id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.137 Rolnummer: A. 130257/XIV-12913 Zaak: Arrest 146137 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 18:12 Fiche Arrest nr 146.137 van 16 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.137 van 16 juni 2005 in de zaak A. 130.257/XIV-12.913. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 6 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 19 november 2002; Gelet op de beschikking van 12 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-12.913-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 30 augustus 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 24 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 november 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Teheran. Tijdens uw gehoor in dringend beroep beweert u gehuwd te zijn met G. B. op 29/10/1373 (Perzische kalender; komt overeen met 19/1/1995). Vijf à zes maanden na het huwelijk vernam u dat uw echtgenoot werkte voor het Ettelaat en de Sepah-é Pasdaran. Uw echtgenoot werd regelmatig agressief en sloeg u meermaals. In de 7de maand van 1379 (23 september-22 oktober 2000) vertrok uw echtgenoot op missie. U maakte van de gelegenheid gebruik om een echtscheidingsprocedure op te starten en ging naar de familierechtbank. Twee á drie dagen later ontvingen u en uw echtgenoot een convocatie met de mededeling u beiden aan te bieden bij de familierechtbank. Wanneer uw echtgenoot dit document zag, werd hij razend kwaad en sloeg hij u. Hij weigerde van u te scheiden. Hierop ging u naar de wetsdokter om uw verwondingen te laten vaststellen. Het attest dat u verkreeg van de wetsdokter en dat u diende af te geven aan uw commissariaat, hield u echter bij zich (u gaf het later in bewaring aan uw moeder). U besloot namelijk de echtscheidingsprocedure te stoppen vermits het document op zich niet voldoende is om een echtscheiding te bekomen en uw echtgenoot omwille van zijn beroep een grote invloed heeft. Tevens werd uw zoon ziek, wat voor u op dat ogenblik het grootste probleem was. Uw zoon diende gehospitaliseerd te worden in het Farabi-ziekenhuis op het einde van de 8ste maand 1379 (midden november 2000). In het ziekenhuis leerde u Ahmadi Behrouz kennen met wie u een relatie begon. Hij zou u een advocaat bezorgen. Op 22/5/1381 (13/8/2002) had u een afspraak met Behrouz. U was met hem aan het eten in een restaurant toen uw moeder hem opbelde. Ze zei dat uw echtgenoot naar haar toe was gekomen en haar vertelde dat hij alles wist van u en Behrouz. U zou gezocht worden. U vertrok onmiddellijk met Behrouz naar een vriend van hem genaamd Abbas. Deze zei echter dat het beter was naar Ghazvin te gaan bij zijn grootouders. Samen met Behrouz verbleef u daar. Enkele dagen later kwam Abbas op bezoek en deze vertelde u dat u het land diende te verlaten. Op 29 of 30/5/1381 (20 of 21/8/2002) ging u naar Makou en verliet u Iran. Samen met uw minderjarige zoon kwam u via Turkije richting België teneinde hier asiel aan te vragen op 30 augustus 2002. U verklaart te vrezen gestenigd te worden. U bent in het bezit van een kopie van de twee eerste bladzijden van uw boekje burgerlijke stand en een originele vertaling ervan, een kopie van de eerste bladzijde van het boekje burgerlijke stand van uw zoon en een originele vertaling ervan, een kopie van het attest van de wetsdokter dd. 24/7/1379 (16/10/2000) en een originele vertaling ervan, een kopie van een medisch rapport betreffende uw zoon en een kopie van het eigendomsbewijs van uw huis. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de door u ingeroepen feiten niet ressorteren onder één van de criteria van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. U vreest namelijk vervolging omwille van het plegen van overspel. Uw echtgenoot zou afweten van uw relatie en zou ervoor zorgen dat u gestenigd zal worden (zie CGVS, p. 22). Uit deze feiten blijkt echter niet dat u vervolgd wordt omwille van één van de redenen van de Conventie van Genève, namelijk uw ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of uw XIV-12.913-2/14 politieke overtuiging. Bijgevolg vallen de door u aangehaalde vluchtmotieven buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Voorts kan aan de waarachtigheid van uw beweerde vrees voor vervolging ernstig getwijfeld worden. Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt namelijk dat om door de rechtbank te worden veroordeeld omwille van overspel een aantal voorwaarden moeten vervuld zijn. Overspel kan enkel bewezen worden indien er vier getuigen of vier bekentenissen zijn. Deze bewijslast wordt zeer streng toegepast in de praktijk. Enkel de 'wijsheid van de rechter' of de vaststelling door een lid van de overheid (politieagent, Bassidj, ... ) gelden niet als voldoende bewijs. Uit uw relaas blijkt dat u nooit betrapt werd wanneer u samen met Behrouz was. U denkt enkel dat uw echtgenoot vermoedens had omdat u zich thuis niet meer zo triest gedroeg (zie CGVS, p.20). Dat uw echtgenoot een functie bekleedt bij het Ettelaat of de Sepah-é Pasdaran en in staat zou zijn op basis van zijn eenvoudige verklaring de rechtbank te beïnvloeden is tevens onmogelijk. Uit diezelfde informatie blijkt namelijk dat elke veroordeling tot de doodstraf (steniging) moet voorgelegd worden aan het hooggerechtshof. Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden voldaan is, wordt het vonnis verbroken. Daarnaast dienen enkele tegenstrijdigheden opgemerkt te worden tussen uw opeenvolgende verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal), wat uw geloofwaardigheid verder in het gedrang brengt. Zo verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u Ahmadi Behrouz ontmoette in het Amiralam-ziekenhuis, het tweede ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie DVZ, vraag 42). Tijdens uw dringend beroep zegt u echter dat u Ahmadi Behrouz ontmoette in het Farabiziekenhuis, het eerste ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie CGVS, p. 15-16). Vervolgens beweerde u tijdens uw eerste interview dat u samen met Behrouz naar een advocaat ging om over een echtscheiding te praten (zie DVZ, vraag 42), terwijl u op het commissariaat-generaal beweert nooit naar een advocaat te zijn geweest (zie CGVS, p. 17). Op basis van deze vaststellingen kan er aldus geen geloof meer worden gehecht aan de bewering dat u door de Iraanse autoriteiten vervolgd zou worden voor overspel. De door u neergelegde documenten wijzigen hetgeen hierboven werd uiteengezet niet gezien ze enkel uw identiteit bevestigen en geenszins aantonen dat u zou vervolgd worden op basis van overspel. Bijgevolg is uw asielaanvraag niet ontvankelijk.”; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “1/ Schending van het motiveringsvereiste Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet 29 juli 1991). Dat art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is (Lambrechts, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet 29 juli 1991). Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt (BOSSUYT, M.,’ De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève ‘in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29 Dat de wetgeving m.b.t. de motivering er ondermeer toe strekt de formele motivering als een substantiële vormvereiste op te leggen. Dat de wetgever duidelijk de bedoeling had om de formele motivering als een substantieel vormvoorschrift op te leggen, zonder mogelijkheid deze motiveringsvereiste vervangen te zien door deze of gene motivering die de rechtsonderhorige wel op één of andere wijze bekend zou zijn. Dat ook het vereiste van motivering, zoals omschreven in andere bronnen van het recht is geschonden (Cfr. Lambrechts, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, en verwijzingen). Dat ook hier betreft het een substantiële vormvereiste (R.v.St., nr. 31.882, dd. 1 februari 1989). Dat de beslissing zelf niet voldoet aan de motiveringsvereiste omschreven in de formele motiveringswet en in andere rechtsbronnen (Cfr. Arbeidshof Gent, 14 december 1994, R.W.~ 1995-96, 49). XIV-12.913-3/14 Dat de formele motiveringswet niet alléén een waarborg voor de burger die alzo vermag duidelijk kennis te nemen van al de elementen welke aan de basis liggen van de beslissing en van de draagwijdte ervan is ( RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; RvSt., Smets-Jet, nr. 41.884, 4 februari 1993, A.P.M. 1993, 43; RvSt., Scheire, 40.739, 13 oktober 1992; en RvSt. Verschaffel, nr. 40.389, 16 november 1992; Lagasse, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative à la motivation formelle des actes administratives', J.T. 1991, 737; cfr. Verslag, Senaat, (bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/3, 16 maar ook een waarborg voor de goede werking van het gerechtelijk apparaat is RvSt., A.S.B.L. Envirronnemt et Patrimoine écusinoir, nr. 44.847, dd. 9 november 1993; RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative á la motivation formelle des actes administratives', J.T. 1991, 737; Advies RvSt. dd. 21 oktober 1987, Senaat, ( bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/2, 6; RvSt., Damilot, 41.281, 4 december 1992, Cfr. RvSt., Warnants, nr. 21.635, 3 december 1981). Dat de commissaris-generaal in casu een manifeste en grove appreciatiefout begaat welke onderworpen is aan de controle van de Raad van State onderworpen ( Raad van State 1.2.95 nr. 51.466, 11e Kamer G.N Belgische Staat, C.G.V.S );
- a)Dat de bestreden beslissing voorhoudt : ‘Daarnaast dienen enkele tegenstrijdigheden opgemerkt te worden tussen uw opeenvolgende verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal), wat uw geloofwaardigheid verder in het gedrang brengt. Zo verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u Ahmadi Behrouz ontmoette in het Amiralam-ziekenhuis, het tweede ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie DVZ, vraag 42). Tijdens uw dringend beroep zegt u echter dat u A. B. ontmoette in het Farabi- ziekenhuis, het eerste ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie CGVS, p. 15-16). Vervolgens beweerde u tijdens uw eerste interview dat u samen met Behrouz naar een advocaat ging om over een echtscheiding te praten (zie DVZ, vraag 42), terwijl u op het commissariaat- generaal beweert nooit naar een advocaat te zijn geweest (zie CGVS, p. 17).’ 53); Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt ( BOSSUYT, M., ‘De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève’ in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29 ). Dat voormelde elementen uiteraard niet afdoende zijn om een weigeringsbeslissing te gronden. Dat men bovendien dient na te gaan of deze elementen wel te wijten zijn aan de verzoekende partij (Cfr. RvSt. nr. 79.209 dd. 1 maart 1999). Dat de waarachtigheid van het geheel uiterst belangrijk is ( Cfr. FLEERACKRS, De laatste Rechter, over oordeelsvorming, Juridisch Cahier, Jaargang, 8, Gerechterlijk jaar, 1999-2000, Deel 2, geciteerd door Voltallige Tweede Kamer Vaste Beroepscommissie, dd. 14 maart 2000 in de zaak VB/98/01195.RA8200 ). Dat in casu er zeker en vast geen sprake is van een grote credibiliteit van de verzoekende partij aantasten. Dat het feit dat een asielzoeker een completer relaas zou hebben geleverd lopende het dringende beroep zelfs in zake essentiële zaken betekent niet dat er een tegenstelling is met het verhoor voor de dienst vreemdelingenzaken (RvSt., dd. 3 augustus 2001, nr. 98.160, DIMOLE/Com. Gen.). Dat zogenaamde tegenstrijdigheden tijdens de procedure uiteraard kunnen voortvloeien uit de problemen die rijzen ingevolge vertaling ( LE BLANC, V, Les procédures de détermination de la qualité de réfugié et les techniques d'entretien avec un demandeur d'asile, Brussel, H.C.R., 1994, nr. 4 f, p. 2 en). Dat ‘tegenstrijdigheden’ of anders gezegd ‘onjuiste verklaringen’ niet leiden tot ongegrondheid ( H.C.R., Guide des procédures et critéres à appliquer peur determineer le status de Réfugié, H.C.R., Genève, 1992, nr. 199, p. 52). Dat zo per impossibele verschillende verklaringen, lopende de verschillende fasen in de procedure kunnen vergeleken worden, het doel van dergelijke vergelijking, niet het vaststellen van zogenaamde incoherenties is, doch het oplossen van datgene wat fout of incoherent lijkt (cfr. ibid.) Dat het vergelijken van twee verhoren waarbij niet alles echt woordelijk genoteerd wordt, na vertaling van hetgeen verteld wordt uiteraard een zeer delecate aangelegenheid blijft. Dat ter zake de tekst van de verklaring nooit is ter controle voorgelezen aan de verzoekende partij; dat zij danig onder de indruk de tekst ondertekende heeft zonder de verdere controle te vragen. Dat de waarachtigheid van het geheel uiterst belangrijk is (Cfr. FLEERACKRS, De laatste Rechter, over oordeelsvorming, Juridisch Cahier, Jaargang, 8, Gerechterlijk jaar, 1999-2000, Deel 2, geciteerd door Voltallige Tweede Kamer Vaste Beroepscommissie, dd. 14 maart 2000 in de zaak VB/98/01195.RA8200 ). Dat in casu er zeker en vast geen sprake is van een grote credibiliteit van de verzoekende partij aantasten. Dat de bestreden beslissing nu zij niet steunt op juridische akte niet gemotiveerd kan zijn. Dat de Raad van State in het Arrest 109.702 van 8 augustus 2002 in de zaak KADUMA, na conform advies van de auditeur gesteld heeft : - dat gelet op het arrest Conka/België van het E.V.R.M. van 5 februari 2002, het commissariaat-generaal der vluchtelingen en staatlozen een XIV-12.913-4/14 quasi-jurisdictionele overheid is, waaruit volgt dat elementaire procedurale regels van toepassing zijn, - dat het verhoor van de verzoekende partij bij de dienst vreemdelingenzaken een onderhandse akte kan uitmaken in de zin van artikel 1322 van het burgerlijk wetboek daar dit geschreven stuk de naam en hoedanigheid van verhoorder en tolk bevat en dit stuk ter controle wordt aangeboden aan de verzoeker waarna het door hem ondertekend wordt; daar waar het verhoorblad voor de commissaris-generaal in veel gevallen niet of nauwelijks leesbaar is en voormelde elementen totaal niet bevat; - dat hieruit volgt dat het verhoorblad van het commissariaat-generaal geen enkele bewijswaarde heeft en geen geldige juridische akte uitmaakt; - dat hieruit volgt dat de vergelijking van verklaringen waarbij een akte geen juridische akte is ontbloot is van elke legaliteit, waardoor ook de motivering op die basis van generlei waarde is; Dat een beslissing evenwel enkel en alléén kan steunen op juridische akten in de zin artikel 1322 van het Burgerlijk wetboek voor zowel de jurisdictionele handelingen als de quasi- jurisdictionele handelingen van de commissaris-generaal der vluchtelingen Dat minstens moet worden voldaan aan de vereisten van 1322 van het burgerlijk wetboek nu de vereisten van een jurisdictioneel orgaan niet kleiner kunnen geacht worden dan voor een quasi jurisdictioneel orgaan. Dat de verklaringen van de verzoekende partij zeker niet opgenomen zijn in een akte die voldoet aan artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek; dat noch de verklaringen voor de commissaris-generaal noch deze voor de Vaste Beroepscommissie opgenomen zijn in een akte die volledig voldoet aan deze vereisten. Dat de bestreden beslissing voorhoudt : 7o verklaarde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u Ahmadi Behrouz ontmoette in het Amiralam-ziekenhuis, het tweede ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie DVZ, vraag 42). Tijdens uw dringend beroep zegt u echter dat u Ahmadi Behrouz ontmoette in het Farabi- ziekenhuis, het eerste ziekenhuis waar uw zoontje verbleef (zie CGVS, p. 15-16). Dat zij enkel verklaard heeft dat er ontmoeting was in het FARABI ziekenhuis; dat het andere ziekenhuis verkeerdelijk in de opname van de verklaring is geslopen daar er een attest betreffende het laatst vermelde ziekenhuis werd neergelegd met betrekking tot de opname van de zoon aldaar. Dat trouwens de moeder van Behrouz rond de tijd van de ontmoeting van BEHROUZ in het ziekenhuis FARABI verbleef. Dat zelfs als men de tekst van de bestreden beslissing op zichzelve bekijkt men daarin geen tegenstelling kan ontwaren. Dat er hier geen enkele tegenstelling is in het feit dat er ontmoeting op opeenvolgende tijdstippen en plaatsen heeft plaatsgevonden. Dat de bestreden beslissing voorhoudt : 'Vervolgens beweerde u tijdens uw eerste interview dat u samen met Behrouz naar een advocaat ging om over een echtscheiding te praten (zie DVZ, vraag 42), terwijl u op het commissariaat- generaal beweert nooit naar een advocaat te zijn geweest (zie CGVS, p. 17)’. Dat hier de verklaringen uit hun context gehaald worden. Dat er immers het volgende verklaard werd : Dat Behrouz verschillende advocaten geraadpleegd heeft nopens een eventuele echtscheiding; dat zij op een bepaalde dag zou meegaan met hem naar een dergelijke afspraak doch dit uiteindelijk niet is gebeurd. Dat er hier eigenlijk geen tegenstelling is.
- b)Dat de bestreden beslissing voorhoudt ’Voorts kan aan de waarachtigheid van uw beweerde vrees voor vervolging ernstig getwijfeld worden. Uit informatie waarover het commissariaat- generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt namelijk dat om door de rechtbank te worden veroordeeld omwille van overspel een aantal voorwaarden moeten vervuld zijn. Overspel kan enkel bewezen worden indien er vier getuigen of vier bekentenissen zijn. Deze bewijslast wordt zeer streng toegepast in de praktijk. Enkel de 'wijsheid van de rechter' of de vaststelling door een lid van de overheid (politieagent, Bassidj, ... ) gelden niet als voldoende bewijs. Uit uw relaas blijkt dat u nooit betrapt werd wanneer u samen met Behrouz was. U denkt enkel dat uw echtgenoot vermoedens had omdat u zich thuis niet meer zo triest gedroeg (zie CGVS, p.20). Dat uw echtgenoot een functie bekleedt bij het Ettelaat of de Sepah-é Pasdaran en in staat zou zijn op basis van zijn eenvoudige verklaring de rechtbank te beïnvloeden is tevens onmogelijk. Uit diezelfde informatie blijkt namelijk dat elke veroordeling tot de doodstraf (steniging) moet voorgelegd worden aan het hooggerechtshof. Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden voldaan is, wordt het vonnis verbroken.’ Dat verzoekende partij verwijst naar het Iraanse strafrecht. Volgens verweerster zou daaruit blijken dat in casu verzoeker niet zou blootgesteld worden aan een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève; Dat enkel de redelijke kans op vervolging dient te worden bewezen niet de redelijke vervolging. Dat de kandidaat- vluchteling niet moet aantonen dat de vervolging effectief plaats zou grijpen maar enkel dat er een redelijke kans bestaat. Dat daarbij de kandidaat-vluchteling geenszins dient te bewijzen dat er meer dan 50% kans is op vervolging noch dat het meer waarschijnlijk is dan niet dat er vervolging zal zijn. Dat het de redelijke kans die als principe geldt hoe klein die kans op zich dan ook mag zijn. Dat het Amerikaans Hooggerechtshof zelfs bij een 10% kans op vervolging de gegrondheid van de vrees niet in de weg staat vermits er slechts een redelijke kans moet zijn of zoals het Hof het verwoordt: 'the standard, as it has been consistente understood by those XIV-12.913-5/14 who drafted it, as well as those drafting the documents that adopted it, certainly does not require an alien to show that it is more likely than not that he will be persecuted in order to be classified as a refugee. There is simply no room in the United Nations'definition for concluding that because an app . liciant only has a 10% chance of being shot, tortured, or otherwise persecuted, that he or she has no "well-founded féa? of the event happening’ (I.N.S. v. Cardoza Fonseca, 9 maart 1987, 107 S.Ct., 1207, 1212-1213 1216- 11217; http:/lcaselaw.lp.findlaw.com/s ... /getcase.pl?court= us&vol = 480&invol = 42.) Dat ter zake evenmin verward mag worden tussen veroordeling en vervolging. Dat vervolging kan volstaan. Dat evenwel de term ‘vervolging’ voorzien in definitie in de Conventie van Genève geenszins vereist dat de kandidaat-vluchteling de doodstraf riskeert. Volgens het Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefinitief Gemeenschappelijk standpunt van 4 maart 1996 door de Raad vastgesteld op grond van art. K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de geharmoniseerde toepassing van de definitie van de term 'vluchteling" in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, Pub. Nr; L 063 van 13/06/96 nr. 4) is er sprake van vervolging’ indien de ondergane of gevreesde feiten: wegens hun aard of herhaalde karakter voldoende ernstig zijn: ofwel omdat zij ernstige schending vormen van de mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht op vrijheid en het recht op lichamelijke integriteit, ofwel omdat zij de persoon die ze heeft ondergaan, alle gegevens van de zaak in acht genomen, duidelijk beletten zijn leven in het land van herkomst voort te zetten ' Dat bijvoorbeeld een arrestatie, een bedreiging tot arrestatie, of een regelmatige dreiging of zelfs pesterijen aldus kunnen volstaan (LEBLANC, V., ‘L'interpretation de la convention de Genève relative au statut de réfugié á la lumière des positions du haut commissariat des nations unies pour les réfugiés sur les develloppements politiques recents en matière d'asile’, Rev. Dr. ttr., 1993, p. 569, nr 17, en verwijzingen aldaar). Dat het bovendien zo is dat deze vervolging nog niet dient uit te gaan van de bevoegde overheid zelve; dat bijvoorbeeld vervolging opgezet door de echtegenoot van de verzoekende partij die zelf machtig is, al dan niet met behulp van de bevoegde overheidsdiensten onder de conventie van Genève kan vallen. Dat er ter zake twee element zijn om vervolging aannemelijk te maken : dat de echtgenoot minstens gelet op zijn positie een strafonderzoek met de nodige moeilijkheden van dien kan uitlokken; dat diezelfde positie het aannemelijk maakt dat dit geen eerlijk proces zou zijn. Dat de echtgenoot immers werkte voor het Ettelaat en de Sepah-é Pasdaran. Dat de Raad van State zeer terecht in een andere zaak geoordeeld heeft ‘De vervolgingen moeten niet noodzakelijk uitgaan van de nationale overheid. Opdat een vervolging door particulieren in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van het Internationaal Verdrag van Genève 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen is volgens de criteria die door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en Staatlozen zijn opgesteld, vereist dat zij 'wetens en willens' door de overheid worden getolereerd of dat laatstgenoemde niet in staat is een 'doeltreffende bescherming' te bieden. "(R.v.St. nr. 62.976, 6.11.1996, Rev.dr étr., 1996, 759; T.Vreemd.’ 1997,74). Dat het ter zake voldoende moet zijn dat er geen effectieve rechtsbescherming is,. hetgeen in casu niet het geval is ( H.C.R., Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de Réfugié, H.C.R., Genève, 1992, nr. 65, p. 17-18). Dat ook het motief van de vervolging past in de conventie van Genève, n.l. het zich niet willen onderwerpen aan de religieuze regelen die tevens de wettelijke regelen uitmaken samen te leven met BEHROUZ en niet langer samen te leven met haar man. Dat aldus het overspel vervolgd wordt. Dat de rechten die ondermeer vervat zijn in het E.V.R.M. en B.U.P.U. ondermeer het recht op privéleven in gezinsleven ondermeer vervat in artikel 8 van het E.V.R.M. uiteraard behoren tot het voorwerp wat dient beschermd te worden in de conventie van Genève.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Schending van het motiveringsvereiste. Verzoekende partij vecht de tegenstrijdigheden aan. Hiervoor betwist verzoekende partij de bewijskracht van de notities van de commissaris-generaal en baseert zich hiervoor onder meer op artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder antwoordt dat de asielprocedure een administratiefrechtelijke procedure is dewelke wordt beheerst door de beginselen van het administratief recht. Het feit dat het commissariaat-generaal quasi-jurisdictioneel werkt (dit blijkt uit de bij wet voorziene onafhankelijkheid, het feit dat het indienen van een dringend beroep bij het commissariaat- generaal met automatisch opschortende werking is bekleed, dat tijdens het gehoor een tolk is XIV-12.913-6/14 voorzien, dat de beslissingen gemotiveerd zijn en een uiteenzetting van de zaak bevat, alsook dat de procedure een bespreking van alle elementen voor en tegen voorziet, zoals bevestigd in het arrest gewezen door het Hof van Cassatie van 14 maart 2001), doet daar geen afbreuk aan. Algemeen wordt aanvaard dat in het asielrecht bijzondere bewijsregels gelden die, gelet op de aard van het contentieux, zich niet inspireren op deze bepaald, hetzij in het Burgerlijk Wetboek, hetzij op de administratiefrechtelijke bepalingen inzake tuchtrecht. De bewijsregels uit het Burgerlijk Wetboek, zoals bepaald in de artikelen 1319, 1320 en 1322 komen immers uit het boek ‘wijze van eigendomsverkrijging’ onder titel ‘contracten of verbintenissen uit overeenkomsten in het algemeen’ met het hoofdstuk ‘bewijs van de verbintenissen en bewijs van betaling’ eerste afdeling ‘schriftelijk bewijs’. Artikel 1319 handelt over de authentieke akte, artikel 1320 handelt over het bewijs van authentieke of onderhandse akten en artikel 1322 handelt over de onderhandse akte. Deze artikelen hebben betrekking op een verbintenisrechtelijke context waardoor ze niet nuttig kunnen ingeroepen worden, in de asielprocedure aangezien er hier geen sprake is van een verbinteniscontext tussen de overheid en de asielzoeker (zoals omschreven in het verslag van de heer eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst in de zaak G/A 111.835/VII-24.873). Indien de regels van het Burgerlijk Wetboek inzake bewijs van toepassing zijn op de commissaris-generaal in zijn verhouding tot de asielzoeker dan betekent dit dat deze regels ook van toepassing zijn op de asielzoeker in zijn verhouding tot de commissaris-generaal met alle gevolgen vandien voor de asielzoeker. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat de rechtsleer (Van Heule, D., Vluchtelingen, Een overzicht, Mys & Breesch, nr 552) er steeds vanuit gegaan is dat deze regels van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn en zelfs niet vergelijkbaar zijn. In twee arresten (R.v.St. nr 108.470 van 28 juli 2002 en nr. 110.028 van 5 september 2002) werd door de Raad van State het hierover opgeworpen middel verworpen. Het verschil tussen een tuchtrechterlijke en een asielprocedure situeert zich onder andere op het vlak van de bewijslast. In het tuchtrecht ligt die bij de overheid (waardoor verklaringen ingeroepen door de overheid ten laste van de gesanctioneerde logischerwijze door betrokkene dienen aanvaard te worden door een handtekening), terwijl de bewijslast in het asielrecht bij de asielzoeker ligt. Omtrent het gehoorverslag dient te worden gesteld dat het een onderdeel is van het administratief dossier en dient te worden gelezen rekening houdende met alle andere elementen van het administratief dossier. Het gehoorverslag bevat de gegevens die toelaten het te dateren, de identiteit van diegene die het gehoor heeft afgenomen na te gaan, de identiteit van de tolk na te gaan en de aanwezigen tijdens het gehoor na te gaan. Het is bovendien gestandaardiseerd qua lay-out. Het gehoorverslag is tot stand gekomen door een ambtenaar die onderworpen is aan het statuut van de ambtenaar. Conform artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel is een rijksambtenaar verplicht de van kracht zijnde wetten en regelingen alsmede de richtlijnen van de overheid waartoe zij behoren, na te leven. In voormeld koninklijk besluit wordt trouwens vermeld dat zij de verplichting hebben ‘nauwgezet en correct hun adviezen te formuleren en hun verslagen op te stellen’. De ambtenaren van het commissariaat-generaal komen bovendien een handvest na dat de binnen het commissariaat-generaal geldende waarden en houdingen bevat. Elke medewerker van het commissariaat-generaal heeft zich akkoord verklaard deze waarden en houdingen waarvan respect, onpartijdigheid en integriteit op de eerste plaats staan, in de concrete uitoefening van zijn werkzaamheden na te streven. De commissaris-generaal heeft bovendien als opdracht bescherming te verlenen aan vreemdelingen die internationale bescherming nodig hebben en deze te weigeren aan vreemdelingen die deze niet nodig hebben. Het is in het belang van de commissaris-generaal dat hij de feiten aan de basis van een asielaanvraag kent én dat deze in geval van gehoor correct worden neergeschreven. De ambtenaren hebben er evenmin een persoonlijk belang bij dat de verklaringen van de asielzoeker onjuist worden weergegeven. Omdat het gehoorverslag is opgesteld door een medewerker van een onafhankelijke administratie die behept is met het overheidsgezag en wiens belang erin bestaat correct de verklaringen van de asielzoeker te kennen in het bekleed met een vorm van openbaar gezag. Tot bewijs van het tegendeel geniet het een vermoeden van wettelijkheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Aangezien het niet ondertekend wordt, kan het niet als een authentieke akte of een proces-verbaal in de eigenlijke zin van het woord worden beschouwd; wat betekent dat de asielzoeker kan bewijzen, aan de hand van concrete elementen, dat wat werd neergeschreven, op een andere manier door hem werd gezegd. Het louter ontkennen hiervan volstaat niet (R.v.St. nr 108.470 van 26 juni 2001). Bovendien zijn geen vormvereisten voorzien wat betreft het opstellen van het gehoorverslag noch is de ondertekening ervan een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste (R.v.St. nr 96.593, R.D.E., 2001, 373). Meer concreet stelt verzoekende partij dat het andere ziekenhuis (het Amiralam- ziekenhuis- verkeerdelijke in de opname van de verklaring is geslopen, maar maakt dit op generlei wijze aannemelijk. De tegenstrijdigheid blijkt uit het administratief dossier. De tegenstrijdigheid omtrent het raadplegen van een advocaat blijkt eveneens uit het administratief dossier. Opnieuw geeft verzoekende partij een andere wending aan onbetwistbare elementen uit het administratief dossier. Uit verzoekers verklaringen op de XIV-12.913-7/14 dienst Vreemdelingenzaken blijkt immers zeer duidelijk dat verzoekster een afspraak had met een advocaat (dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42, p 14). Verder maakt verzoekende partij niet aannemelijk dat de opgeworpen feiten door verzoekster niet vreemd zijn aan de Vluchtelingenconventie. Evenmin maakt ze aannemelijk dat door het commissariaat-generaal geciteerde informatie gebrekkig zou zijn. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Dat verzoekende partij volhardt in het eerste middel. Dat een arrest van de Raad van State bepaalt dat wanneer er verschillen zouden blijken uit de verhoren het P.V. van de commissaris-generaal geen enkele bewijswaarde heeft wanneer niet akkoord wordt gegaan met de inhoud van het P.V. van het verhoor bij de commissaris- generaal nu ondermeer dit P.V. niet ondertekend wordt, het niet ter controle aan de partijen wordt voorgelezen en dergelijke zaken meer. Dat de Raad van State in het arrest 109.702 van 8 augustus 2002 in de zaak KADUMA na conform advies van de auditeur gesteld heeft: - dat gelet op het arrest Conka/België van het E.V.R.M. van 5 februari 2002, het commissariaat-generaal der vluchtelingen en staatlozen een quasi-jurisdictionele overheid is, waaruit volgt dat elementaire procedurale regels van toepassing zijn. - dat het verhoor van de verzoekende partij bij de dienst vreemdelingenzaken een onderhandse akte kan uitmaken in de zin van artikel 1322 van het burgerlijk wetboek daar dit geschreven stuk de naam en hoedanigheid van verhoorder en tok bevat en dit stuk ter controle wordt aangeboden aan de verzoeker waarna het door hem ondertekend wordt, daar waar het verhoorblad voor de commissaris-generaal in veel gevallen niet of nauwelijks leesbaar is en voormelde elementen totaal niet bevat. - dat hieruit volgt dat het verhoorblad van het commissariaat-generaal geen enkele bewijswaarde heeft en geen geldige juridische akte uitmaakt. - dat hieruit volgt dat de vergelijking van verklaringen waarbij een akte geen juridische akte is ontbloot is van elke legaliteit, waardoor ook de motivering op die basis van generlei waarde is. Dat voormeld arrest uiteraard niet mag begrepen worden alsof de kandidaat-vluchteling onderworpen zou zijn aan de bewijsregelen van het Burgerlijk Wetboek, er is wel voor de akten van de commissaris-generaal het vereiste dat deze als akte voldoen aan de ter zake geldende regels. Dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 evenzeer geschonden werd nu blijkt dat er geen sprake is van nauwgezet en correct een verslag opgesteld te hebben. Dat voor het overige het volstaat te volharden in hetgeen gesteld werd in het inleidende verzoekschrift.”; 2.1.4. Overwegende dat artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M. in casu niet van toepassing zijn; dat artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing echter geen vonnis is, zodat niet valt in te zien op welke wijze dit artikel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch niet op een zuiver administratiefrechtelijke procedure zoals een administratief beroep tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat de middelen in die mate niet-ontvankelijk zijn; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de XIV-12.913-8/14 rechtsmiddelen te gebruiken waarover hij beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het middel ongegrond is in de mate dat het betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motieven inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de diverse door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen herneemt; dat deze tegenstrijdigheden in de bestreden beslissing op gedetailleerde wijze worden besproken met verwijzing naar de vindplaats in de beide verhoorverslagen; dat die tegenstrijdigheden terdege blijken uit de vergelijking tussen de verschillende verslagen en dat de verzoekende partij met de enkele suggestie dat zij mogelijk zijn veroorzaakt door “problemen die rijzen ingevolge foutieve vertaling” geen foutieve vertaling of onjuiste weergave van de verklaringen aannemelijk maakt; dat dit des te meer klemt nu de verzoekende partij gedurende of op het einde van de verhoren geen voorbehoud dienaangaande heeft geformuleerd alhoewel haar uitdrukkelijk de vraag werd gesteld of zij alles goed had begrepen en of zij nog opmerkingen had; dat de verzoekende partij zich op artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek beroept om te stellen dat het verhoorverslag van het commissariaat-generaal niet door de verzoekende partij werd ondertekend en derhalve geen bewijskracht heeft; dat artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek echter betrekking heeft op de bewijskracht van verbintenissen en derhalve te dezen niet dienstig kan worden ingeroepen; dat de verzoekende partij bovendien haar verklaringen betwist over het Amiralam-ziekenhuis en over het feit dat zij een advocaat zou hebben geraadpleegd, doch dat zij deze verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken heeft afgelegd waar zij het verhoorverslag wel degelijk heeft ondertekend; dat de verzoekende partij verder slechts op algemene wijze de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren, doch voorbijgaat aan het feit dat de motieven van de bestreden beslissing als een geheel moeten worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element op zichzelf die beslissing kan dragen; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, de loutere mogelijkheid van een strafonderzoek, niet betekent dat de verzoekende partij vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève zal ondergaan of een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de XIV-12.913-9/14 Vluchtelingenconventie kan koesteren; dat de verzoekende partij de concrete motieven dienaangaande in de bestreden beslissing niet weerlegt doch slechts haar eigen standpunt herhaalt; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens heeft genomen; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord voor het eerst de schending van artikel 2 van het K.B. van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel opwerpt; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij de voorgehouden schending niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon opwerpen; dat dit nieuwe onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de artikelen 52, 57, 6/, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet en dit, na de motivering van de bestreden beslissing gedeeltelijk te hebben geciteerd, toelicht als volgt: “(...) Dat verzoekende partij verwijst naar het Iraanse strafrecht. Volgens verweerster zou daaruit blijken dat in casu verzoeker niet zou blootgesteld worden aan een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Dat enkel de redelijke kans op vervolging dient te worden bewezen niet de redelijke vervolging. Dat de kandidaat- vluchteling niet moet aantonen dat de vervolging effectief plaats zou grijpen maar enkel dat er een redelijke kans bestaat. Dat daarbij de kandidaat-vluchteling geenszins dient te bewijzen dat er meer dan 50 % kans is op vervolging noch dat het meer waarschijnlijk is dan niet dat er vervogling zal zijn. Dat het de redelijke kans die als principe geldt hoe klein die kans op zich dan ook mag zijn. Dat het Amerikaans Hooggerechtshof zelfs bij een 10 % kans op vervolging de gegrondheid van de vrees niet in de weg staat vermits er slechts een redelijke kans moet zijn of zoals het Hof het verwoordt: ‘The standard, as it has been consistente understood by those who drafted it, as well as those drafting the documents that adopted it, certainly does not require an alien to show that it is more likely than not that he will be persecuted in order to be classified al a refugee ... There is simply no room in the United Nations’ definition for foncluding that because an appliciant only has a 10 % chance of being shot, tortured, or otherwise persecuted, that her or she has no ‘well-founded fear’ of the event happening’ (I.N.S. v. Cardoza Fonseca, 9 maart 1987, 107 S. Ct. 1207, 1212-1213, 1216-11217. http://lcaselaw.1p.findalaw.com/s.../getcase.pl?court-us&vol=480&invol=42). Dat ter zake evenmin verward mag worden tussen veroordeling en vervolging. Dat vervolging kan volstaan. Dat evenwel de term ‘vervolging’ voorzien in definitie in de Conventie van Genève geenszins vereist dat de kandidaat-vluchteling de doodstraf riskeert. Volgens het Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefinitie (Gemeenschappelijk standpunt van 4 maart 1996 door de Raad vastgesteld op grond van art. K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de geharmoniseerde toepassing van de definitie van de term ‘vluchteling’ in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, Pub. Nr. L 063 van 13/06/1996, nr 4) is er sprake van vervolging ‘indien de ondergane of gevreesde feiten: wegens hun aard of herhaalde karakter voldoende ernstig zijn: ofwel omdat zij ernstige schending vormen van de mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht op vrijheid en het recht op lichamelijke integriteit, ofwel omdat zij de persoon die ze heeft ondergaan, alle gegevens van de zaak in acht genomen, duidelijk beletten zijn leven in het land van herkomst voort te zetten.’ Dat bijvoorbeeld een arrestatie, een bedreiging tot arrestatie, of een regelmatige dreiging of zelfs pesterijen aldus kunnen volstaan (Leblanc V., ‘L’interpretation de la convention de Genève relative au statut de réfugié à la lumière des positions du haut commissariat des nations unies pour les réfugiés sur les develloppements politieques recents en matière d’asile’, Rev. Dr. Etr. 1993, p 569, nr 17, en verwijzingen aldaar). XIV-12.913-10/14 Dat het bovendien zo is dat deze vervolging nog niet dient uit te gaan van de bevoegde overheid zelve; dat bijvoorbeeld vervolging opgezet door de echtgenoot van de verzoekende partij die zelf machtig is, al dan niet met behulp van de bevoegde overheidsdiensten onder de conventie van Genève kan vallen. Dat er ter zake twee elementen zijn om vervolging aannemelijk te maken: dat de echtgenoot minstens gelet op zijn positie een strafonderzoek met de nodige moeilijkheden van dien kan uitlokken; dat diezelfde positie het aannemelijk maakt dat dit geen eerlijk proces zou zijn. Dat de echtgenoot immers werkte voor het Ettelaat en de Sepah-é Pasdaran. Dat de Raad van State zeer terecht in een andere zaak geoordeeld heeft: ‘De vervolgingen moeten niet noodzakelijk uitgaan van de nationale overheid. Opdat een vervolging door particulieren in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen is volgens de criteria die door het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen en staatlozen zijn opgesteld, vereist dat zij ‘wetens en willens’ door de overheid worden getolereerd of dat laatstgenoemde niet in staat is een ‘doeltreffende bescherming’ te bieden (R.v.St. nr 62.976, 6.11.1996, Rev. dr. étr. 1996, 759, T. Vreemd’ 1997, 74). Dat het ter zake voldoende moet zijn dat er geen effectieve rechtsbescherming is, hetgeen in casu niet het geval is (H.C.R., Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de Réfugié. H.C.R., Genève, 1992, nr 65, p 17-18). Dat ook het motief van de vervolging past in de Conventie van Genève, nl het zich niet willen onderwerpen aan de religieuze regelen die tevens de wettelijke regelen uitmaken samen te leven met Behrouz en niet langer samen te leven met haar man. Dat aldus het overspel vervolgd wordt. Dat de rechten die ondermeer vervat zijn in het E.V.R.M. en B.U.P.U. ondermeer het recht op privéleven in gezinsleven ondermeer vervat in artikel 8 van het E.V.R.M. uiteraard behoren tot het voorwerp wat dient beschermd te worden in de Conventie van Genève.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Schending van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie en van de artikelen 52, 57/6, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partij stelt dat verzoekster een redelijke kans op vervolging loopt, ongeacht de door de commissaris-generaal geciteerde informatie. Voorts zegt verzoekende partij dat er geen verwarring mag bestaan tussen veroordeling en vervolging. Verwerende partij antwoordt dat er in de bestreden beslissing aan verzoeksters verklaringen werd getwijfeld omwille van de door haar aangebrachte vervolgingsfeiten. Vooreerst werd gewezen op de zwaren bewijslast bij overspel. In het geval van verzoekster bleken er enkel vermoedens te bestaan vanwege haar echtgenoot, hetgeen onvoldoende is, gelet op de geciteerde informatie, om de procedure tot vaststelling van overspel op te starten en/of tot een goed einde te brengen. In de bestreden beslissing wordt afdoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat verzoeksters echtgenoot een veroordeling van verzoekster zou kunnen bespoedigen. Het loutere feit dat hij voor de geheime dienst werkte toont niet aan dat hij invloed zou kunnen uitoefenen op het Hooggerechtshof. Aangezien geen geloof werd gehecht aan verzoeksters verklaringen kan er dan ook gesteld worden dat er geen schending bestaat van de geciteerde EVRM en BUPO bepalingen. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 2.2.4. Overwegende dat het tweede middel slechts een letterlijke overname is van een deel van het eerste middel; dat derhalve kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-12.913-11/14 “Schending van het motiveringsvereiste. Dat de bestreden akte dient gemotiveerd te zijn gelet op artikel 62 van de wet van 15 december 1980, o.m. art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is (Lambrechts W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen 1988, p 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet van 29 juli 1991). Dat zelfs zo per impossibele quod non men vermag een beslissing te nemen onder de formule ‘voor de commissaris-generaal, verhinderd (handtekening) D. Van den Bulck Adjunct- Commissaris’ Dat de bestreden beslissing aangeeft dat de commissaris-generaal zou verhinderd zijn, hetgeen een statement is zonder enige verdere uitleg. Dat zo men het feit aangeeft dat de commissaris-generaal zou verhinderd te zijn, men uiteraard dient op te geven waarom hij zou verhinderd zou zijn.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: ‘”Schending van het motiveringsvereiste. Verwerende partij wenst te verwijzen naar hetgeen werd uiteengezet in antwoord op het eerste middel. Verweerder merkt op dat de Adjunct-Commissaris-Generaal zijn bevoegdheid rechtstreeks put uit artikel 57/9 van de Vreemdelingenwet en dat deze wet geenszins enige motiveringsplicht oplegt voor het geval de commissaris-generaal verhinderd zou zijn. Bovendien toont verzoeker geenszins aan welk belang hij hierbij zou hebben. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 2.3.4 Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat deze is genomen door D. VAN DEN BULCK, toenmalig adjunct-commissaris; dat artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bestaat uit de commissaris-generaal “en diens twee adjuncten”; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat beslissingen als de voorliggende kunnen worden genomen door de commissaris-generaal “of een van zijn adjuncten”; dat de adjunct-commissaris zijn bevoegdheid rechtstreeks uit die wettelijke bepaling put, zodat dienaangaande geen nadere motivering is vereist; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel opwerpt dat als volgt luidt: “Schending van art. 63/3 van de wet van 15 december 1980. Dat de bestreden beslissing aangeeft: ‘Voor de commissaris-generaal, verhindert (handtekening) D. Van Den Bulck Adjunct-Commissaris’. Dat voormeld artikel 63 van de Vreemdelingenwet niet voorziet in enige mogelijkheid tot delegatie: de wettekst gebruikt de bewoording ‘of’‘, hetgeen betekent dat het gaat om de commissaris-generaal zelf of één van de Adjuncten zelf, hetgeen de mogelijkheid tot delegatie uitsluit, zodat het niet strookt met de wet een beslissing te nemen voor een ander omdat deze zou verhinderd zijn.”; XIV-12.913-12/14 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet doordat de bestreden beslissing wordt ondertekend met: Voor de commissaris-generaal, verhinderd (zonder ‘dt’), terwijl de wet niet voorziet in enige mogelijkheid tot delegatie. Verweerder merkt op dat verzoekende partij in het geheel niet aantoont welk belang zij zou hebben bij het aanvoeren van deze zogenaamde grond tot vernietiging. Bovendien toont verzoeker niet aan dat er werkelijk sprake zou zijn van delegatie. De adjunct-commissaris- generaal put zijn bevoegdheid immers rechtstreeks uit de wet, zodat niet kan worden ingezien op welke manier de commissaris-generaal zijn bevoegdheid zou kunnen of moeten delegeren aan een adjunct-commissaris-generaal. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.4.3 Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 2.4.4. Overwegende dat kan worden verwezen naar de bespreking van het derde middel; dat, gezien de rechtstreekse bevoegdheid die de adjunct-commissaris uit artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet put, het niet relevant is of er op het ogenblik van de bestreden beslissing effectief een commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in functie was; dat het vierde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-12.913-13/14 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.913-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div