id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.245 Rolnummer: A. 113602/XIV-7530 Zaak: Arrest 146245 - - 17/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-07-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 18:24 Fiche Arrest nr 146.245 van 17 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 146.245 van 17 juni 2005 in de zaak A. 113.602/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. LARDENOIT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 3 februari 1972 en van XXX nationaliteit, op 28 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 4 mei 2005 om 10.00 uur; XIV-7530-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. LARDENOIT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 1 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 8 december
- 1.
- Op 6 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 8 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen huwde u, een XXX staatsburger van A. origine, in 1991 met M., een A. staatsburger van A. origine, met wie u twee kinderen heeft. U verklaart dat u in T. (XXX) problemen ondervond omwille van uw A. origine. Op 20 april 1999 werd er een wijkagent vermoord. U ging kijken op de plaats van het misdrijf. U werd samen met andere omstaanders ter ondervraging naar een politiebureau gebracht. U werd er geslagen. Begin juni 1999 kwamen drie politieagenten en twee K. (XXX T.) u thuis opzoeken. U, uw vrouw en uw moeder werden geslagen. Ze vroegen naar de dader(s) van de moord op de wijkagent en dreigden uw dochter te doden toen u geen informatie kon geven. Uw (moslim) vrouw werd door de twee K. (moslims) beledigd omdat zij gehuwd was met een christen. U werd meegenomen naar een privéhuis waar u aan een radiator werd gehandboeid en werd mishandeld. U kreeg twee dagen de tijd om te weten te komen wie de wijkagent had vermoord. U dook bij vrienden onder. Drie dagen later werd uw gezin opnieuw lastig gevallen door dezelfde vijf personen. Uw gezin dook samen met u onder. Twee maanden later, in augustus 1999 liet u uw zwangere vrouw samen met jullie kind vluchten naar B. (A.). Eind oktober 2000 ontvluchtte u XXX. U klaagt eveneens aan dat u uw dochter niet kon laten dopen in een XIV-7530-2/4 XXX kerk, dat u in XXX in het zwart diende te werken, en dat etnisch A. alleen al op basis van hun (A.) familienaam verdacht worden van criminele feiten. Eind november 2000 kwam u in België aan waar u op 8 december 2000 uw asielprocedure startte. U verklaarde (Commissariaat-generaal p.8-9; Dienst Vreemdelingenzaken pt.41 en 42) dat etnische A. in T. (XXX) worden onderdrukt en vervolgd. U verklaarde verder dat de A. gedwongen worden om XXX te verlaten. U stelde dat uw problemen (problemen met de politie en twee K. na de moord op een wijkagent, u diende in het zwart te werken, u kon uw kind niet laten dopen, etnische A. worden louter op basis van hun A. familienaam verdacht van criminele feiten) kaderen in de vervolging die A. ondergaan in XXX. Er dient echter te worden opgemerkt dat uit informatie beschikbaar op het CGVS blijkt dat er van vervolging van leden van minderheden in XXX thans geen sprake is en dat de in XXX levende A. geen aan etnische afkomst gerelateerde problemen ondervinden (bronnen : Ministerie van Binnenlandse Zaken (Nederland), “Situatie in XXX”, 25 mei 2000, p.52 en 55; “Rapport final de la mission d’évaluation de la délégation belge en XXX (4 au 15 octobre 1999)”, p.39-43). Ook blijkt uit de eerstvermelde bron (supra : p.69) dat er, volgens informatie ingewonnen bij het UNHCR kantoor in T., in XXX geen bepaalde groepen zijn die te vrezen hebben voor vervolging van de kant van de XXX autoriteiten of derden. Aangezien uit deze informatie blijkt dat de actuele situatie in XXX zo is dat A. er niet het voorwerp uitmaken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, en uw verklaringen bijgevolg hiermee volstrekt tegenstrijdig zijn, wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas compleet ondermijnd. De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt bijkomend ondermijnd nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met uw eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Met betrekking tot het incident toen u voor de tweede keer door de politie werd opgepakt, stelde u bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) dat er, toen u de deur opendeed, vijf politieagenten en twee K. uw huis binnendrongen en dat uw vrouw flauwviel toen ze dreigden uw dochter te doden. Voor het Commissariaat-generaal (p.6-7) verklaarde u echter dat er, toen uw moeder de deur opendeed, drie politieagenten en twee K. uw huis binnendrongen en maakte u geen melding van het feit als zou uw vrouw zijn flauwgevallen tijdens dit voorval (“geen gevolgen voor vrouw”). Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan uw asielrelaas. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker onder meer de schending aanvoert van de formele en materiële motiveringsplicht; Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat etnische A., waartoe hij behoort, in T. (XXX) in bepaalde omstandigheden worden onderdrukt en vervolgd; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker concrete en precieze individuele vervolgingsfeiten aanhaalt, die niet worden onderzocht in de bestreden beslissing, zodat verzoeker op goede gronden aanvoert dat zijn asielrelaas niet individueel werd onderzocht; dat verzoeker terecht betoogt dat één minimale tegenstrijdigheid niet de verwerping van de asielaanvraag tot gevolg kan hebben; Overwegende dat het wenselijk is dat verzoeker de tekst die hij voegt bij zijn dringend beroep zou laten vertalen, zodat hij tijdens het interview eventueel kan worden geconfronteerd met de inhoud van zijn schrijven; Overwegende dat het enig middel gegrond is in de mate dat de schending van de formele en materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, XIV-7530-3/4 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 6 februari 2001, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7530-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.