel 102 § 1 WZ gelijk stelt aan het bedrag van het onderdeel B7 van het budget der financiële middelen, zoals bedoeld in artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 april 2002. Terwijl artikel 102 van de Wet op de Ziekenhuizen stelt dat : En terwijl artikel 97 van de Wet op de Ziekenhuizen stelt dat : En terwijl gelijke situaties gelijk moeten worden behandeld. VII-29.044-9/15 En terwijl het bestaan van een verantwoording van een verschil in behandeling moet beoordeeld worden rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. En terwijl het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Zodat, de in het middel aangehaalde artikelen en beginselen geschonden worden"; In de toelichting bij het middel citeert de verzoekende partij artikel 102 van de Ziekenhuiswet en de artikelen 7, tweede lid, 2/, g), 18, en 79, §1, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen. Zij betoogt dat de minister door de huidige inhaaloperatie de gecreëerde en onrechtmatige differentiatie tracht te bestendigen tussen enerzijds de universitaire ziekenhuizen en anderzijds de ziekenhuizen die genieten van een financiering voorzien voor de ontwikkeling, de evaluatie en de toepassing van de nieuwe medische technologieën en/of de opleiding van de kandidaat-specialisten, een differentiatie die niet gebaseerd is op een objectief criterium en waartegen fel werd gereageerd door de Nationale raad voor de ziekenhuisvoorzieningen. De verzoekende partij betoogt dat artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 discriminerend is omdat de bijlage 12 van dat koninklijk besluit ertoe strekt dat 70% van de artsen, uitgedrukt in full-time equivalenten, gesalarieerd moet zijn om bepaalde onderdelen van de financiering, bedoeld in artikel 79, te kunnen verkrijgen, aangezien het merendeel van de artsen verbonden aan niet- universitaire ziekenhuizen op zelfstandige basis werkt. Voorts betoogt zij dat de universitaire ziekenhuizen ingevolge de regeling van het koninklijk besluit van 25 april 2002 een financiering van de patronale lasten krijgen, en dat de niet-universitaire ziekenhuizen hiervan verstoken blijven, wat in strijd is met artikel 132 van de Ziekenhuiswet, dat een keuzevrijheid laat met betrekking tot de wijze van vergoeding/tewerkstelling van de artsen verbonden aan de ziekenhuizen. Volgens de verzoekende partij is artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 ook discriminerend omdat een bijkomende financiering met middelen afkomstig uit de sector klinische biologie enkel te beurt valt aan universitaire ziekenhuizen, hoewel daar geen specifieke situatie of specifieke taken tegenover staan, en meent ook de afdeling financiën van de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen dat er geen redenen zijn om deze discriminatie te verantwoorden. De verzoekende partij meent verder dat uit artikel 97 van de Ziekenhuiswet, dat stelt dat de Koning de kosten van de ziekenhuizen kan vergelijken teneinde de ziekenhuizen met gelijksoortige opdracht en activiteiten werkzaam in VII-29.044-10/15 gelijkaardige omstandigheden onder dezelfde voorwaarden te financieren, duidelijk de boodschap spreekt dat er enkel voor specifieke diensten sprake kan zijn van een differentiatie, wat hier manifest niet het geval is nu de bestreden beslissing deze onrechtmatige differentiatie in het koninklijk besluit van 25 april 2002 formalistisch wil bestendigen. De verzoekende partij argumenteert verder dat de motivering van de beslissing niet afdoende is. Zij citeert artikel 102 van de Ziekenhuiswet en stelt dat deze bepaling enkel toelaat een bijkomende toelage te verlenen om specifieke kosten te dekken die verband houden met specifieke taken van een universitair ziekenhuis, een universitaire ziekenhuisdienst, een universitaire ziekenhuisfunctie of een universitair zorgprogramma. Zij stelt : "De huidig bestreden beslissing spreekt echter van een toelage voor de volledige B7 en maakt hierbij geen onderscheid tussen onderdeel B7A en B7B. Nochtans zijn de zogenaamde B7B-ziekenhuizen geen universitaire ziekenhuizen! Dit blijkt uitdrukkelijk uit de samenlezing van artikel 7 en artikel 18 van het Koninklijk Besluit van 25 april 2002. Bijgevolg verstrekt men door de omweg van een bijkomende toelage voor bepaalde niet-universitaire ziekenhuizen die niet voorzien is in de ziekenhuiswet. Dit tast de positie van verzoekster in elk geval in belangrijke mate aan". 2.3.1.2. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de verzoekende partij de argumenten herneemt die ontwikkeld zijn ter gelegenheid van haar annulatieberoep tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002, en verwijst zij dan ook naar wat zij reeds eerder uiteenzette. 2.3.1.3. In de memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar haar inleidend verzoekschrift en naar haar argumentatie met betrekking tot het vijfde middel dat werd aangevoerd in het annulatieberoep tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002. 2.3.1.4. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog : - dat de kosten voor een bijzondere patiëntenzorg, het klinisch onderricht, het wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technieken en de evaluatie van medische activiteiten niet exclusief kunnen worden voorbehouden aan de universitaire ziekenhuizen, maar ook toekomen aan de andere ziekenhuizen, zodat deze bijzondere activiteiten geen verantwoording kunnen bieden voor de diversiteit in behandeling; VII-29.044-11/15 - dat artikel 97 van de Ziekenhuiswet stelt dat bij koninklijk besluit de kosten van de ziekenhuizen met een gelijksoortige opdracht en activiteiten, werkzaam in gelijke omstandigheden, onder dezelfde voorwaarden gefinancierd kunnen worden en, hoewel zij "voldoen" aan dezelfde universitaire activiteiten, men toch een andere financiering ziet ontstaan, wat strijdig is met artikel 97 van de Ziekenhuiswet en met het gelijkheidsbeginsel; - dat de zogenaamde objectieve verantwoording gebaseerd op de wijze van tewerkstelling geen hout snijdt, daar het onjuist is dat geneesheren die aan de instelling verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst duurder zouden zijn omwille van de patronale lasten verbonden aan de arbeidsovereenkomst - Bij de geneesheren die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst is de loonkost verdeeld tussen het nettoloon van de arts, de bedrijfsvoorheffing die rechtstreeks naar het ministerie van financiën gaat en de loonlasten die rechtstreeks naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden afgedragen, terwijl bij zelfstandige artsen één enkele betaling wordt uitgevoerd naar de arts die dan zelf dient in te staan voor zijn fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, zodat beide totale bedragen moeten worden vergeleken om een correcte vergelijking te kunnen maken; 2.3.2. Bespreking Overwegende dat artikel 102, § 1, van de Ziekenhuiswet bepaalt : "§1. De Staat kan een bijkomende toelage verlenen om specifieke kosten te dekken die verband houden met specifieke taken van een universitair ziekenhuis, een universitaire ziekenhuisdienst, een universitaire ziekenhuisfunctie of een universitair zorgprogramma, inzonderheid op het gebied van de patiëntenverzorging, het klinisch onderricht, het toegepast wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de evaluatie van medische activiteiten. De Koning bepaalt de regels en voorwaarden volgens dewelke deze bijkomende toelage wordt vastgesteld, toegekend en uitbetaald. De bepalingen van de artikelen 100 en 101 zijn toepasselijk op het budget van financiële middelen in ziekenhuizen met één of met meerdere universitaire diensten, functies of zorgprogramma's na aftrek van de bijkomende toelage;" VII-29.044-12/15 Overwegende dat het middel en de toelichting erbij louter poneren, en dus niet concreet argumenteren, dat de aan de universitaire ziekenhuizen verleende bijkomende toelage geen betrekking heeft op aan die ziekenhuizen specifieke diensten; dat in de toelichting bij het middel als concreet element alleen wordt gewezen op een advies van de afdeling financiering van de Nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen, waarin enkel wordt gesteld dat "sommige" van de activiteiten van universitaire ziekenhuizen ook worden uitgeoefend door andere ziekenhuizen; dat dit advies eigenlijk bevestigt dat de universitaire ziekenhuizen specifieke taken en functies hebben, hetgeen trouwens niet valt te ontkennen zonder de bestaansreden zelf van het specifieke begrip "universitair ziekenhuis" te ontkennen, hetgeen de verzoekende partij overigens ook niet doet; dat het bestreden besluit dus voldoende rechtsgrond vindt in artikel 102 van de Ziekenhuiswet; Overwegende dat die vaststelling volstaat om het middel ook in zijn andere onderdelen te verwerpen; dat aannemen dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, zou impliceren dat artikel 102 van de Ziekenhuiswet ongrondwettig is, hetgeen de verzoekende partij niet aanvoert; dat de ingeroepen beginselen niet kunnen ingeroepen worden tegen een uitdrukkelijke wettekst in; Overwegende dat artikel 97 van de Ziekenhuiswet, in zoverre het bepaalt dat de Koning kosten van ziekenhuizen kan vergelijken teneinde de ziekenhuizen met gelijksoortige opdracht en activiteiten werkzaam in gelijkaardige omstandigheden onder dezelfde voorwaarden te financieren, in wezen hetzelfde principe verwoordt als artikel 102, en om de redenen hierboven uiteengezet niet is geschonden; Overwegende dat artikel 132 van de Ziekenhuiswet bepaalt : “§ 1 In de ziekenhuizen kunnen de ziekenhuisgeneesheren enkel worden vergoed volgens de volgende stelsels : 1/ vergoeding per prestatie; 2/ vergoeding gegrond op de verdeling van een ‘pool’ van vergoedingen per prestatie die voor het gehele ziekenhuis of per dienst wordt gevormd; 3/ vergoeding bestaande uit een contractueel of statutair bepaald percentage van de vergoeding per prestatie of van een ‘pool’ van vergoedingen per prestatie; 4/ forfaitaire vergoeding bestaande uit een wedde; 5/ vaste vergoeding eventueel vermeerderd met een aandeel in de ‘pool’ der vergoedingen per prestatie. § 2 In geval een ziekenhuis meer dan één van de bovengenoemde vergoedingsstelsels toepast, wordt de keuze van het stelsel of de wijziging van die keuze neergelegd in een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de VII-29.044-13/15 ziekenhuisgeneesheer en de beheerder. Het gekozen stelsel wordt ter kennis gebracht van de Medische Raad"; dat niet valt in te zien, en ook niet wordt aangetoond, hoe de uit deze bepaling voortvloeiende keuzevrijheid met betrekking tot de wijze van vergoeding van de ziekenhuisgeneesheren, in hoofde van de niet-universitaire ziekenhuizen zoals de verzoekende partij er een is, kan beperkt worden, en hoe die ziekenhuizen zouden kunnen gediscrimineerd zijn, door een regeling die, binnen het kader van artikel 102 van de Ziekenhuiswet, het bedrag van de specifieke toelage voor specifieke taken van universitaire ziekenhuizen vaststelt; dat het middelonderdeel alleen hierom reeds niet opgaat; 2.4. Vierde middel 2.4.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.4.1.1. De verzoekende partij voert als vierde middel machtsafwending aan, omdat de overheid door ingewikkelde en arbitrair aanpasbare berekeningstechnieken de universitaire en bepaalde Waalse ziekenhuizen wil bevoordelen. 2.4.1.2. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het middel gericht is tegen het koninklijk besluit van 25 april 2002, dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de verwerende partij enkel een onwettelijk doel zou hebben nagestreefd en dat zij, integendeel, een wettig doel van algemeen belang nastreeft. 2.4.1.3. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat het bestreden koninklijk besluit steunt op het koninklijk besluit van 25 april 2002, dat het de nadere uitwerking ervan formaliseert en dat het de achterliggende filosofie ervan bestendigt. 2.4.1.4. In de laatste memorie argumenteert de verzoekende partij dat het uitkeren van een bijkomende toelage aan de universitaire ziekenhuizen omwille van de bijzondere taken waarmee deze belast zijn slechts ogenschijnlijk rechtmatig VII-29.044-14/15 is, omdat de niet-universitaire ziekenhuizen in werkelijkheid dezelfde activiteiten aanbieden als de universitaire ziekenhuizen; 2.4.2. Bespreking Overwegende dat geen enkel concreet gegeven wordt aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de bestreden regeling tot doel heeft bepaalde ziekenhuizen te "bevoordelen"; dat het middel niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij . Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-29.044-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div