id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.138 Rolnummer: A. 140558/XIV-16430 Zaak: Arrest 146138 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 18:12 Fiche Arrest nr 146.138 van 16 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 146.138 van 16 juni 2005 in de zaak A. 140.558/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VANCRAEYNEST, kantoor houdende te 5530 YVOIR, Place des Combattants 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 juli 2003; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.430-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. KECHICHE, die loco advocaat P. VANCRAEYNEST verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché Ch. LECHAT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 10 mei 2003 en zich vluchteling verklaart op 15 mei 2003; dat op 15 mei 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 05/06/2003 op uw gekozen woonplaats. (...).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 52, § 2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij dit als volgt toelicht: “l ère branche. En ce qu'il est reproché au requérant de ne pas avoir donné suite à la convocation du 5 juin 2003 en vue de son audition prévue Ie 20 juin 2003 sans motif valable. Alors que la notion de ‘ motif valable’ ne peut être interprétée, sans violer la loi susmentionnée, comme une force majeure. Qu'en l'espèce, le requérant s'est expliqué sur les raisons qui l'ont empêché d'être présent lors de son audition. Qu'il est manifeste qu'il portait un grand intérêt à son recours dans la mesure où il avait fait Ie choix d'un conseil présent dans les locaux de la partie adverse, Ie 20 juin
- Que, par l'intermédiaire de son conseil, il a sollicité une nouvelle date pour une audition. Que la juridiction de céans a déjà jugé que la partie adverse qui prenait une décision négative sur base de 52 par 2 al 4 de la loi de 1980 contre un demandeur d'asile qui justifiait de son absence à une audition rapidement et demandait une nouvelle convocation ne motivait pas adéquatement sa décision. Qu'il convient dès lors d'annuler la décision litigieuse. 2ème branche En ce que la décision litigieuse est uniquement motivée sur Ie problème de procédure. Alors que la partie adverse aurait dû, même si elle considérait, quod non, que Ie motif d'absence, n'était pas valable, expliquer en quoi elle se sentait suffisamment informée par les notes prises devant I'Office des Etrangers pour prendre une décision en bonne connaissance de cause. XIV-16.430-2/6 Que tel n'a pas été Ie cas puisque la décision litigieuse ne fait même pas siens les motifs contenus dans la décision de l'Office. Qu'elle doit donc être annulée sur cette base.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Eerste onderdeel. de commissaris-generaal stelt dat verzoeker 'zonder geldige reden' geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping. De notie 'geldige reden' kan echter niet beschouwd worden als overmacht. Verzoeker heeft nochtans uitgelegd waarom hij niet aanwezig kon zijn op het interview. Hij heeft eveneens een grote interesse betoond in de procedure daar hij een advocaat voorzien had die het interview zou bijwonen. Via deze raadsman, heeft verzoeker om een andere datum verzocht voor het gehoor. Een kandidaat-vluchteling die zijn afwezigheid op het gehoor snel rechtvaardigt en om een nieuw gehoor vraagt, kan niet om die reden afgewezen worden. Verweerder antwoordt hierop dat de appreciatiebevoegdheid aan de commissaris-generaal om te oordelen of de aangebrachte reden van verzoeker een geldige reden is om niet te verschijnen op het gehoor. In casu stelde verzoeker zijn documenten vergeten te zijn en daarom niet gekomen te zijn naar het interview. Verweerder merkt echter op dat niets verzoeker belette om wél naar het interview te komen en de documenten nadien aan het commissariaat-generaal te doen toekomen. Verzoekers afwezigheid op het interview was niet aan externe factoren te wijten en evenmin aan ziekte, slechts aan zijn eigen keuze om terug te keren. Verzoeker heeft bijgevolg geen geldige reden aangebracht om niet naar het interview te komen, voorzien op 20 juni
- Ook is het zo dat blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker eveneens heeft nagelaten schriftelijke verklaringen op te sturen. Verweerder meent dus dat de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf terecht is genomen. Tweede onderdeel. de bestreden beslissing is enkel gebaseerd op een procedureprobleem. Zelfs al vond de commissaris-generaal reden van verzoeker om niet te verschijnen niet geldig, dan nog had hij moeten motiveren waarom hij niet voldoende informatie had, op basis van het gehoor bij de dienst Vreemdelingenzaken, om de beslissing te staven. Aangezien verzoeker binnen de maand na verzending van deze oproepingsbrief hieraan, zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven, noch aan de oproeping, noch aan de vraag om inlichtingen erin vervat, heeft de commissaris-generaal op grond van artikel 52, § 2, al. 4 van de Vreemdelingenwet besloten dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is. De commissaris-generaal dient zich met kennis van zaken uit te spreken over de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, in het bijzonder door na te gaan of de motieven van de vreemdeling die vraagt om als vluchteling te worden erkend steek houden en eerlijk zijn. Wanneer hij echter vaststelt dat hij in wezen gehinderd wordt om zijn opdracht uit te voeren door bijvoorbeeld het niet verschijnen van verzoeker of het niet indienen van de gevraagde inlichtingen, er hem, gelet op de afwezigheid van verklaringen die de stelling van de Minister zouden kunnen weerleggen, geen andere mogelijkheid rest dan diens beslissing te bevestigen, zonder uitspraak te doen over de grond van de zaak (R.v.St., nr. 105.642 van 18 april 2002). Het enige middel is ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Attendu que la partie adverse semble indiquer, dans son mémoire en réponse, quelle dispose de la possibilité d’apprécier souverainement si la raison invoquée par le requérant est ou non un juste motif. Attendu qu’à suivre cette thèse, l’appréciation des ‘justes motifs’ relèverait d’une compétence quasi discrétionnaire du commissaire général. Que tel ne peut être le cas à peine de retirer tout raison d’être à cette disposition de la loi. Que ‘les justes motifs’ doivent bien entendu pouvoir faire l’objet d’un contrôle de la part de la juridiction de céans. Qu’en l’espèce, la partie adverse n’explicite pas, dans la décision litigieuse, en quoi consistait réellement l’absence de juste motif en se contentant de reprendre une motivation stéréotypée. Qu tel n’est bien entendu pas le cas puisque le requérant n’aurait même pas pu, le jour de son audition, pénétrer dans l’enceinte du commissariat sans l’annexe 26 bis qui lui tient lieu d’autorisation de séjour transitoire. Qu’ainsi, il ne lui servait à rien de continuer son voyage vers Bruxelles depuis Couvin. XIV-16.430-3/6 Que s’il n’est pas contesté que cet oubli lui est totalement imputable, le requérant a manifesté immédiatement l’intérêt qu’il avait à la poursuite de la procédure par l’intermédiaire de son conseil. Qu’il a donc sollicité immédiatement un second entretien pour s’expliquer sur l’introduction de son recours urgent. Qu’il n’a ainsi pas rendu impossible la contrôle de son récit par la partie adverse, comme elle semble le suggérer dans son mémoire. Que c’est bien le commissaire qui, par son attitude, a empêché la comparaison avec l’audition réalisée à l’Offices des Etrangers ce qui exclut l’application, en l’espèce de la jurisprudence vantée dans le mémoire en réponse.”; 2.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 4 juni 2003 een oproeping voor een verhoor op 20 juni 2003 om 08.30u en een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat in die brief wordt gesteld dat de verzoekende partij bij een geval van overmacht om gevolg te geven aan de oproeping, binnen de maand de reden en een bewijs van die overmacht moet opsturen; dat in de brief verder wordt gesteld: “In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: Is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.”; Overwegende dat uit die formulering duidelijk blijkt dat het niet enkel om een “oproeping” doch tevens om een “verzoek om inlichtingen” in de zin van het voormelde artikel 52, § 2, 4/ gaat; Overwegende dat de verzoekende partij niet op het verhoor van 20 juni 2003 aanwezig was, doch wel haar raadsman; dat de verzoekende partij op 24 juni 2003 met een faxbericht aan het commissariaat-generaal meedeelt dat zij niet aanwezig was omdat zij onderweg merkte dat zij haar stukken had vergeten, dat zij daarom terug naar huis was gegaan en dat zij een nieuwe datum voor een verhoor vraagt; dat de raadsman van XIV-16.430-4/6 de verzoekende partij op 24 juni 2003 een brief aan het commissariaat-generaal stuurt met in essentie dezelfde inhoud; Overwegende, daargelaten de vraag of het vrijwillige wegblijven van de verzoekende partij op een verhoor omdat zij haar stukken zou hebben vergeten mee te brengen als een “geldige reden” in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet kan worden beschouwd, dat de verzoekende partij alleszins geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat zij niet uiteenzet waarom zij de stukken en inlichtingen, waarnaar zij zelf verwijst, niet aan het commissariaat-generaal heeft overgemaakt; dat haar dringend beroep ook om die reden is afgewezen; dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 4 juni 2003 te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, niet de vereiste belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-16.430-5/6 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.430-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.