← België

Arrest 146168 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.168 Rolnummer: A. 158744/X-12161 Zaak: Arrest 146168 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:14 Fiche Arrest nr 146.168 van 16 juni 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.168 van 16 juni 2005 in de zaak A. 158.744/X-12.

  1. In zake : Marcel GALMART, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DER SNICKT, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marcel GALMART op 28 december 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 26 oktober 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij zijn beroep tegen het besluit van 16 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning tot regularisatie van een tuinhuis op een perceel gelegen te Pepingen, Molenstraat 10, kadastraal bekend sectie A, nr. 214 m, niet wordt ingewilligd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.161-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VAN LAETHEM die, loco Advocaat J. VAN DER SNICKT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant bij het bestreden besluit van 26 oktober 2004 het beroep van verzoeker tegen het besluit van 16 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen houdende weigering van de stedenbouw- kundige vergunning tot regularisatie van een tuinhuis op een perceel gelegen te Pepingen, Molenstraat 10, kadastraal bekend sectie A, nr. 214 m, niet heeft ingewilligd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat X-12.161-2/4 met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker laat gelden wat volgt : "Aangezien verzoeker in casu een persoonlijk nadeel zal ondergaan bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Dat het in casu een weigeringsbeslissing betreft, vormt geen belemmering voor het toekennen van een schorsing van de tenuitvoerlegging aangezien Uw Raad reeds is overgegaan tot de schorsing van weigeringsbeslissingen. Aangezien de regularisatie van het tuinhuis door de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant werd geweigerd, zal verzoeker geconfronteerd worden met een herstelvordering. Dat er dus niet alleen ernstige beschadigingen zullen worden toegebracht aan de unieke en waardevolle eigendom van verzoeker en in het bijzonder aan de tuinzone, maar dat verzoeker hoogstwaarschijnlijk ook strafrechtelijk zal worden vervolgd. Dat het niet opgaat dat verzoeker de gevolgen van de bestreden beslissing (herstelvordering, strafrechtelijke beteugeling) zou moeten ondergaan in afwachting van een vernietigingsarrest, dat welhaast onvermijdelijk is, daar het overduidelijk is dat in casu minstens het vertrouwensbeginsel werd geschonden."; Overwegende dat verzoeker niet betwist het betrokken tuinhuis te hebben opgericht zonder daartoe over een stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat het aangevoerde nadeel, met name te zullen worden geconfronteerd met een herstelvordering, ernstige beschadigingen aan zijn eigendom en strafrechtelijke vervolging, zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in het bestreden besluit, maar in het eigengereid handelen van verzoeker door het betrokken tuinhuis op te richten zonder daartoe over de krachtens artikel 99, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat een nadeel dat aan verzoeker zelf is te wijten niet kan worden aangenomen; dat het nadeel bovendien zoals hiervoor reeds gesteld moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt derhalve evenmin in aanmerking kan worden genomen; dat het aanvoeren van ernstige middelen en de voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, twee van elkaar onderscheiden vereisten zijn die cumulatief moeten worden vervuld om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat het aanvoeren van een ernstig middel derhalve op zich niet volstaat om aan te tonen dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan; dat moet worden vastgesteld dat verzoekers uiteenzetting X-12.161-3/4 geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.161-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.168 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.872 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.