← België

Arrest 146170 - - 16/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.170 Rolnummer: A. 146795/X-11726 Zaak: Arrest 146170 - - 16/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:15 Fiche Arrest nr 146.170 van 16 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.170 van 16 juni 2005 in de zaak A. 146.795/X-11.726. In zake : de b.v.b.a. SCHRIJNWERKERIJ WITTEVRONGHEL, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VERBIST, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAAT- SCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN (I.O.K.), die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LAT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. SCHRIJNWERKERIJ WITTEVRONGHEL op 21 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : 1. de beslissing van 16 september 2003 van de raad van bestuur van de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN dat : "1. de IOK (...) de hierna vermelde goederen ten kadaster bekend of bekend geweest te Nijlen 3de afdeling Kessel sectie D nummers 135w3, 135x3, 135y3, 135h3, 135g3, 135a4, 135z3, 133a, 133g, 132b3, 134c, 134e, 162b9, 162a9, 162p3, 162s3, 162r3, 163z3, 163p2, 163y3, 163s, 171v, 163s3, 163t3, 202r, 134k, 134l, 134g, 134h, 133c, 132c2 en 214g, afgebeeld als innemingen 1 tot en met 32, in rode kleur omlijnd op het onteigeningsplan 'Pastoriestraat', opgemaakt door de IOK op 10 september 2003, samen groot 2ha26a71ca (zal) verwerven om haar maatschappelijk doel te bereiken door de realisatie van een sociale verkaveling. 2. het onteigeningsplan 'Pastoriestraat' opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen voorzien in het Decreet ruimtelijke ordening, (...) voorlopig (wordt) goedgekeurd en (...) aan een openbaar onderzoek (zal) worden onderworpen overeenkomstig de wettelijke voorschriften", 2. de beslissing van 19 december 2003 van de c.v. INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN X-11.726-1/7 "1. dat alle ingediende bezwaren verworpen worden om redenen hierboven vermeld bij de behandeling van de individuele bezwaarschriften. 2. (dat) het onteigeningsplan 'Pastoriestraat', opgemaakt door de IOK op 10/9/2003 en voorlopig goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 16 september 2003 (...) definitief (wordt) goedgekeurd. Het betreft een totale te onteigenen oppervlakte van 2ha26a71ca, afgebeeld als innemingen nrs. 1 tot en met 32 op het onteigeningsplan. 3. dat, vermits de toegangswegen reeds in der minne konden worden verworven zodat de ontsluiting van het ingesloten woongebied op vrij korte termijn kan gebeuren en aldus tegemoet kan worden gekomen aan de dringende vraag naar betaalbare bouwgronden, aan de bevoegde minister machtiging tot onteigening bij hoogdringendheid wordt gevraagd waarbij de spoedprocedure, voorzien in de wet van 26 juli 1962, kan worden toege- past."; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VERBIST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. RAEYMAEKERS die, loco Advocaat J. DE LAT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Nijlen op 2 april 2001 heeft beslist aan de verwerende partij de opdracht te geven voor een verkavelingsproject in de omgeving van de Pastoriestraat-Nieuwstraat te Nijlen (Kessel) en het verkavelingsreglement, op 18 december 1986 goedgekeurd door de raad van bestuur van de verwerende partij en aangevuld door de beslissingen van X-11.726-2/7 17 december 1987 en 19 oktober 1993, goed te keuren; dat de gemeenteraad van de gemeente Nijlen op 7 januari 2003 heeft beslist het verkavelingsreglement, op 17 september 2002 vastgesteld door de raad van bestuur van de verwerende partij, de modaliteiten van de aankoopbelofte, en het modelreglement IOK voor de toewijzing van sociale bouwgronden goed te keuren; dat de raad van bestuur van de verwerende partij op 16 september 2003 het onteigeningsplan "Pastoriestaat" voorlopig heeft goedgekeurd; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat van 6 oktober 2003 tot 20 oktober 2003 een openbaar onderzoek werd georganiseerd; dat tijdens dit openbaar onderzoek 17 bezwaarschriften werden ingediend, onder meer door de verzoekende partij; dat de raad van bestuur van de verwerende partij op 18 november 2003 het onteigeningsplan "Pastoriestaat" definitief heeft goedgekeurd; dat dit de tweede bestreden beslissing is; Overwegende dat de verwerende partij de onontvankelijkheid van het verzoekschrift ratione materiae en ratione temporis opwerpt en het belang van de verzoekende partij bij de vordering betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij X-11.726-3/7 in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet wat volgt : "1. Verzoekende partij wordt uitgebaat op basis van een exploitatievergunning afgeleverd bij Vergunningsbesluit van 23 september 1982 (...). Uit de bijlage bij deze exploitatievergunning (...) blijkt de volledige omvang van verzoekende partij. Verzoekende partij maakt gebruikt van zowel gebouwen op het perceel 132B3 als op het perceel 133A, welk perceel met onteigening wordt bedreigd. Op het met onteigening bedreigde perceel 133A bevinden zich twee loodsen die dienen als noodzakelijke opslagplaats voor het in de schrijnwerkerij te verwerken hout. Ze maken een essentieel en onontbeerlijk onderdeel uit van de exploitatie van de activiteiten van verzoekende partij. De realisatie van het onteigeningsplan van verwerende partij heeft tot onmiddellijk gevolg dat de twee loodsen zullen moeten verdwijnen. Vervolgens zal het onteigende gedeelte onmiddellijk grenzen tegen het gebouw van de schrijnwerkerij op perceel 133A (wel(

  1. k)gebouw gedeeltelijk is gebouwd op het perceel 132B3 en 133A). De realisatie van het onteigeningsplan van verwerende partij heeft bijgevolg tot noodzakelijk en onmiddellijk gevolg dat verzoekende partij haar activiteiten op de betreffende locatie zal dienen stop te zetten. De bestreden beslissingen bedreigen het voortbestaan van verzoekende partij. Verzoekende partij verwijst hieromtrent naar de rechtspraak van de Raad van State waarin een bedreiging van het voortbestaan zelf van de verzoekende partij wordt beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.(...) Verzoekende partij (...)merkt daarenboven op dat het verre van een evidentie is om een gelijkaardige ruimte in een gelijkaardige buurt te kunnen vinden. Wanneer de bestreden (beslissingen) zullen worden uitgevoerd dient verzoekende partij haar activiteiten stop te zetten. 2. Onwettig(
  2. e)onteigeningsbesluiten, zoals de bestreden beschikkingen, kunnen op zichzelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doen ondergaan, alvorens de effectieve onteigeningsmachtiging is bekomen en alvorens de gerechtelijke vordering tot onteigening wordt ingesteld. Verzoekende partij verwijst ter zake per analogie naar de rechtspraak van de Raad van State.(...) 3. (...) In (een) arrest (...) motiveert de Raad van State dat de beoordeling van de ernst van het nadeel in functie van de hoge graad van ernst van het ingeroepen middel en van de aard van dit laatste met de overweging dat 'eensdeels, hoe ernstiger de door verzoekende partij aangevoerde middelen, hoe groter de kans op een uiteindelijke vernietiging van de bestreden beslissing, en hoe moeilijker te verantwoorden de verzoekende partij het door haar bestreden beschreven nadeel - mits het minimaal aan de vereisten van ernst en moeilijke herstelbaarheid voldoet - te laten ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde van de X-11.726-4/7 zaak; dat anderdeels hoe zwaarwichtiger de onrechtmatigheid in het ernstig bevonden middel wordt aangeklaagd, hoe harder dit geacht kan worden aan te komen voor de verzoekende partij.' (...) (...) In (een ander) arrest (...) wijst de Raad van State er bijkomend op dat het ernstig karakter van het middel enkel in rekening kan worden gebracht 'wanneer het verzoekschrift zo duidelijk is geconstrueerd dat de organen van de Raad van State en in de eerste plaats het bevoegde lid van het Auditoraat reeds bij het summier onderzoek waartoe zij in het kader van de vordering tot schorsing verplicht zijn, de overtuiging opdoen - overtuiging die niet de mate van zekerheid vertoont die toelaat de versnelde procedure van artikel 94 van het Algemeen Procedurereglement op gang te brengen - dat de beslissing onwettig is.' Verzoekende partij is er zich van bewust dat de bestreden beslissingen niet tot gevolg hebben dat de onteigening onmiddellijk zal doorgaan. Verzoekende partij weet dat Verwerende partij eerst een onteigeningsmachtiging dient te bekomen van de Minister van Binnenlandse Aangelegenheden na toestemming van de Functioneel Bevoegde minister. Doch met de bestreden beslissingen staat de intentie van Verwerende partij vast om tot onteigening van de betreffende percelen over te gaan. De uitvoering van de bestreden beslissingen houdt aldus een ernstig risico in voor het voortbestaan van Verzoekende partij."; Overwegende dat de verwerende partij repliceert als volgt : "Er kan op dit ogenblik geen sprake zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vermits de aangevochten beslissingen geen enkel nadeel of rechtsgevolg doen ontstaan. Verzoekende partij schrijft zelf dat zij niet weet of en wanneer de onteigening zal doorgaan. Zij kan moeilijk ernstig voorhouden slechts over gebrekkige informatie te beschikken. Het tegendeel blijkt reeds uit het omvangrijke verzoekschrift dat zij nu reeds indiende. Haar argumentatie inzake de schrijnwerkerij mist elke grond gelet op het feit dat het te onteigenen perceel 133a, waarop zonder vergunning twee loodsen werden opgetrokken, en haar eigen onwettige toestand, die verzoekende partij zelf veroorzaakte, geen rechtsbescherming verdient."; Overwegende dat de verzoekende partij het door haar aangevoerde nadeel in wezen put uit de realisatie van de onteigening van een gedeelte van haar bedrijfsterrein, gekoppeld aan de vrees dat een gelijkaardig terrein haar niet meer te beurt zal vallen; Overwegende, wat de dreiging van het verlies van haar eigen- domsrecht betreft, dat het eerste en het tweede bestreden besluit enkel een voorlopig respectievelijk definitief onteigeningsplan goedkeuren; dat de machtiging tot onteigening door de ter zake bevoegde overheid nog dient te worden verleend; dat niet met zekerheid blijkt dat dit ook het geval zal zijn; dat bovendien verzoekster pas uit haar eigendom zal worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter die onteigening slechts kan uitspreken en de X-11.726-5/7 provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het nog te verlenen machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig heeft bevonden met de controle die de Raad van State kan doen; dat de verzoekende partij de wettigheidsbezwaren welke zij thans aanvoert, nog zal kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van de eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat, zelfs aangenomen dat de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoekende partij, deze alleszins geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat voorts het door verzoekster aangevoerde nadeel dat het haar in de toekomst niet meer mogelijk zal zijn zich een gelijkaardig bedrijfsterrein in gelijkaardige omstandigheden aan te schaffen, zoals uit hetgeen voorafgaat blijkt, niet alleen zeer voorbarig is, maar ook een loutere bewering is die door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd; dat verzoeksters uiteenzetting geen afdoende gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-11.726-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.726-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.170 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.